Jongste dochter is geslaagd!
Auteur: Geertrude Verweij
Een spannend verhaal
Die avond zaten wij allemaal rustig onze eigen dingen te doen. De dochters zaten in hun kamers. Wij hebben namelijk besloten dat we in de huiskamer niet van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat tegen de achterkanten van hun beeldschermen aan willen kijken. Er mag ’s avonds best gecomputerd worden (dat houdt je toch niet tegen, hoewel het wel helpt dat bij ons het internet om tien uur uitgaat), maar dan niet in de kamer waar we als gezin bij elkaar zouden moeten zijn. Dus zaten de dochters in hun kamers. Wij waren hypocriet, want wij zaten in de huiskamer met de laptop op schoot. Echtgenoot was aan het werk en ik zat een eng verhaal te schrijven.
Dat ging zomaar ineens. Ik schrijf eigenlijk veel liever romantische verhalen, maar er was een wedstrijd met een voorgeschreven begin en ik had ineens inspiratie. Het verhaal was erg griezelig. Ik wist al dat het bijzonder slecht ging aflopen en ik zat er middenin, toen de heerlijke stilte in ons huis werd verstoord door een vreemd gepiep.
Het was geen spookachtig gepiep. Dat is wel jammer voor het verloop van dit verhaal, maar het is niet anders. Het was meer alsof er iemand met een enorme dosis enthousiasme in zo’n ouderwets babyspeeltje aan het knijpen was. Zo’n benauwd hijgerig piepje.
We hoorden ook getrippel. En toen hoorde ik de kat. Ik zou bijna zeggen dat hij miauwde, maar dat kan hij niet. Hij kan wel gillen en aaaah of weeee roepen, maar een keurig mi-auw komt er niet uit. Hij riep dus iets dat leek op weeeee en toen snapte ik het. Of ik dacht het te snappen.
Dit beest is oud en niet bepaald een jager. Maar zijn voorgangers waren dat wel. En dit klonk bekend. Dit klonk als een vogel in doodsangst en een kat die fijn aan het spelen is. Dus sprong ik op en liep naar de keuken, waar ik tot mijn grote verbazing geen merel of meesje aantrof, maar een wanstaltig geval met grote poten, grijze donsveertjes en nauwelijks zichtbare vleugels. Een waterkuiken. Nee, dat is geen correcte naam, dat weet ik ook wel. Maar als zijn moeder een waterkip heet, vind ik haar nakomelingen waterkuikens. Dus.
Het waterkuiken rende in paniek door de keuken en de gang, maar miste steeds de buitendeur. De kat liep er geïnteresseerd achteraan. Ik zei het al, dit is geen jager. Hij zag er meer uit als een bioloog, die een nieuwe diersoort bestudeerde. Ik vermoed dan ook dat het waterkuiken niet door hem was meegenomen vanaf de waterkant. Ik denk eerder dat dit een erg avontuurlijk waterkuiken was, dat zelf de weg overgestoken is en via de oprit in ons huis belandde. Het waterkuiken vond de belangstelling van de kat niet echt prettig. Van angst poepte het diertje overal waar hij kwam. En toen echtgenoot hem probeerde te vangen, schoot hij natuurlijk net in de opening tussen de vriezer en de wasmachine.
Dat echtgenoot erbij kwam, was mijn schuld. Ik ben namelijk bang voor vogels. Erg stom, ik weet het. Ik vind ze prachtig van veraf, maar ik wil ze absoluut niet dichtbij hebben.
Een paar weken geleden legde ik een euro in het bakje van een papagaaienmeneer die in het dorp bij een evenement aanwezig was, om hem te betalen voor de foto’s die ik genomen had. Maar toen wilde hij per se die beesten op mijn schouders zetten. Er was geen praten aan, ik had betaald en dan mocht je ze op je schouders. Alle zes. Ik heb echt doodsangsten uitgestaan en bij de tweede heb ik gezegd dat ze eraf moesten. Gelukkig was er een schattig meisje dat heel verlangend naar die beesten keek. Ik heb de andere vier toen maar aan haar overgedaan. Was die man ook weer tevreden.
Ik ben dus bang voor vogels. Als onze vroegere katten muizen mee naar binnen namen, ruimde ik ze rustig op, of ze nu dood waren of nog rondrenden. Maar vogels… bah! Als het echt niet anders kon, haalde ik ze wel weg, maar mijn hobby is het niet. Vandaar dat ik deze keer echtgenoot erbij riep. Die joeg eerst met een bezemsteel het diertje weer uit zijn schuilplaats en gooide daarna een handdoek over hem heen. Daarna droeg hij het waterkuikentje in de handdoek gewikkeld voorzichtig terug naar de waterkant. Voor zover wij konden zien was het beestje niet gewond. Ik heb de avonturier even de tijd gegeven om tot zichzelf te komen, en mezelf om die klodders poep op te ruimen, en toen ben ik nog even gaan kijken. Ik vroeg me al bezorgd af wat ik met zo’n beest moest doen als hij wel gewond was. Thuis houden in een teiltje? Maar zou de kat dan nog steeds niet doorhebben dat hij wel eens een hap uit dat piepende geval kon nemen?
Ik had me geen zorgen hoeven maken, want er was geen waterkuiken meer te zien. Geen waterkip ook trouwens. Terwijl ik er toch zeker van ben dat ik er een paar heb horen roepen. Waterkippen klinken als van die toeters met zo’n rubberen bal. Pep, pep, u weet wel.
Ik denk dus dat moeder en kind herenigd zijn en zich daarna verstopt hebben tussen het riet. Dat hoop ik in ieder geval. Want ik ben dan wel bezig met een vreselijk verhaal dat afgrijselijk rottig afloopt, maar eigenlijk hou ik veel meer van een happy ending…
Op avontuur
Zaterdag zijn wij ontsnapt uit de sleur. We zijn op avontuur geweest. Dat moet een mens zo nu en dan eens doen. Het is alleen af en toe zo lastig te regelen. Weekenden hebben we niet echt. Normaal gesproken werken wij gewoon door op zaterdag en zondag, tenzij we ergens naar toe moeten. Verjaardagen of Moederdag of iets dergelijks. Dat breekt ook, maar avontuurlijk is het niet.
Dus toen we zaterdagavond naar Zeeland moesten rijden om iets groots op te halen, besloten we spontaan daar gebruik van te maken. We zadelden onze bloedjes van kinderen op met “eten uit de magnetron” (wel door mij gekookt, hoor, we zijn nog niet zover gezonken dat we ze die magnetronrommel uit de supermarkt laten eten) en lieten hen moederziel alleen achter (een uurtje, want daarna zou het drietal ons alleen achtergelaten hebben omdat zij naar een concert in het dorp gingen).
We reden de normale route richting Zeeland tot we trek kregen. Bij een kruispunt zagen we links een patatkraam, dus gingen we rechts. Dat is ons soort logica. We volgden de borden naar Stad aan ’t Haringvliet. Daar waren we nog nooit geweest, wat altijd een goede reden is om ergens naar toe te gaan. En bovendien klonk het als een plek waar je wel iets te eten kunt krijgen.
We reden door lege vlaktes, waarvan ik niet wist dat we die hadden op slechts een half uurtje afstand van de drukte van Rotterdam en kwamen daarna in Stad aan ’t Haringvliet terecht. Wat een schattig dorpje bleek te zijn. Ik zag een huis te koop staan en wilde er direct gaan wonen. Helaas was echtgenoot nuchter genoeg om me te vertellen dat wij ons vast niet erg thuis zouden voelen in een dergelijk dorp. Waar hij gelijk in had.
We reden een rondje en vonden twee antiekwinkels, maar verder geen teken van middenstand. Geen supermarkt en ook geen snackbar of restaurant. En toen we het bordje “centrum” volgden, was het hele dorp ineens weg. Dus zijn we maar verder gereden.
Inmiddels regende het verschrikkelijk en dat was ook best avontuurlijk. Er reed namelijk iemand voor ons die niet durfde te rijden en bij elke bocht gevaarlijk in zijn remmen ging. Uiteindelijk arriveerden we veilig in Stellendam. Daar stond een bord met mes en vork erop, dat ons verwees naar “Het Wapen van Stellendam”. Wij hadden inmiddels echt behoorlijk honger en besloten dat een kans te geven.
Het wapen was in twee stukken verdeeld. Een snackbar en een echt restaurant. Omdat we inmiddels door onze zwerftocht over het eiland al heel wat tijd kwijt waren geraakt dachten we dat het slim was om voor de snackbar te kiezen. Dat was een heel apart geval. Ik heb nog nooit een snackbar gezien waar men vloerbedekking heeft. En het was niet eens vies. Verder was het er dorps gezellig. Ik weet dat ik ook in (nou ja, buiten) een dorp woon, maar dat is stiekem heel stads. Dit was echt dorps. Duidelijk zo’n plek waar iedereen elkaar kent. Wij werden dus aangestaard en verder genegeerd. We bestelden een loempia menu. Iets wat je natuurlijk nooit moet doen als je een beetje haast en al erge honger hebt. Loempia’s duren lang. Dus besloten we alvast een portie bitterballen te bestellen. Alleen vergaten we erbij te zeggen dat we die meteen wilden hebben, dus kregen we ze tegelijk met ons menu. Ach ja. Maakt niet uit. We zaten daar wel ontspannen eigenlijk.
En het eten dat we uiteindelijk toch gewoon kregen was heerlijk. En veel. Ik kreeg het niet op en echtgenoot kreeg mijn restanten ook niet op. Dan is het echt veel, dat kan ik u wel vertellen.
Toen we de snackbar, die ’s avonds ook fungeerde als café en daar al langzaam aan begonnen was, verlieten, was het gestopt met regenen. We hadden geen idee waar we heen moesten, maar echtgenoot deed interessant aan de hand van de plaats waar hij de zon vermoedde. Het was alleen lastig dat het bij vermoeden bleef, omdat er nog steeds hele dikke grijze wolken hingen. Toch slingerden we spontaan de goede kant uit en bevonden we ons ineens weer op een bekende weg, zodat we maar een half uurtje te laat waren.
Eigenlijk stelt het niets voor, als je het zo vertelt. Een uurtje omrijden door een klein stukje Nederland en een simpel hapje eten in een onbekende plaats, dat is echt niet zo bijzonder. Maar wij zijn er enorm van opgeknapt!
Libelle Zomerweek
Ik was er ook bij. Bij die tienduizenden vrouwen die de Libelle Zomerweek bezochten. Dit jaar was ik er helemaal alleen. Dat is niet zielig, daar had ik behoefte aan. Even een dagje helemaal voor mezelf. Dat leek me fijn. En dat is het ook, maar de volgende keer ga ik in mijn eentje een wandeling maken. Want zo’n Libellefestijn is eigenlijk leuker als je met moeder, zussen of vriendinnen bent. Dat weten we dan ook weer.
Niet dat ik me niet vermaakt heb, maar het is een beetje jammer als je geen aanspraak hebt. Ik betrapte me erop dat ik in mezelf ging lopen praten. Wat natuurlijk erg vreemd staat. Ik hoop dat het niemand opgevallen is.
Ik was er vroeg, dus kon ik meteen de allereerste modeshow zien. Enthousiast kon ik er niet van worden. Ik vind de huidige mode met al die ruches, lintjes en flodders en de tailles veel te hoog of veel te laag, niet geweldig. Maar de show was wel leuk om te zien, vooral omdat er altijd lezeressen in mee mogen lopen. Ik hoop dat ik nog eens een stabiele maat 38 bereik, dan ga ik het ook een keertje doen.
Daarna kwamen de columnisten. Die vind ik veel interessanter. Van mij had dat wel wat langer mogen duren. Ik had een vraag voor Tineke, maar die werd zijdelings al beantwoord voor ik de moed vergaard had om hem te stellen. Ik wilde namelijk weten of ze Anne-Wil per aflevering schrijft of als roman die ze daarna in stukjes hakt. Op de vraag hoe het verder gaat met Geert antwoordde ze dat dat niet ging verklappen, maar ze weet het wel, omdat ze acht weken op ons voorloopt. Ook mijn vraag hoe ze zoveel kan schrijven werd al beantwoord zonder dat ik hem stelde: ze doet niets liever en ook niet veel anders. Van haar kan ik dus geen tips verwachten op het gebied van het hooghouden van al die verschillende ballen in mijn leven. Ik denk dat haar advies zou zijn om de andere ballen vrolijk op de grond te laten stuiteren. Maar ik weet niet of ik dat wel zou willen.
Ik ben langs alle kraampjes geslenterd. Letterlijk erlangs, want het boeide me allemaal niet zo erg wat ze daar te koop aanboden. Gelukkig voor de standhouders was ik de enige die er zo over dacht.
Toen ik mijn rondje gemaakt had, ben ik de grote tent weer binnengegaan en heb ik de quiz van Quintus bekeken en daarna het gesprek van Ebru met Mark Rutten. Ik trof het, want de zoons van Wieke waren precies die dag aanwezig om zichzelf weer eens heerlijk maf in de schijnwerpers te zetten. Toen Daan aan Mark Rutten vroeg of die met hem mee wilde naar de beautydag die hij gewonnen had in de quiz, was het publiek met stomheid geslagen. Ebru lag dubbel, ik zat in mijn eentje te grinniken en Mark (Ebru: “Je moet meneer Rutten zeggen, Daan!”) redde zich er redelijk netjes uit.
Toen was het nog steeds geen tijd voor de workshop columns schrijven en ben ik buiten in het zonnetje gaan zitten. Mensen kijken, dat blijft leuk. En verrassend. Net toen ik concludeerde dat de gemiddelde Libelle lezeres aan de stevige kant was, kwam er een ontzettend magere dame voorbij, gevolgd door een hele stoet slanke vrouwen.
Ik was nog steeds veel te vroeg voor de workshop, maar gelukkig waren er meer deelnemers zo bang om te laat te komen als ik. Toen bijna iedereen er was, begon Wieke alvast, want door een wijziging in het programma moest ze eigenlijk voor de workshop afgelopen was alweer op het toneel staan. Hoewel Wieke zich afvroeg wat ik, als ervaren schrijfster, daar deed (dat was een heel lief compliment, de vlammen sloegen me uit) heb ik er veel van geleerd. Ik schrijf al jaren columnachtige stukjes (inderdaad, ik durf ze dus geen columns te noemen), maar kon er nooit de vinger op leggen wat er mee mis was. Ze zijn het steeds net niet. Met de tips van Wieke zie ik nu welke punten ik kan verbeteren. Ik gebruik te veel stoplappen (maar, dus, dan, enzovoorts) en ik zet te vaak dingen in de voltooide tijd (Ik heb dit gedaan in plaats van ik deed). Ook ga ik iets te ver in op details en sloeg mijn slotzin het verhaal dood. Waaruit ik opmaakte dat ik in dit soort stukjes nog teveel als verslaggever en romanschrijfster bezig ben en te weinig als columnist. Dat is echt weer een vak apart. Al met al een leerzaam uurtje.
Na afloop ben ik Wieke nog even gevolgd naar de grote tent, waar ik haar hoorde vertellen dat de deelnemers aan de workshop nog zaten na te praten. Um, nee. Deze deelnemers niet. De meesten gingen meteen weg. Hoewel ik later ging twijfelen of ik misschien te snel weggelopen ben en niet gezien heb dat er toch gezellig nagepraat werd. Nou ja, mocht een van de anderen dit lezen: dat was dan niet persoonlijk bedoeld, ik had inmiddels een barstende hoofdpijn.
Vanwege die hoofdpijn ben ik daarna naar huis gegaan. Ik was met de auto, dus hoe langer ik bleef hoe meer files ik kon verwachten. Natuurlijk zag ik nog totaal over het hoofd dat ik een parkeerkaart had moeten kopen, maar het meisje bij de uitgang was heel vriendelijk en verkocht me ter plekke een kaartje. En toen kon ik naar huis. In de file.
(Disclaimer: Dit stukje is dus geen column, want het is te lang en het gaat niet over één echt onderwerp. En ik heb ook de stoplappen en de voltooide tijden er niet allemaal uitgevist. Het is ook geen krantenverslag want daarvoor is het te persoonlijk en geen roman, want er is geen woord gefantaseerd. Dit is nou het voorbeeld van een echt stukje bloggen. Of eigenlijk ook niet, want daarvoor is het te lang. Het is gewoon een stukje geertrude-tekst.)
Deur
En toen viel de deur uit mijn vriezer. Ja, echt waar. Zomaar. Tenminste, dat kan natuurlijk niet. Er zal best van alles in de loop van de tijd losgeraakt zijn. Maar ik had nog niet eerder het idee gehad dat er iets scheef zat. Tot ik dus ineens met die deur in mijn handen stond.
Ik dacht eerst even dat ik het droomde. Dat kon best, want ik had het gevoel dat ik nog sliep. Sterker nog, toen de eerste dochter vertrokken en de rest van het gezin nog niet wakker was, had ik nog even zitten slapen op de bank.
Maar helaas. De kou die uit mijn vriezer kwam, voelde helemaal echt. En torpedeerde daarmee meteen mijn plan om simpelweg te wachten tot echtgenoot wakker werd, zodat hij die deur er weer in kon zetten. Dat kon nog wel even duren en dan zou die vriezer, en de inhoud daarvan, inmiddels helemaal ontdooit zijn. Die inhoud kon ik natuurlijk wel overhevelen naar de grote vrieskist, maar die ging even helemaal niet open omdat de kussens van de tuinstoelen er bovenop gestapeld liggen. Tijdelijk, al twee weken. Maar ik dwaal af.
Ik trok de stekker uit de koel/vriescombinatie en probeerde zelf de deur er maar in te zetten. Ik kwam tot de boeiende conclusie dat het onderdeeltje dat ik de dag ervoor bij het stofzuigen gevonden had, in de bovenkant van de deur paste. En ik vond nog een ander onderdeeltje dat perfect vastgedraaid kon worden in de onderkant van de deur. Ik voelde me al erg technisch. Maar met beide onderdeeltjes op hun plek paste de deur met geen mogelijkheid. Ik heb gedraaid, geduwd en, ik geef het toe, zelfs geweld gebruikt. Maar het lukte niet. Tot ik die twee dingetjes er maar weer uithaalde. Toen schoof de deur op zijn plek en bleef hangen ook. Ik deed hem open en dicht en nog eens open en dicht. Dat ging prima, dus heb ik het maar zo gelaten.
Alleen vraag ik me nu af waar dan die twee onderdeeltjes vandaan kwamen. Ik heb al angstig de keuken rond gekeken en ik zie niets bijzonders. Maar je kunt er natuurlijk op wachten dat er straks ineens weer iets spontaan uit mijn keuken valt….
De was
Mensen die me heel goed kennen kunnen het zien als het niet goed met me gaat. Dan moeten ze wel onverwachts langskomen, want als ik weet dat er iemand komt, verstop ik het. Ik heb het over de was. Dat is het eerste wat vastloopt als ik druk, moe of ziek ben. En de afgelopen weken was ik dat allemaal tegelijk, dus u kunt zich voorstellen dat de kasten hier leeg zijn en de manden vol. Het is niet allemaal vuil, hoor, zo erg is het niet. Tenslotte leven we in de eenentwintigste eeuw. Wassen is niets meer dan de boel in de machine proppen, schepje waspoeder erbij en de juiste knopjes indrukken. Vrij simpel, dat kan ik zelfs als ik druk, moe en ziek ben.
Hoewel ik natuurlijk wel weer een eigenwijze wasmachine heb. Eerst had ik er één die niet accepteerde dat je de knop halverwege het programma verdraaide. Dan hoorde je dat er iets vast zat (vier vrouwen, dus reken maar uit hoeveel beugelbh’s er hier wekelijks doorheen draaien) en dan wilde je dus even de trommel leegpompen voor je dat deurtje opende. Maar mijn wasmachine zei dan: “Nee, daar was ik niet. Ik was nog bezig met spoelen.” En dan draaide de knop spontaan een rondje tot hij weer stond waar hij was. Om dan vervolgens dus met die beugel door de trommel heen verder te willen wassen. Nu heb ik een andere, want die eigenwijze is kapot. Niet door een beugelbh overigens (geweldige uitvinding: waszakjes), maar omdat de dochters er tijdens onze vakantie een beetje te veel spijkerbroeken tegelijk in gestopt hadden. Lagers kapot. Maar goed. Ik heb nu een nieuwe en die luistert wat beter. Alleen vind hij dat alles standaard op 800 toeren gecentrifugeerd moet worden. En daar zijn de droger en ik het niet mee eens. Dus moet ik altijd als ik de startknop indruk ook even die centrifugeknop indrukken. En als ik dat vergeet zit ik met veel te natte was. Maar gelukkig snapt deze wasmachine dan weer wel dat ik dan nog even alleen maar wil centrifugeren, zonder weer het hele programma te moeten doorlopen.
Maar goed. De wasmachine bromt en de droger blaast. Als ik nu even doorzet, zijn vanavond de manden leeg. Tenminste… wanneer vinden ze nu eindelijk eens iets uit waardoor strijken ook zo eenvoudig wordt?
Volwassen
Mensen, wat vliegt de tijd! Is het echt al een jaar geleden dat ik me verwonderde over het feit dat de oudste dochters achttien jaar werden? Dat moet wel, want morgen worden ze negentien. Dat jaar is echt belachelijk snel gegaan. Het was dan ook een behoorlijk heftig jaar. Ze deden eindexamen VWO en haalden het ook nog allebei. Ik zat in een zaal en zag mijn meisjes binnenlopen in avondkleding en met van die Amerikaanse vierkante hoofddeksels op, die ze later, met het diploma in hun handen, in de lucht mochten gooien. Overdreven, absoluut, maar de tranen stroomden over mijn wangen.
En toen begonnen ze een nieuw leven. Nieuwe scholen, ver uit elkaar. De één in Amsterdam, de ander in Leiden. En ze veranderden van schoolmeisjes in volwassenen. Zomaar.
Nou ja, zomaar? Natuurlijk gaat dat niet vanzelf. Dat gaat gepaard met huilen, lachen, zwijgen en gelukkig heel veel praten.
En niet alleen zij veranderen. Alles verandert. Ik ben nog steeds hun moeder, nog steeds degene bij wie ze uithuilen, degene waar ze mee komen praten als hen iets dwarszit en ook, omdat ze nog thuis wonen, degene die de was doet en zegt dat ze hun kamer moeten opruimen. Maar soms ligt er ineens een jonge arm om mijn schouders als ik het even niet meer zie zitten. Soms is de vaatwasser al leeggeruimd als ik mezelf eindelijk uit bed gesleept heb en soms ben ik degene die advies krijgt als ik ergens niet uitkom. En nu er eentje een rijbewijs heeft, hoef ik ineens niet meer overal zelf naar toe te rijden.
Natuurlijk zijn ze bezig met het opbouwen van hun eigen toekomst, hun eigen leven. Maar ze zijn nu, anders dan vroeger, volwassener, ook betrokken bij wat ik doe.
Het was Deb die mijn visagie deed en de foto maakte, toen ik een portret moest inleveren voor op de achterkant van mijn nieuwe roman. En het was mijn Nederlands studerende dochter Esther die dat hele manuscript nog eens doornam om de laatste kleine foutjes eruit te halen.
Ja, ik denk dat het wel went, volwassen dochters. En dat is maar goed ook, want het duurt nog maar een maand of zeven en dan heb ik er drie…
Koffie
Ik heb jaren geprobeerd om koffie te drinken. Ik vond het namelijk wel erg lekker ruiken, maar ik kreeg het niet weg. Ik heb echt alles geprobeerd. Met melk, met suiker, met zoetjes. Gecombineerd met een koekje of chocolade, sterk, slap, middelmatig. Niets werkte. Ik zette liters koffie voor echtgenoot, maar zelf dronk ik het nooit.
Tot we een espressomachine kochten. Eigenlijk vooral voor echtgenoot. Want die werkte steeds meer vanuit huis en drinkt echt veel koffie. Hij is een echte programmeur, een machine waar je koffie ingooit en dan komt er code uit (oud IT grapje).
En toen bleek dat ik dat wel lust. Inmiddels drink ik dus wel koffie. Veel koffie zelfs. Want echtgenoot werkt nu helemaal vanuit huis en ik drink bijna altijd met hem mee. Toen ik eens een dag lang bijhield wat ik deed (voor een artikeltje) kwam ik erachter dat er echt regelmatig in mijn verhaal stond dat ik trek had in koffie, dat het tijd was voor koffie, of dat ik dankbaar van echtgenoot een kopje koffie in ontvangst nam. Ons apparaat staat heel wat keren per dag bonen te malen en stoom te persen. En ik vind het heerlijk. Inmiddels drink ik ook wel andere koffie, trouwens, maar echt lekker vind ik alleen espresso. Hoewel…
Ik moest eens een oudere mevrouw interviewen. Ze vroeg of ik koffie wilde. Ik had het koud en zei ja. Thee vind ik lekkerder, maar het kost meer tijd, vooral omdat ik het niet zo heet drink. De meeste mensen hebben tegenwoordig een Senseo, dat werkt snel en is best te drinken.
Maar deze mevrouw had geen koffiepads. En ook geen espressomachine. Ze had zelfs helemaal geen koffiezetapparaat. Ze zette koffie met de hand. Eerst kookte ze water in een keteltje en schonk dat voorzichtig op de koffie. De filterhouder moest van porselein zijn, vertelde ze me, plastic proef je. Ze nam er uitgebreid de tijd voor, maar dat was niet erg, want ze had veel te vertellen. We bespraken buitenlandse reizen, de tuin en de Italiaanse keuken. En we gingen veel dieper op haar fotografie in dan nodig was voor het interview. Maar dat maakte niet uit. Het was gezellig en leerzaam. En ik dronk daar de lekkerste koffie die ik ooit geproefd heb!
Soap
Ik heb geen televisie nodig om de nodige soapsituaties voorbij te zien komen. Ik maak gewoon een wandeling langs de vaart en de problemen vliegen me om de oren.
Er zijn een paar meisjes zwanger. Niet dat ze dat al aan de grote klok hangen, maar ik zie dat aan de manier waarop ze stiekem met een paar takjes in de snavel het riet in duiken. Daar wordt een nest gebouwd. Meestal zijn het waterkippetjes. Die nemen het blijkbaar niet zo nauw. Dat kun je aan hun nest al zien trouwens. Meestal een bij elkaar geraapt zootje, daar komt geen design bij te pas. Goede huisvrouwen zijn het ook niet, want tussen die slordige hoop takken zie ik regelmatig plastic tasjes of ander afval zitten.
Mevrouw Fuut is netjes getrouwd en zit parmantig in het zicht op haar nest. Toch kan ik zien dat bij haar de hormonen wat invloed hebben. Haar kuif zit namelijk danig in de war en manlief is even nergens te bekennen. Ik vermoed dat daar een heftige ruzie plaats gevonden heeft.
Bij de knobbelganzen speelt ook iets. Ook hier zit mevrouw steeds braaf op haar nest, maar meneer is ontzettend agressief. Iedere voorbijganger kan rekenen op een scheldkanonnade en een schijnaanval. Maar zeg nou zelf, als je niet wilt dat men naar je vrouw kijkt, is het misschien handig om dat nest ergens achter het riet te bouwen en niet op een open plek!
Bij de eenden is het helemaal een drama. Ik zie het al van verre, daar werd geknokt om eeuwenoude redenen. Een loslopende man die stookt in een goed huwelijk. Ik ben natuurlijk vurig voor de man die ik al dagen met dat vrouwtje rond zag zwemmen. Die jongen doet erg zijn best en jaagt die andere vent weg. Waarna zijn vrouw er vrolijk met de indringer vandoor gaat. Ik kijk ze verbijsterd na. Eigenlijk wil ik nog troostend iets zeggen tegen de achterblijver, maar die schudt zijn veren en kijkt al stoer naar een ander vrouwtje dat een paar meter verder op zwemt. Helaas is zij niet alleen, dus ik vermoed dat daar weer een relatie aan diggelen gaat. Maar voordat het zover kan komen, loop ik maar door.
Want eigenlijk hou ik eigenlijk helemaal niet van soapseries!