Hoewel ik dol ben op het hele eiland, is er één plekje op Curaçao waar ik het meest van hou. Watamula is niet gemakkelijk te bereiken. Je moet eerst hobbelen over een onverharde weg en dan lopen over oud koraal, wat scherp en onregelmatig is. Maar als je er eenmaal bent…
Een Curaçaoenaar zei het eens zo: “Hier ademt Korsou”. Zo klinkt het. Zo ziet het eruit (als je je het eiland voorstelt als een reusachtige walvis).
Ik ga zelf altijd net even rustiger ademen als ik hier ben.
Dat kan ik deze week wel gebruiken. Er naar toe gaan is geen optie (we zijn nog steeds in Nederland), vandaar drie foto’s van mijn favoriete plek.
Even heel diep en rustig ademhalen…
Categorie: persoonlijk
47 – veel kaarsjes en andere feiten
Bij gebrek aan inspiratie voor een degelijke blogpost, besloot ik eens te googlen op het getal 47. Dat is namelijk sinds vandaag mijn antwoord op de vraag “hoe oud ben je?” Het is in ieder geval zeker dat het véél kaarsjes zouden zijn als ik aan verjaardagstaart deed…
Ik vind het eigenlijk een beetje een rare leeftijd. Het komt toch wel aardig dicht bij de vijftig nu. Jong ben ik niet meer, oud ook nog niet echt. Ze noemen het niet voor niets “van middelbare leeftijd”, denk ik.
Als ik er als kind over nadacht dat ik deze leeftijd zou hebben (meestal skipte ik van 40 naar 50) nam ik aan dat ik dan oud en wijs zou zijn. Dat laatste valt tegen 😉
Al ben ik dan weer wel wijs genoeg om:
1. me niet te schamen voor mijn leeftijd,
2. te beseffen dat het gewoon fijn is dat ik er nog ben en
3. mezelf een vrije dag cadeau te geven, waarin ik van alles mág (zoals een blogpost schrijven over het getal 47), maar niets móét (werk kan best een dagje wachten en als ik geen zin heb om te koken laat ik iets bezorgen)
Op Wikipedia vond ik wat interessante feitjes over het getal 47. Dat het een priemgetal (alleen deelbaar door zichzelf en 1) is had ik vannacht zelf al bedacht. Het is ook een veilig priemgetal. Niet dat ik zomaar wist wat dat betekende, maar ik heb het even opgezocht. Iets is een veilig priemgetal als dit priemgetal de uitkomst is van 2p+1, oftewel als je een priemgetal vermenigvuldigd met 2 en er 1 bij optelt. In dit geval is 47 dus de uitkomst van 2 maal 23 plus 1.
47 is het atoomgetal van het element zilver. Dat past dan wel weer bij deze leeftijd. Mjin zilveren haren heb ik net weer bruin laten verven, maar ze zijn er wel degelijk.
47 is het nummer van het Franse departement Lot-et-Garonne. Dat is zo’n beetje het enige stukje Frankrijk waar wij goede herinneringen aan hebben. We hebben er een aantal vakanties doorgebracht in het chambre d’hote van vrienden van ons.
Dat 47 het aantal wonderen is uitgevoerd door Jezus zoals opgenomen in het Nieuwe Testament, ga ik maar niet natellen, maar volgens deze website zijn het er meer .
Wat ik wel heb nagezocht en waar ik eigenlijk wel vrolijk van werd, was een linkje onderaan de Wikipediapagina. Bij de externe links stond namelijk: Het voorkomen van ’47’ in Star Trek
Dat trok mijn aandacht, want een beetje een Trekkie ben ik wel. Maar dit wist ik nog niet.
47 schijnt een soort inside joke te zijn van de school (Pomona College) van een van de schrijvers van de serie. Hij verwerkte het in een aantal afleveringen en daarna namen andere schrijvers het over. Het getal komt in enorm veel afleveringen voor. Dat was me dus nooit opgevallen, maar dat ligt aan mij, want er is zelfs een complete website over het verschijnsel 47 in Star Trek.
Misschien is het toch wel een leuke leeftijd 😉
Scherven
(Voor wie zich nu afvraag of we nu alweer op Curaçao zijn: nee. Dit stukje vond ik tussen mijn kladschrijfsels. En aangezien ik op dit moment niet zo heel veel inspiratie heb (we maken niet zo veel mee op dit moment – ons leven bestaat uit werken, opruimen en klussen), laat ik even het gevoel dat mijn stukjes chronologisch geplaatst zouden moeten worden los. Wat lastig is voor een perfectionist als ik, maar ik doe het toch. En dat zou misschien nog wel een leuk onderwerp voor een volgend stukje kunnen zijn…)
Als scherven echt geluk brengen, dan zal het ons hier op Curaçao heel goed gaan, want om de een of andere reden zijn we hier nogal brekerig, vooral in ons huidige apartementje. Op de plek waar we de eerste vier weken verbleven viel het mee.
Daar hebben we alleen een kat op een koffiekopje laten vallen, waarna het koffiekopje brak en de kat met dezelfde gang wéér met zijn kop in mijn ontbijt zat. Maar dat was alles.
Hier gaat het echter achter elkaar door. De eerste avond braken we al een wijnglas (dat wij voor bier gebruiken, maar dat terzijde). Niet doordat we zo uitgebreid aan het vieren waren dat we nu een “eigen” plekje hadden, maar doordat we nog geen tafeltje hadden en ik mijn waterglas wilde neerzetten waar echtgenoot zijn (gelukkig lege) glas al neergezet had.
Vorig weekend brak ik de asbak die we nog maar twee dagen hadden doordat ik het tafeltje (dat we ook twee dagen hadden) in de schaduw wilde zetten. Ik dacht dat ik het tafeltje recht hield, maar de asbak schoof er zó af. En helaas was ik met asbak en tafeltje nog boven het terras en niet in het gras, waar het misschien heel gebleven was. Hoewel… daar ligt grind tussen (het is eigenlijk ook geen echt gras) en dan hadden we de scherven één voor één tussen de plantjes vandaan moeten vissen. Toch een beetje geluk dus in dit geval.
Verder heb ik de koffiepot ook al gebroken. In Nederland weiger ik koffiezetapparaten met glazen potten, maar hier had ik geen keus. Ze waren er niet met thermosfles. En dus brak de pot de eerste de beste keer dat ik vergat water in het apparaat te doen, want die 110 Volt apparaten zijn op de een of andere manier niet zo goed met oververhittingsbeveiligingen. De waterkoker slaat ook pas af als hij drooggekookt is. Het went, hoor. Je moet er gewoon even bijblijven.
Gisteren was een nog gelukkigere dag. Ik brak het deksel van de soeppan. Dat was ook van glas en brak in ontelbare kleine stukjes. Ik heb meteen het hele appartement maar geveegd voor de zekerheid, want zo’n splinter wil je niet in je blote voeten ‘s nachts. Het scheelt dat we maar zo’n 20 vierkante meter bewonen (inclusief slaapkamer), dus veel werk was het niet.
Alsof ik nu nog niet genoeg geluk gecreëerd had voor de komende paar jaar, brak er vannacht ook nog een glas. Ik werd wakker doordat de keukenkraan drupte. Of ik was ergens anders wakker van geworden en kon nu niet meer slapen door dat gedrup, dat kan ook. Dus ik stapte uit bed en liep naar de keuken om de kraan dicht te draaien. Ik weet inmiddels dat ik dat niet met mijn blote handen kan, dus pakte ik het vaatdoekje dat naast de kraan ligt. Maar daar had echtgenoot een glas opgezet nadat hij pijnstillers had geslikt. En ik denk dat ik al mijn geluk van de voorgaande dagen meteen opgebruikt heb, want gelukkig had ik – ondanks het late uur en mijn ergernis over de druppende kraan – de tegenwoordigheid van geest dat ik hem daar niet over moest gaan aanvallen, zo midden in de nacht. Want anders had je kans dat zijn humeur toch een klein barstje ging vertonen.
En ik weet wel zeker dat de scherven van een huwelijk echt geen geluk brengen…
Haast
Voor me telde een oude man zorgvuldig een handvol kleingeld uit om zijn boodschappen te betalen. Hij raakte in de war, begon opnieuw, kreeg hulp van zijn ook al niet piepjonge dochter en raakte nog meer in de war. De cassière sprong bij en uiteindelijk klopte het bedrag. En toen moesten al die muntjes nog een keer zorgvuldig gesorteerd en in het juiste vakje van de kassalade gedaan worden. Terwijl ze vijfenveertig centen (die hebben ze nog op Curaçao) natelde, keek de cassière verontschuldigend op. “Sorry, heel even nog.”
Ik glimlachte. “Doe rustig aan, ik heb geen haast.”
Dat verbaasde haar zichtbaar Vermaakt constateerde ik dat ik hier even duidelijk op mijn huidskleur in een hokje geplaatst werd. Helaas vergeten veel Nederlanders hun haastige gedrag thuis te laten als ze naar Curacao reizen.
“Geen haast is goed. Veel mensen worden ongeduldig”, zei ze.
“Ik ga nooit met haast boodschappen doen”, antwoordde ik naar waarheid. “Dat geeft veel te veel stress. Ik ben ermee gestopt.”
Waarop zij verzuchtte dat ze wou dat iedereen er zo over dacht.
Ja, dat zou ik ook wel willen. Ik las ergens dat ze bij Albert Heijn een proef zijn begonnen met een kassa waar je een praatje kunt maken met de cassière. Dat lijkt me geweldig. Ik vind de sfeer in de meeste supermarkten (vooral bij de AH in de Vinexwijk hier vlakbij) echt rampzalig. Het maakt niet uit hoe laat het is, iedereen had allang ergens anders moeten zijn. En die stress voel je gewoon hangen.
Ik moet toegeven dat ik jaren geleden ook na mijn werk – of nog erger, tijdens mijn lunchpauze – even snel een supermarkt in sprong en dan ook stond te trappelen van ongeduld bij de kassa. Maar zoals ik al tegen mijn Curaçaose cassière zei, daar ben ik meegestopt. Ik neem tegenwoordig altijd ruim de tijd om boodschappen te doen, zelfs als ik het druk heb. Ik ga er van te voren al vanuit dat het wel even duurt en vind het dus ook niet erg om wat langer in de rij bij de kassa te staan. Meestal laat ik zelfs minstens één persoon met een klein beetje boodschappen voorgaan. Dan heb ik meteen mijn goede daad voor de week ook weer gedaan. Meer dan drie laat ik er niet voorgaan trouwens. Die regel heb ik ingesteld na een heel rare ochtend. Mensen bleven vragen of ze dan ook even voor mochten. En ik blééf de achterste van de rij. Je moet ergens een grens trekken. Maar als er een nieuwe kassa opengaat, blijf ik staan waar ik sta en zie ik wel wanneer ik aan de beurt ben.
Ik kan me er ook niet echt druk om maken als de mensen achter me hoorbaar zuchten omdat ik in hun ogen niet hard genoeg opschiet met inpakken of kleingeld uittellen. Ik doe het zo snel als ik kan. Meestel is dat best snel, maar af en toe door opspelende rugklachten of artritis in mijn handen wat langzamer. Daar kan ik dan ook even niets aan doen.
Voor je nu denkt dat ik echt een toonbeeld van rust ben, moet ik toegeven dat ik deze rust alleen maar kan opbrengen tijdens mijn eigen boodschappenrondje. Als ik met echtgenoot in de rij sta bij de bouwmarkt ben ik wél gestresst. Kan ik me vreselijk opwinden over mensen die achter in de rij stonden en ineens doen alsof ze “de eerstvolgende” zijn. Maak ik me druk om gezeur over niet kloppende prijzen, sta ik te zuchten als iemand moeilijk doet met pasjes die niet werken en voel ik me enorm opgelaten als wij (alweer) een pvc-bochtje zonder prijs hebben meegenomen.
En laten we het over stress in het verkeer maar helemaal niet hebben. Af en toe heb ik de neiging om mijn tanden in mijn stuur te zetten. En het is maar goed dat we sinds kort een andere auto hebben, waarvan ik nog niet weet waar precies de toeter zit.
Ooit, als ik oud (nog ouder) en wijs (ha!) ben, hoop ik altijd en overal de rust zelve te zijn. Het is een mooi streven. Dat wel. Maar ik heb nog veel te leren…
Koude douche
Ik stond uitgebreid onder een lauwe douche (na een paar dagen oppervlakkig poedelen wegens geen zin in koud water) en bedacht dat ik vanavond heerlijk schoon in mijn schone bed zou stappen. Want ik had die ochtend de lakens in een emmertje laten weken, vervolgens twee keer gespoeld in datzelfde emmertje (met schoon water natuurlijk), met de hand uitgewrongen en aan de lijn gehangen. Het was een winderige, maar gelukkig droge dag en die lakens waren, ondanks dat ik ze druipend ophing (mijn handen zijn niet zo sterk) al helemaal droog.
En toen ik dat bedacht had, realiseerde ik me dat luxe tegenwoordig behoorlijk onderschat wordt.
Inderdaad. Ik zeg onderschat. Niet overschat.
Onverwachte wending?
Dat is dus precies wat ik bedoel. Ik lees steeds vaker opgewonden tirades over hoe onnodig al onze electrische aparaten zijn en hoe geweldig het eenvoudige, simpele leven van onze voorouders moet zijn geweest. Meestal aangevuld met nog heftigere pleidoois voor zuinigheid en wèg van alles wat onze moderne beschaving kenmerkt.
Gedeeltelijk ben ik het daar wel mee eens. We slaan wel eens een beetje door tegenwoordig. Vooral smartphones vind ik enge dingen. Overal zijn apps voor en voor je het weet heb je zo’n ding ingebouwd in je lijf omdat je hem toch al altijd in je handen had. Brr.
Maar om nu zo lyrisch te doen over leven zonder enige luxe? Dat is weer de hele andere kant.
Ik heb me op Curaçao prima gered, dat is het probleem niet. Ik heb zes weken achter elkaar alles gewassen in dat emmertje. Als je voorgaande periodes in Curaçao en diverse kampeervakanties meetelt in totaal zelfs meer dan een jaar. Lauwe douches zijn ook echt niet slecht voor een mens en als je jezelf eenmaal zover hebt gekregen dat je er onder staat is het best lekker. Echt vreselijk missen deed ik mijn luxe aparaten in Nederland niet.
Maar om heel eerlijk te zijn was het toch wel heerlijk om in Nederland onder een warme douche te staan. Het was nog heerlijker om in mijn ligbad te stappen. En ik vind het toch wel erg prettig om mijn vuile was simpelweg in een machine te stoppen die het zware werk voor me doet.
Een boiler en een wasmachine staan toch wel heel hoog op het lijstje van dingen-die-we-gaan-kopen-als-we-definitief-op-Curaçao-zijn.
Want soms is die luxe gewoon gemakkelijk en is gemakkelijk gewoon fijn.
En ik geloof niet dat ik daar nou zoveel slechter van wordt, ondanks dat een groot deel van het internet (in ieder geval het deel waar ik meestal terechtkom) dat tegenwoordig beweert.
Ik vind trouwens dat deel van het internet bijzonder zuur de laatste tijd. Zuur en veroordelend. Vreselijk negatief over mensen die anders leven dan zij, terwijl ze zelf het idee hebben dat ze o zo goed bezig zijn. Ik begrijp op zich wel waar het vandaan komt. Als je kiest voor een alternatieve levensstijl, moet je jezelf heel vaak verdedigen. Maar het lijkt wel door te schieten naar de andere kant. Aanval is de beste verdediging, zeggen ze, maar daar ben ik het lang niet altijd mee eens. Het wordt er allemaal niet gezelliger op.
Ik reageer meestal gewoon niet op dat soort stukjes, want dat veroorzaakt alleen maar overloze discussies en daar ben ik geen held in.
Maar dit is wat ik zou willen zeggen, tegen al die minimalisten, consiminderaars, no-spenders, simpel levenden, mindfulle mensen en weet ik veel hoe ze zich zelf noemen:
Doe wat je wil.
Eet van maar een paar euro per week, donder al je overbodige spullen het huis uit en gooi de rest er achter er ook maar achter aan, koop een maand, een jaar of een decennium niets nieuws meer, maak en repareer alles altijd zelf, kook nooit uit pakjes, gebruik geen shampoo, koop alles tweedehands (alleen als je het écht nodig hebt natuurlijk), leef zoals men honderd, tweehonderd of zesduizend jaar geleden leefde, stop met werken, los je huis af, ga in een schuurtje wonen, bak je eigen brood, doe aan yoga, mediteer, sta om vier uur op, kweek je eigen groente, hou je eigen kippen, draag je kinderen in een draagzak en geef ze de borst tot ze naar de kleuterschool gaan…
Weet ik veel. Ik vind het allemaal prima. Van mij mag je. Van mij mag iedereen leven zoals hij of zij dat wil, zolang dat een ander niet schaadt.
Sterker nog, ik vind het fijn als je erover blogt, want dat soort dingen is leuk en vaak zelfs inspirerend om te lezen.
Maar alsjeblieft, laat mensen die het anders doen in hun waarde. Zo’n leuk en inspirerend stukje dat ineens heel naar gaat doen over mensen die wel werken, spullen kopen, van luxe houden en misschien iets minder gezond en duurzaam eten werkt op mij als een ijskoude douche. En dan niet van het soort waar je aan went.
Bovendien vind ik het jammer voor jezelf.
Want wat heb je aan al die prachtige denkbeelden over hoe het leven geleefd zou moeten worden, als je alleen maar neer kunt kijken op je even prachtige medemens die toevallig andere keuzes maakt in datzelfde leven?
Volgens mij mis je dan iets heel belangrijks…
{schrijftips} Taalfouten in je manuscript, is dat erg?
Goed, ik knal het er meteen maar even in: ja, dat is erg. Het staat onzorgvuldig en het is voor zowel uitgevers als lezers een reden om je manuscript niet te lezen.
Als taal je gereedschap is, moet je het wel op de juiste manier gebruiken. Anders ben je misschien best een leuke hobbyist, maar ver kom je er niet mee.
Even nuanceren
Ik ben geen taalpurist en ik ben ook niet van de taalpolitie. Iedereen maakt fouten. In ieder boek vind je uiteindelijk nog wel ergens een klein foutje, hoe zorgvuldig de schrijver en de redacteur(s) ook zijn geweest. Dat kan ook niet anders. Een boek is minstens 50.000 woorden. Als je een foutmarge van één promille neemt (wat in andere vakgebieden echt belachelijk laag zou zijn) staan er nog 50 foute woorden in, maar dat komt eigenlijk zelden voor. Gemiddeld zijn het er een stuk of tien.
Ik vind het dan ook meestal onnodig om dat soort foutjes te noemen in een recensie of boekbespreking, tenzij het boek echt uitzonderlijk slordig is geredigeerd.
Daar komt bij dat ik op discussievoerend internet sowieso te vaak zie dat mensen aangevallen worden op taalfouten, terwijl er niet ingegaan wordt op inhoudelijke zaken. Dat slaat simpelweg nergens op. Zolang het duidelijk is wat iemand bedoelt, moet je daar niet over zeuren, vind ik.
Maar toch…
Als je schrijver wilt worden (of zijn) is spelling wél belangrijk. Zoals ik hierboven al zei: taal is je gereedschap. Men mag verwachten dat je weet hoe je het moet gebruiken.
Voor een uitgever valt een manuscript met teveel opvallende spelfouten al direct af. Overigens niet alleen omdat het een slechte indruk geeft, maar ook omdat er dan extra redactie overheen moet. Dat kost tijd en dus geld. Die moeite neemt een uitgever niet, zeker niet voor een beginnende schrijver.
Als je je eigen boeken uitgeeft, sla je dat probleem over. Maar je hebt nog steeds te maken met die eerste indruk. En nu niet bij de tussenpersoon – de uitgever – maar bij de lezers. Juist de mensen die niet alleen veel lezen, maar ook daadwerkelijk boeken kopen (daar moet je het tenslotte van hebben), haken snel af als een eerste doorbladersessie al allerlei spelfouten aan het licht brengt. En aangezien je het zeker als zelf publicerend schrijver toch van de recensies moet hebben is het jammer als spelfouten het opvallendste aspect van je boek zijn, want dat zal zeer zeker genoemd worden in hun bespreking (zoals ik al zei, het wordt zelfs regelmatig onterecht als minpuntje aangemerkt).
Dit geldt dus ook voor inzendingen voor schrijfwedstrijden. Grote kans dat de jury niet verder kijkt dan de eerste slecht gespelde zinnen, hoe goed je verhaal verder ook is.
Dus: goed nakijken
1. Gebruik een spellchecker. Groot voordeel van de hedendaagse techniek. De ergste spelfouten haalt dat ding er voor je uit.
2. Lees je manuscript meerdere keren heel goed door en probeer woord voor woord te lezen, zodat je spelfouten niet over het hoofd ziet. Een goede tip is om het lettertype zo groot te zetten, dat je niet meer in het verhaal terecht komt, maar werkelijk de woorden leest. Ik heb ook weleens gehoord van redacteuren die begonnen op de laatste bladzijde en dan naar voren lazen. Doe ook niet alles tegelijk, want je wordt blind voor je eigen fouten. Steeds een paar bladzijden werkt beter.
2a. Maak een lijstje met je eigen valkuilen en gebruik de zoekfunctie van je tekstverwerker om daar extra op te controleren. Ik vergeet bijvoorbeeld nog weleens de t achter hij vindt en hij wordt. Dat controleer ik dus extra.
2b. Bij twijfel: opzoeken. www.woordenlijst.org heeft het groene boekje online staan. Op taaladvies.net kun je zoeken naar grammaticale en andere taalvraagstukken.
3. Vraag hulp. Zeker als spelling niet je sterkste kant is, maar eigenlijk geldt het voor iedereen. Je ziet sommige dingen gewoon niet. Ik laat mijn boeken altijd eerst lezen aan mijn dochters (waarvan er één Neerlandicus is en bovendien jarenlang redactiewerk gedaan heeft) en stuur mijn manuscript pas naar mijn redacteur als ik denk dat alle fouten eruit zijn. Bovendien ben ik behoorlijk goed in spellen (ik doe ook redactiewerk voor anderen). En dan krijg ik toch nog een lijst vergissingen terug…
Professionele hulp kost geld, maar als je goed wilt overkomen is dat het toch echt wel waard.
Ja maar, ik ben dyslectisch
Dat argument lees ik wel vaker. En doen bedoelt men dat spelfouten maar gewoon geaccepteerd moeten worden. Maar ik vind het een raar argument. Dyslectisch zijn is geen schande, absoluut niet. En het is ook geen reden om niet te schrijven. Ik ken dyslectische mensen die heel goed kunnen schrijven en het zou zonde zijn als hun verhalen nooit gelezen zouden worden.
Maar het is wel lastiger om er iets mee te doen voor dan voor iemand met een aangeboren gevoel voor spelling. Als je echt wilt schrijven (en publiceren) is het wel degelijk -hoe naar dat ook klinkt- een handicap. En dus zul je gebruik moeten maken van hulpmiddelen. Alles wat ik hierboven noemde, geldt dus ook voor iemand met dyslexie. Je wilt tenslotte dat mensen je boek waarderen om dat ze je verhaal goed vinden en niet omdat het knap is dat je ondanks je dyslexie zoveel woorden achter elkaar hebt getypt. Lijkt mij.
Samenvattend: Blijf realistisch, vergissen is menselijk, maar doe wel je best om zo min mogelijk fouten in je manuscript te laten zitten. Je kunt maar één keer een eerste indruk maken.
p.s. Hulp nodig bij het nakijken van je manuscript, verhaal of scriptie? Mail me voor een prijsopgave.
Thuis
Ik droomde dat ik niet meer wist waar mijn thuis was. Het was een nare droom. Ik bleef zoeken, op Curaçao, in Nederland (in mijn droom kon ik een stuk gemakkelijker heen en weer reizen dan in het echt blijkbaar), maar ik kon het nergens vinden.
Toen ik wakker schrok voelde het alsof ik in een vreselijke nachtmerrie had gezeten. En dat was het eigenlijk ook. Maar toen keek ik om me heen en dacht “O, het was een droom. Ik ben gewoon thuis.”
Dat stelde me heel even gerust, maar daarna besefte ik dat we in ons kleine huurappartementje op Grote Berg waren en dat ik eigenlijk niet wist of dat nu wel thuis was. Want ons huisje in Nederland zat door mijn droom ook heel erg realistisch op mijn netvlies en dat is toch ook thuis.
Waarmee de nachtmerrie dus eigenlijk gewoon verder ging.
Tegenwoordig is het een trend om veel na te denken over het hele concept “thuis”. Allerlei Scandinavische termen zie ik voorbij komen. Ik volg het allemaal niet echt, maar voor zover ik het begrijp is het belangrijk dat de plek waar je woont met veel kussens, kaarsjes en andere knussigheid aangekleed wordt. Dan is het pas echt een thuis. Zegt men.
Ik weet het niet. Ik ben geen minimalist, maar volgens mij zit het thuisgevoel toch niet in spullen. Dat lijkt me niet logisch. Ben je je thuis kwijt als je spullen weg zijn? In sommige situaties misschien wel. Als je huis in één keer afbrandt, zal het best voelen alsof je thuis kwijt is. Maar als je een nieuwe bank neerzet omdat de andere totaal versleten was, lijkt het me onzin om te zeggen dat het thuisgevoel daardoor verandert.
“Home is where the heart is”, zeggen mensen die wat minder materialistisch zijn dan. Heb ik ook altijd gezegd. Maar daar heb ik ook niets aan. Want mijn hart is gespleten. Enerzijds is een heel groot deel van mijn hart bij echtgenoot en het eiland waar we zo van houden, anderzijds hangt er toch ook nog wat rond in mijn geboorteland (ondanks alle nadelen zit Nederland me toch wel enigszins aan het hart gebakken) waar bovendien alle andere mensen waar ik van hou wonen.
Als ik puur op mijn hart afga, weet ik dus nog niet waar mijn thuis is. Dat is blijkbaar ook gespleten.
Misschien is dat het wel waar ik gewoon mee moet leren leven. Want dit eiland… Ik hou niet van hoogdravende woorden, maar echtgenoot zei: “Het eiland kruipt in je.” En dat zou wel eens heel goed uitgedrukt kunnen zijn. Er is geen enkele logische reden om te voelen wat ik hier voel. Ik kom hier niet vandaan, heb hier niet als kind gewoond, heb er in verhouding weinig tijd doorgebracht. En toch. Het klopt. Het zit ergens heel diep verankerd. We gingen hier in januari naar toe om te kijken of de droom nog leefde, na drie jaar niet geweest te zijn. We hadden allebei stiekem het idee dat het misschien gewoon zou tegenvallen. Dat zou gemakkelijk zijn geweest. Dan konden we gewoon doorleven en onze weg in Nederland gaan zoeken. Maar we hadden allebei dezelfde ervaring. We kwamen aan, reden de parkeerplaats van het vliegveld af en dachten: “Thuis.”
Toch denk ik, nee, weet ik uit ervaring, dat ik dat straks ook heb als we in Nederland landen. Hoe koud, grijs en donker het ook zal zijn, de achtergrond gedachte is “Thuis.”
Nu ik erover nadenk, dat gespleten gevoel is er altijd al. Want ik heb het ook in Gouda, waar we 10 jaar gewoond hebben, maar al 18 jaar niet meer wonen. Voelt nog steeds als thuis, zodra ik er binnenrijd. Mijn geboortedorp, waar ik al 28 jaar niet meer woon is vreselijk veranderd, maar sommige straatjes…. Thuis.
En Rotterdam. Als we het toch over onlogisch hebben. Nooit gewoond. Maar wel dat gevoel. Thuis. In Engeland had ik het trouwens ook, als kind al. En later in Australië weer.
Misschien maken we het wel veel te ingewikkeld met z’n allen. Heeft “thuis” niets te maken met een fysiek huis en de inrichting daarvan. En ook niet met wie er ook wonen of in ieder geval dichtbij. Het is fijn als de mensen waarvan je houdt dichtbij zijn, maar niet essentieel voor dat thuisgevoel. Dat merk ik bij onszelf en dat heb ik bij heel wat anderen ook gezien.
Misschien is thuis een oergevoel. Nog uit de tijd dat we in dierenhuiden rondwandelden en in grotten woonden. Toen trokken we tenslotte ook van de ene naar de andere plek. Misschien is dat gevoel van thuiszijn iets dat aangeeft dat je er wel een tijdje kunt blijven. Dat het er veilig is, dat je er fijn kunt leven, dat er mensen zijn die je kunt vertrouwen, dat het goed is om er te zijn. Zoiets.
Ik heb die nachtmerrie na die eerste keer nog twee keer gehad. Maar toen was ik er blijkbaar klaar mee ook. Daarna was dat gevoel van niet weten waar ik thuis was weg.
En nu ik het hier in dit stukje probeer uit te leggen, snap ik het ineens ook helemaal. Ik hoef niet te kiezen. Ik ben thuis op meerdere plekken tegelijk.
Dat is niet raar, dat is niet verkeerd. Dat kan gewoon. Daar hoef ik dus geen nachtmerries van te krijgen. Dat is eigenlijk juist heel goed. Want het maakt je leven wel een stuk gemakkelijker als je je thuisvoelt waar je op dat moment bent…
Lezen : op papier of digitaal?
Ik heb al jaren een e-reader, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik hem vooral gebruikte als ik op reis was. Daarvoor is zo’n ding dan ook ideaal. Je hoeft niet meer te wikken en te wegen welke boeken je mee kunt nemen en welke niet. Ik vond dat altijd een ramp. Ik weet echt niet van te voren waar ik zin in heb. En ik kan ook nooit genoeg boeken meesjouwen. Nou ja, dat is niet helemaal waar. Sinds echtgenoot en ik samen op vakantie gaan (zonder kinderen dus) lees ik niet zoveel.
Uitkomst
Als ik daarentegen met hem mee ga als hij naar het buitenland moet voor werk, mag ik wel een extra koffer meenemen voor de hoeveelheid boeken die ik dan zou kunnen verwerken. Vaak komt het erop neer dat ik in zo’n periode meer tijd op internet doorbreng dan me lief is. En dan is een e-reader dus echt een uitkomst.
Meestal leen ik het maximaal toegestane aantal boeken van de bibliotheek (iedereen die lid is van de “echte” bibliotheek kan gratis e-boeken lenen op bibliotheek.nl) en natuurlijk kan ik er altijd meer downloaden.
Abonnement
Bol.com en Kobo hebben een abonnement waarmee je voor nog geen 10 euro per maand min of meer onbeperkt boeken kunt downloaden. Die mag je niet houden, maar dat hoeft ook niet. Ik heb dat abonnement nu ruim twee maanden en ik ben er razend enthousiast over. Het was even wennen, vooral met zoeken naar wát je dan wil lezen, maar nu ik heb ontdekt dat ze meer dan zevenhonderd “cozy mysteries” in de lijst hebben staan (wel in het Engels, maar dat deert me niet), ben ik óm. Daarnaast lees ik columns van Annie M.G. Schmidt, religieuze thrillers en eigenlijk alles wat ik tegenkom en wat me leuk lijkt. Echtgenoot leest ook via mijn account, want je mag het abonnement op vijf apparaten gebruiken. Voor ons werkt dat zelfs heel goed. Net als bij echte boeken zie ik af en toe iets staan waarvan ik weet dat hij het boeiend zal vinden. In de kringloop koop ik het voor hem, nu download ik het.
Illegaal
Even tussendoor: ja ik weet dat je gemakkelijk duizenden boeken gratis of voor bijna niets kunt downloaden. Iedereen kent wel iemand die “een stickie vol boeken” kan uitlenen. Maar dat is illegaal en bovendien broodroof. De schrijvers zien namelijk geen cent van wat er op die manier verspreid wordt. En aangezien ik zelf schrijver ben kan ik het niet maken om op die manier boeken te lezen. Die mogelijkheid neem ik dus niet mee in dit stukje.
Liever papier?
Thuis pak ik meestal weer een gewoon papieren boek. Ik hou van de geur van boeken, van het gevoel van papier tussen mijn vingers, van het omslaan van bladzijden, van het gewicht in je handen. Hoewel… dat laatste doet me soms denken dat een e-boek ook handig zou zijn. Soms moet ik stoppen met lezen omdat ik mijn boek niet meer vast kan houden (artritis) en dat is toch jammer.
Ik hou ook van het fijne gevoel dat een volle boekenkast me geeft. Er is niets fijner dan er boeken bij zetten, of de planken reorganiseren. Ik zou dat toch ontzettend missen als ik alleen maar digitale boeken had. Toch zal ik daar de komende tijd aan moeten wennen, want ik ga geen container boeken naar Curaçao verschepen. Een paar heel geliefde boeken mogen er mee in de koffer, boeken waarvan ik het echt heel jammer zou vinden als ik ze niet meer had gaan voorlopig in de opslag, de rest moet weg. Maar daar denk ik nog maar even niet over na.
De toekomst
Ik denk dat digitaal wel degelijk de toekomst is. Die ontwikkeling hou je niet tegen. En het went snel. Ik betwijfelde eerst of het wel fijn zou zijn om alleen maar digitaal te lezen, maar na een paar weken was ik er al helemaal aan gewend en ik heb op Curaçao geen moment het gevoel gehad dat ik liever een normaal boek wilde hebben. Echtgenoot wel, maar die las op zijn telefoon en dat werkte toch niet heel prettig. Een e-reader leest een stuk gemakkelijker.
Trouwens, als er over een aantal jaren nergens meer echte boeken te koop zijn (men zegt dat het zo zal gaan, ik weet het niet) moet ik wel, wat ik er verder ook van vind. Want het belangrijkste vind ik toch het lezen zelf. Dat zou ik niet willen missen.
Mijn mening als schrijver
Als schrijver vind ik die ontwikkeling trouwens wel lastig. Want de overgang naar digitaal betekent een enorme verandering. Ik schreef hierboven al over illegaal kopiëren, maar dat is niet het enige probleem.
Wat ook meespeelt is dat het steeds gemakkelijker wordt om verhalen te publiceren. Vroeger moest je op de een of andere manier proberen op te vallen tussen de enorme stapel manuscripten die een uitgever ontvangt. Als er geen enkele uitgever brood zag in je werk, kon je het wel vergeten. Gepubliceerd worden betekende dus iets. Iemand die er verstand van had, vond je goed genoeg om er geld en energie in te steken.
Nu het steeds gemakkelijker wordt om te publiceren en het zelfs niet meer nodig is om geld uit te geven om het te laten drukken, wordt het aanbod steeds groter. Enerzijds goed, want het aanbod wordt ook gevarieerder. Anderzijds voor ons, “gevestigde” schrijvers, een vervelende ontwikkeling, want marketing en media aandacht worden steeds belangrijker. Het is niet meer voldoende om bij die uitgever als “goed” uit de stapel te komen, je moet steeds meer naar buiten treden. Mensen moeten je naam kennen, anders val je niet meer op in de grotemassa. Vroeger was het genoeg als je boek gedrukt was, dan kwam het meestal wel in bibliotheken en boekhandels terecht, maar met digitale boeken werkt het anders. Het kan dan wel eens meer om publiciteit gaan draaien dan om kwaliteit. En dat zou jammer zijn.
Toch denk ik niet dat het zin heeft om erover te piekeren. Verandering hoort nu eenmaal bij het leven. Zelf ben ik hard aan het nadenken over de ontwikkelingen in de boekenwereld en wat ik daar mee kan doen. Ik hoop dat ik nog een tijdje mag genieten van die groeiende rij echte, tastbare boeken boeken met mijn naam erop, maar ik wil ook kijken wat ik kan doen met e-boeken en digitaal aanbod.
Jullie mening
Ik ben dus ook wel benieuwd: hoe lezen jullie het liefst? Digitaal of papier? Van de (e-)bibliotheek of uit de winkel? En hoeveel zou je willen uitgeven aan boeken? Is die 10 euro per maand redelijk (dat betaal je tenslotte ook voor Netflix) of teveel?
Tussen twee werelden
Eén van mijn minder prettige eigenschappen is (vind ik zelf, hoor) dat ik slecht ben in langzame overgangen. Als ik iets besloten heb, moet het maar ineens gebeuren ook. En als iets nu eenmaal bijna voorbij is, ben ik er helemaal klaar mee.
Dat is lastig met vakanties, vooral als je met tent, camper of vouwwagen aan het trekken bent. Als ik eenmaal wég ben van mijn vakantiebestemming, wil ik liever naar huis ook. Na een heerlijke periode in Italië of Frankrijk de laatste nacht in Duitsland of België doorbrengen vind ik echt helemaal niets. In gedachten ben ik dan al thuis van alles aan het redderen en echt leuk is zo’n tussenhalte meestal niet (anders waren we dáár wel op vakantie gegaan). Je zit echt een beetje tussen twee werelden, het is vakantie, maar toch niet meer. Je bent bijna thuis, maar nog niet helemaal. Gelukkig heeft echtgenoot dezelfde instelling, maar of in één ruk naar huis rijden nu echt de juiste manier is om je vakantie af te sluiten weet ik niet. Het is trouwens ook niet altijd mogelijk.
Ik merk dat ik het nu ook weer heb. Tien weken Curaçao is lang, maar het is omgevlogen. Alleen deze laatste week… het schiet gewoon niet óp.
Natuurlijk hou ik mezelf voor dat ik er nog even van moet genieten. Van de hele dag buiten zijn, van blauwe luchten en zon en warmte, van zwemmen in de zee, luieren op het strand, eten op een terrasje, zonsondergangen en… nou ja, van alles. Want dat zullen we toch allemaal moeten missen, de komende maanden.
En ervan genieten doe ik ook, zo bewust mogelijk.
Maar ergens in mijn achterhoofd ben ik er nu wel klaar mee. Dat heeft er natuurlijk ook mee te maken dat er in Nederland een berg werk (huis afmaken en in de verkoop zetten, spullen uitzoeken, administratief gedoe) op ons ligt te wachten en dat we daarna weer terug mogen. Hoe eerder we beginnen met dat werk, hoe eerder we terug kunnen.
Maar het is ook gewoon dat karaktertrekje dat de kop weer opsteekt, dat realiseer ik me maar al te goed. Want dit is zo’n overgangsperiode. Net als België en Duitsland. Niet de plek waar ik wil zijn. Niet het één en ook niet het ander. We zijn nog op Curaçao, waar we eigenlijk gaan wonen, maar toch al aan het afscheid nemen. Ik leef weer tussen twee werelden. Mijn gedachten draaien voortdurend om het feit dat we nu nog hier zijn, maar ook bijna weg gaan.
Laatste keer op vrijdag naar Seaquarium Beach, laatste keer een hapje eten hier en een drankje daar. Echtgenoot moet er een korte broek bij hebben en drie rokjes is ook wat weinig voor mij, maar om nu nog kleren te gaan kopen is eigenlijk onzin. Ik wil een nieuw notitieboekje, maar thuis heb ik er nog drie, dus laat maar even. Ik heb nog wat eten in de vriezer, dat moet eigenlijk nog op, heb ik nog genoeg ontbijt voor de laatste paar dagen, hoe laat moeten we eigenlijk op het vliegveld zijn, wanneer leveren we de huurauto in, wie haalt ons op vanaf Schiphol, ga ik nog wassen of neem ik het mee naar Nederland, heb ik warme kleding voor als we aankomen… Enzovoort.
Het liefst zou ik nu direct de boel in de koffers gooien en op het vliegtuig stappen. Zonder al dat overgangsgedoe. Thuis eerst de dochters en de rest van de familie zien en knuffelen en dan lekker aan de gang met alles wat ik wil en moet doen. Maar dat kan nu eenmaal niet.
Dus geniet ik nog maar even van mijn benen in de zon, van misschien straks nog even naar het strand, van vanavond eten we Curaçaose worstjes en Curaçaose sla en Çuracaose komkommer. Met tomaten ergens anders vandaan, maar waar vandaan weet ik niet, want dat staat niet op het etiket. Het zou ook kunnen dat we toch nog even naar ons favoriete restaurantje gaan. Of zullen we dat morgen doen? Dat is echt de laatste dag, namelijk. Tenzij je dinsdag meerekent, want we gaan pas ‘s avonds weg en we zouden dus nog uitgebreid kunnen gaan lunchen. Morgen misschien toch nog even de lakens wassen? Straks in Nederland gooi ik het zó in de machine en hier moet het in een emmertje. Maar eigenlijk is dat ook gewoon best leuk en het scheelt toch werk in Nederland en daar heb ik genoeg te doen. Waar begin ik met de grote verhuis opruiming? Het kantoor? Ja, goed idee. Papierwerk uitzoeken, vernietigen wat weg mag, kantoor leegmaken, zodat echtgenoot de muren kan afwerken. En dan…
Ho stop! Ga ik weer!
Dat is toch erg? Of niet?
Weet je wat ik nu ineens bedenk? Misschien moet maar gewoon accepteren dat ik zo in elkaar zit. Tenslotte is het ook wel fijn dat ik in gedachten al onderweg naar huis ben. Dat ik ook best zin heb in de dingen die me daar te wachten staan. Dat maakt de overgang uiteindelijk ook wel gemakkelijker.
Zo ging het vroeger met die vakanties ook. Want meestal kwamen we toch op die camping in Duitsland of België terecht. Dat moest dan maar. We gooiden met de pet naar het campinghuishouden, want dat kón fijn nog even voor we weer in het gareel moesten. En als we dan eenmaal thuis waren, was het best fijn om te redderen en te rommelen en weer aan het werk te gaan, want daar hadden we al een dagje zin in.
Eigenlijk is het helemaal niet zo’n slechte karaktertrek als ik dacht toen ik aan dit stukje begon…
Botsautootjes in mijn hoofd
Mijn hoofd is net een kermisattractie. Nee, dat kun je niet van buitenaf zien (gelukkig niet, dat moest er nog bijkomen). Maar van binnen is het net die kraam met botsautootjes. En dan niet midden op de dag, als vaders voorzichtig met hun allerjongste proberen botsingen te vermijden. Nee, meer zoals aan het eind van de avond als je nog geen centimeter kunt rijden zonder keihard geraakt te worden door mensen die – toegegeven, vrij logisch – het concept botsautootjes heel letterlijk nemen.
In mijn hoofd zijn het geen autootjes die botsen. Het zijn talen. Dat deden ze altijd al. Ik lees en schrijf Nederlands en Engels door elkaar en dat is weleens lastig. Als de ene taal in de voorgrond staat, kan ik me minder goed uitdrukken in de andere taal. En snel schakelen is niet altijd mogelijk. Maar goed, dat gaat al jaren goed, dus die botsingen was ik gewend. Maar nu probeer ik ook nog eens papiamentu te leren en daardoor botst het de hele dag door.
Papiamentu is geen gemakkelijke taal om te leren. Het is dan ook een taal die is samengesteld uit Afrikaanse talen en Portugees, gecombineerd met woorden uit het Spaans, Nederlands en Engels. En er schijnt ook nog een stukje restant van de oorspronkelijke bewoners van Midden-Amerika in te zitten (de Nederlandse Wikipedia heeft een uitgebreid stuk over de nog steeds niet helemaal duidelijke oorsprong van de taal).
Vooral die Nederlandse en Engelse woorden doen me de das om, want dan schakel ik dus terug naar één van die talen. Als ik beweer dat ik een sèntwich heb gegeten voor lùnch, wordt het bij mij een rommeltje in mijn hoofd, zeker als je daarbij een kòpi kòfi o te drinkt. Maar verder lijkt het dan weer totaal niet op Nederlands. Mi ta yama Geertrude. Kon ta bai? (Ik heet Geertrude. Hoe gaat het met u?)
Mi ke purba papia papiamentu (ik wil proberen papiaments te spreken) ma è ta difísil (maar het is moeilijk). Ik weet eigenlijk niet eens of dat laatste goed is, want bij “ma” botst het alweer. Dat klinkt te Nederlands.
Onze bovenbuurvrouw is lerares en probeert ons te helpen. Zij begroet ons dus standaard in het Papiaments. Maar meestal komt ze langslopen als we hard aan het werk zijn. En dan zeggen we automatisch “Goedemiddag” in plaats van “Bon tardi”. Tja. Het zal wel wennen.
Ooit hoop ik zo goed te zijn in de taal dat ik een gesprek kan voeren. En in ieder geval zo goed dat ik kan verstaan hoeveel ik moet afrekenen in de supermarkt, in plaats van stiekem op het schermpje van de kassa (dat lang niet altijd goed leesbaar is) te turen of maar gewoon honderd gulden te geven in de hoop dat dat genoeg is.
Onze buurman links komt uit Columbia en zijn vrouw uit Venezuela. Met hen kan ik dus ook niet echt communiceren, want ik ken maar een paar woordjes Spaans en verder spreken ze alleen maar Papiamentu. We zeggen bon dia, bon tardi en bon nochi als we elkaar zien en daar blijft het bij.
Onze huisbaas is Italiaans. We communiceren in het Engels en dat gaat goed, maar zijn Spaans is beter. In zijn eigen taal kan ik alleen maar zeggen dat de lift het niet doet, want dat is het enige dat is blijven hangen van een paar weken Italiaanse les op de middelbare school. Onze bovenburen (de lerares en haar zoon) zijn Surinaams. Dat is een voordeel, want zij spreken dus Nederlands, hoewel de zoon al zo lang hier woont dat zijn Papiamentu beter is. De buren aan de andere kant zijn Curaçaos, maar spreken wel behoorlijk goed Nederlands. Met hen kan ik in ieder geval een beetje normaal praten, maar je merkt toch dat er af en toe iets niet helemaal overkomt als wij te snel en te uitgebreid in het Nederlands staan te kletsen.
Mi ke siña papiamentu. Ik wil papiaments leren. Echt.
Ik wou alleen dat het niet zo botste in mijn hoofd. Maar ik zou niet weten hoe ik dat in het papiaments moet zeggen…







