Een heerlijk ritje over bochtige wegen in de heuvels (bergen hebben we op Curaçao niet echt), langs prachtig uitzicht waar we niet stopten voor foto’s (vier jaar geleden wel), om uiteindelijk uit te komen bij een verlaten resort en een heerlijk strand waar we een tijdje fijn met de voeten in de branding stonden (zwemmen kon wel, maar daar hadden we even geen zin in).
Mijn idee van een perfecte zondagmiddag 😉
Categorie: persoonlijk
Kakkerlak
We hadden een kakkerlak. Zo’n echte, grote, enge bruine met voelsprieten en alles erop en eraan. Natuurlijk wisten we dat die hier leven en natuurlijk wisten we ook dat je nooit helemaal kunt voorkomen dat ze je huis binnenkomen (zelfs als je zoals ik bijna obsessief bezig bent met hygiënisch schoonmaken), maar het was toch even schrikken.
Vooral voor mij. Want natuurlijk was ik degene die hem eerst zag. En ik was al schrikkerig. Ik stond namelijk onder de douche en was me rotgeschrokken van een hagedis. Het was een heel klein, heel bleek hagedisje, dus ik kende hem, maar toch schrok ik daar niet minder door.
Dat ik hem kende kwam zo: een paar dagen geleden wilde ik de wc-pot schoonmaken. Ik goot een flinke scheut wc-reiniger in de pot, pakte de borstel en daar zat zo’n klein hagedisje op. Ik ben altijd geneigd het als baby-hagedisjes (aaaah) te beschouwen, maar het zijn gewoon mini-hagedissen, die niet per definitie schattig en jong zijn. Mijn eerste reactie was instinctief: eng beest, moet dood. Dus stak ik de borstel in de pot en trok door. Toen zwom er een heel schoon, heel bleek en eigenlijk toch wel schattig klein hagedisje in de pot. Waarop ik hem er met de borstel weer uitviste, de borstel in zijn houder neerzette en de hagedis verzocht te verdwijnen. Wat hij dus een paar dagen lang braaf gedaan had.
Maar nu zat hij ineens naast me, terwijl ik moed aan het verzamelen was om mijn warme hoofd onder de vrij koele douche te steken. Hij schrok net zo hard van mij (dacht waarschijnlijk dat ik hem nog een keer ging doorspoelen) en verdween gauw weer. Dus haalde ik een paar keer diep adem en ging door met douchen.
Ik had mijn haar net goed in de shampoo gezet en draaide me om toen ik de kakkerlak zag. Op de muur, vlak naast mijn hoofd.
Ik heb me ingehouden, met rustige bewegingen mijn haren uitgespoeld, ook nog even het zout van de rest van mijn lijf gespoten (maar wel met de handdouche, zo ver mogelijk bij de kakkerlak vandaan) en ben toen de douchecabine uitgestapt. Omdat we nu eenmaal in een mini-appartementje met een grote glazen voorpui wonen, kon ik niet poedelnaakt echtgenoot gaan inlichten over het Enge Beest (je weet nooit of er een buurman voorbijwandelt). Dus droogde ik me eerst nog af en kleedde me aan. Dat alles zonder mijn ogen van de kakkerlak af te halen natuurlijk, want je wil weten waar zo’n Eng Beest is.
Toen stapte ik de badkamer uit en zei tegen echtgenoot: “Beest. Kakkerlak. Grote kakkerlak.” De schrik had wel iets met mijn spraakvermogen gedaan, dat is duidelijk.
Echtgenoot ging kijken, maar zei schouderophalend: “ik zie niets.” Ja, dat dacht ik al. Want hij had zijn bril niet op en het Enge Beest zat inmiddels te schutkleuren op het bruine randje van het houten plafond. Dat zag ik wel, want ik had hem in de gaten gehouden. Bril opgezocht, gewezen en ja. Nu zag echtgenoot het ook.
We overwogen het Enge Beest dood te slaan, maar hoe? Vanaf zo’n randje zorg je er alleen maar voor dat zo’n beest gaat rennen en wie weet waar hij dan naar toe gaat. We hebben zo’n ervaring met een grote en bijzonder snelle spin. Dus besloten we het beest te laten zitten tot we de volgende ochtend een spuitbus gif konden kopen. Want dat werkt met spinnen meestal ook. Niet dat gif, wel het laten zitten. Voor spinnen gebruiken we meestal de stofzuiger, maar die hebben we hier niet.
Kakkerlakken zijn geen spinnen. Die blijven niet fijn in een hoekje zitten om een web te bouwen. Dus toen echtgenoot een paar uur later even uit bed stapte om een slokje water te drinken, bleek de kakkerlak inmiddels door de huiskamer en de keuken en dus bijna door de slaapkamer (want we wonen in een éénkamerstudio) te wandelen.
Toen konden we niet meer slapen. Uiteindelijk kwam ik tot de briljante conclusie dat het beest misschien ook gewoon naar buiten wilde. Dus kleedden we ons aan en zetten de buitendeur open. De kakkerlak wou toch niet naar buiten (het regende). Dus hebben we hem een handje geholpen met de bezem. Dat lukte pas na even aandringen en een epische achtervolging door het hele (gelukkig niet zo grote) apartement. Waarna we nog maar even wat gingen drinken op ons terras, want de adrenaline gierde door ons lijf. Niet dat we rustig zaten op dat terras. Ik bleef kijken of het Enge Beest niet alweer op de terugweg was.
Maar dat viel mee. Die avond tenminste. De volgende dag zat hij (of een familielid, dat kan natuurljk ook) weer in de badkamer. Maar toen had ik inmiddels die spuitbus gekocht. Helemaal blij ben ik daar niet mee, want het is een naar spulletje. Maar het werkt in ieder geval sneller dan die bezem. En blijkbaar was het afdoende, want daarna heb ik geen kakkerlak meer gezien. Behalve in mijn nachtmerries dan.
p.s.- update (voor wie zich zorgen maakt over onze hygiène en/of ons gebruik van nare spuitbussen): een paar dagen later bleek dat de sceptic tank/beerput (ik ben er nog niet achter wat we nu precies hebben) vol was en dat dáár de kakkerlakken (niet alleen bij ons) vandaan kwamen. Sinds het ding leeggepompt is hebben we er geen last meer van gehad.
p.s. 2 – Ik dacht slim te zijn en bij dit stukje een link naar die spuitbus toe te voegen, maar die hebben ze blijkbaar niet in Nederland. Of dit goedje van HG net zo goed werkt, weet ik niet, maar HG doet eigenlijk altijd wel wat het belooft.
Douchen doe ik met dit spul van Kneipp. Daar schrikken kakkerlakken niet van, maar het ruikt wel erg lekker, zeker als je je daarna insmeert met de bijpassende bodylotion.
(deze post bevat één of meerdere affiliatelinks, kijk hier voor meer informatie daarover)
Het E-woord
De kogel is door de kerk, de knoop is doorgehakt, de beslissing genomen. We gaan het doen en we vertellen het aan iedereen die het weten moet. Tenminste, we… Echtgenoot vertelt het. Hij noemt het beestje bij de naam ook (om nog maar eens een spreekwoord er tussen door te gooien, ik was tenslotte al lekker op gang). Ik niet.
Ik kan het e-woord niet uit uit mijn strot krijgen. Mijn manier om onze plannen te verwoorden is omslachtig: we gaan in ieder geval twee jaar op Curaçao wonen en dan kijken we verder.
Dat klinkt minder definitief, maar het is natuurlijk gewoon e… e… Ergens anders gaan wonen. Ahem.
Je zou bijna denken dat ik niet wil. Maar dan zouden we niet gaan, zo simpel is het. Zo’n beslissing neem je met z’n tweeën. Zeker in ons geval, want echtgenoot met zijn IT-bedrijf kan overal vandaan werken en dus overal wonen en datzelfde geldt voor mijn schrijfwerk. We hoeven dus niet voor werk te verhuizen en daar gaat het ook niet om.
Waarom dan wel? Verschillende factoren natuurlijk. Niets is simpel en rechtlijnig in het leven.
Het klimaat speelt een belangrijke rol. Terwijl ik dit schrijf (op Curaçao) bereid ik me voor op een vlucht naar binnen, want het regent hier best regelmatig. Als het gaat regenen, begint het te waaien en dan wil ik een vestje aan. Want op zo’n moment is het maar een graad of vierentwintig en dat voelt fris. De airco staat ‘s nachts op zevenentwintig en dat vind ik zo koud dat ik er een dekentje bij gekocht heb. Ja, die warmte staat me wel aan. Zelfs in september, als het hier echt bloedverziekend heet is.
En verder? Ik ben een nuchter mens. Lyrische lofzangen over de geweldige mensen, de heerlijke sfeer en de passie voor het eiland zul je van mij niet horen. Zo is het misschien wel, maar het klinkt allemaal zo overdreven.
Ik voel me hier thuis. Dat is het punt. In Nederland heb ik steeds vaker het gevoel dat ik van een vreemde planeet kom, dat iedereen dat weet én dat iedereen daar wat over te zeggen heeft.
Hier voel ik me hier gewoon één van de vele totaal verschillende mensen die hier allemaal samenleven.
Niet dat ze hier zo wonderlijk lief en verdraagzaam zijn, hoor. Dat niet. Je moet het je niet al te ideaal voorstellen allemaal. Ook op Curaçao wonen gewone mensen met gewone en niet altijd positieve karaktereigenschappen.
Wat ik zo fijn vind is eigenlijk meer een soort onverschilligheid. Niet het Hollandse “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, maar “van mij mag je gek doen, als ik er maar geen last van heb”. En dat bevalt me wel.
Misschien is dat wel de belangrijkste reden om hierheen te willen… e… e…
Emigreren.
Bon Siman!
“Bon siman” zeggen ze hier op maandag. Soms ook al op zondag, dat is – denk ik – afhankelijk van wanneer je vindt dat de week begint. Of misschien ook wel heel simpel gebaseerd op de vraag of je iemand op zondag of maandag voor het eerst ziet.
Het betekent “goede week” en ik vind dat een fijne gewoonte. Zoveel beter dan de “ik-haat-maandagen”-houding die tegenwoordig overal normaal lijkt te worden.
Ik hou wel van maandagen. Een verse week, nog helemaal open. Op maandag kijk ik terug op een fijn weekend (meestal wel in ieder geval) en kan ik nog geloven dat alles wat ik van plan ben de komende week ook zal lukken.
Weekend
Ons weekend begon met ons vaste bezoekje aan Seaquarium beach, waar we een patatje aten en een paar drankjes namen bij Wet &Wild, terwijl we de zon in de zee zagen zakken.
Zaterdag hebben we lekker gewerkt. Het klinkt raar om blij te zijn dat je gewerkt hebt in het weekend, maar in dit geval was het een keuze, geen druk van buitenaf. En dan voelt het als gekregen tijd. Dingen af kunnen werken of uit kunnen zoeken waar je doordeweeks moeilijk tijd voor kunt maken.
Echtgenoot verdiepte zich in een andere programmeertaal dan die hij normaal gebruikt en ik werkte afwisselend aan mijn blog en aan mijn boek.
Ja. Dat lezen jullie goed. Na maanden worstelen met een schrijfblokkade, lukt het ineens weer. Eigenlijk durf ik het niet zwart op wit te zetten uit angst dat het weer verdwijnt, maar het is echt zo. Ik schreef een paar duizend woorden aan een manuscript dat al bijna een jaar stil ligt en weet ook hoe ik verder moet gaan. Sterker nog, ik kan niet wachten tot ik tijd heb om verder te gaan en het zou zomaar kunnen dat ik stiekem wat dingen ga laten zitten zodat ik meer tijd heb om te schrijven.
Deze week
:: huishouden
Mijn plannen voor deze week zijn niet heel heftig, dat scheelt. Het huishouden hier is vrij eenvoudig en maandelijkse klussen heb ik niet. Op maandag werk ik wel de wekelijkse klussen af. Dat is ook niet heel veel werk: badkamer poetsen, keuken soppen, bed verschonen. Alleen dat laatste kost meer tijd dan je zou denken, want ik heb nog geen wasmachine. Ik was dus in een emmertje. Maar dat gaat best. Het zijn heel lichte lakens, die goed te hanteren zijn, ook als ze nat zijn. En in de warmte en de wind hier zijn ze zo droog, ook als ik ze alleen maar uitwring. Dat laatste is dan meteen goede training voor mijn armspieren. Ik heb geen sportschool nodig 😉
:: werk
Op dinsdag ga ik de boekhoudingen bijwerken en eens kijken of ik de vennootschapbelasting van onze BV’s al mag aangeven. Ik heb wel mail gehad van de belastingdienst dat het binnenkort moet gebeuren, maar dat zegt over het algemeen nog niet dat het al kan. Ik krijg ook wel eens post die volgens de datum pas een week later verstuurd is. Het blijft lachen met de belastingdienst. Als ik die aangiftes nog niet kan doen, heb ik nog wat uitzoekwerk, maar dat zou kunnen wachten tot mijn schrijfbubbel uitgewoed is… Die aangiftes trouwens ook, nu ik erover nadenk.
:: boodschappen
Ik moet deze week wel echt uitgebreid boodschappen doen, want mijn voorraadje begint nu toch wel erg minimaal te worden. Sinds we verhuisd zijn naar een appartement dichter bij de stad, probeer ik die voorraad wat kleiner te houden. Ik kan immers vrij simpel naar de supermarkt rijden (er zit een chinese supermarkt op een paar minuten hier vandaan en een paar hele grote op een kwartiertje afstand). Bovendien heb ik hier niet zoveel kastruimte en een kleinere vriezer, dus ik kan simpelweg minder kwijt. Maar we moeten natuurlijk wel kunnen eten.
:: schrijven
Verder ligt de week helemaal open. Ik heb al wat blogjes in het klad staan voor de komende dagen, dus daar hoef ik niet veel meer aan te doen. Ik wil mijn archief terugzetten en opruimen, maar dat kan tussen de bedrijven door (ik hoop alleen dat de rss-feed er niet van op hol slaat). Ook moet ik nog wat kapotte verwijzingen (dat krijg je met al dat heen en weer verhuizen) repareren. En o ja, ik wilde dat patroon nog vertalen… De blog to-do lijst is alweer lang zat.
Want verder wil ik dus aan mijn boek werken. Daar heb ik het meeste zin in. Misschien ben ik aan het eind van de week wel zover dat ik er iets over durf te vertellen…
:: breien en lezen
Als je dit zo leest, lijkt het wel of ik alleen maar aan het werk ben, maar dat valt mee, hoor. Tussen de bedrijven door brei ik ijverig aan de achtste muts. En ondertussen (soms zelfs tegelijkertijd) lees ik ook nog wel eens een boek. Ik ben op dit moment bezig met “One for the money” van Janet Evanovich. Ondanks de titel is het een Nederlandstalige versie. Helaas is de rest van de serie niet via het Kobo Plus abonnement te lezen. Hierna wil ik dit boek dat zich af speelt op Curaçao in de tijd van de slavernij gaan lezen, maar ik hoop dat het niet té heftig is. Voor de broodnodige afwisseling lees ik tussendoor af en toe een column van Annie M.G. Schmidt. Heerlijk! Heel anders dan Maria Oomkens (want Annie is feministischer en opstandiger), maar ik vind ze net zo leuk.
Genoeg te doen dus. Aan het werk! (als jullie dit lezen is het bij ons nog ochtend).
Een heel fijne week gewenst!
Wat zijn jouw plannen voor deze week?
{schrijftips} plotten of pantsen?
Het is een veel voorkomende discussie onder schrijvers en aspirantschrijvers: ben je een plotter of een pantser? Oftewel: werk je het plot van je boek tot in detail uit voor je begint met schrijven of begin je gewoon en zie je wel hoe het loopt? Dat laatste heet in het Engels “flying by the seat of your pants” en daar komt de naam “pantser” dus vandaan.
Ik heb het al vaker toegegeven: ik ben absoluut een pantser. Maar ik weet niet of het echt iets is waar je trots op moet zijn of wat je moet promoten als de enige manier om het te doen. Voor mij werkte het gewoon zo. Ik ging zitten met een vaag idee en dan rolde er een boek uit. Het nadeel is dat je veel meer moeite hebt om toch iets te produceren dan wanneer je volgens een schema werkt. Vandaar dat er afgelopen jaar geen nieuw boek uitkwam. Want er rolde niets uit.
Een paar weken geleden realiseerde ik me dat ik het misschien toch te gemakkelijk heb laten zitten. Ik kan wel degelijk plotten. Voor de doktersromannetjes moest ik van tevoren een samenvatting indienen en dat ging ook prima. Er was binnen die samenvatting wel ruimte om erop los te fantaseren, maar ik had wel houvast. Ik heb ook wel eens met een meer gedetailleerde opzet gewerkt, omdat ik behalve aan mijn ingeleverde samenvatting ook vastzat aan een verplichte hoeveelheid woorden en vaste hoofdpersonen. En dat ging eigenlijk prima.
Ik ben dus nu toch maar bezig met een dergelijke opzet voor mijn volgende boek. Niet te gedetailleerd, want dat vind ik nog steeds geen doen, dan slaat het dood. Maar wel als houvast. En als stok achter de deur.
Mijn manier van opzetten:
1. Brainstorm.
Een nogal verwarde verzameling losse zinnetjes, ideeën en gedachten. Vergelijkbaar met dat vage idee waar ik normaal gesproken mee begin.
2. Plot en hoofdplot
Wat is het hoofdplot? Bijvoorbeeld – uit Incognito: fotomodel gaat undercover om zusje op te vangen en te beschermen tegen roddelpers
Minstens één, liefst meer subplots: Uit Incognito: zusje blijkt zwanger te zijn, problemen op werk, verliefd op baas.
3. Introductie
Bedenk een pakkende scene waarin de hoofdpersoon en/of het hoofdplot geintroduceerd worden.
4. Indeling
Normaal gesproken werk ik met drie delen die je “aktes” zou kunnen noemen – opbouw, climax, ontknoping. Volgens mij is dat ook wel aardig standaard, maar ik ga het niet opzoeken, want ik raak altijd in de war als ik lees hoe anderen vinden dat het zou moeten.
Hoewel ik het niet altijd op papier uitschrijf, verzin ik meestal wel ongeveer hoe ik het hoofdplot en de subplots ga uitwerken om mijn verhaal op de juiste manier op te bouwen. Het kan helpen om meteen te bepalen hoeveel woorden ik per deel gebruik (bij 50.000 woorden is mijn verdeling meestal 25.000, 15.000, 10.000), zodat ik met kleinere deadlines kunt werken. Ook kan ik op deze manier alvast vooruit verzinnen wat er gaat gebeuren.
De opbouw laat zien wat er speelt in het leven van de hoofdpersonen. Ik zet als het ware de stukken neer om het plot te gaan ontwikkelen en zorg dat de lezers (en ikzelf) de hoofdpersonen leren kennen.
De climax komt pas aan het eind van de tweede (middelste) deel, maar na 25.000 woorden begrijpt de lezer wel wat er allemaal speelt en moet er echt iets heftigs gaan gebeuren. Als ik nog niet heb verzonnen wat, is dit een goed moment voor een heftige ruzie, een nieuwe ontwikkeling of iets anders spectaculairs, dat dus uiteindelijk tot de climax leidt. In de laatste 10.000 woorden los ik het probleem op en werk ik losse eindjes af.
Dat klinkt alsof ik toch een plotter ben, zou je denken. Misschien wel. Soms denk ik dat het verschil meer zit in de manier waarop mensen plotten, dan in het wel of niet doen. Bij mij zijn de stappen niet helemaal van elkaar gescheiden.
Ik begin met dat vage idee en een heel los idee over het plot en de subplots.
Het kan zijn dat ik tijdens het schrijven ineens een extra subplot bedenk. Soms moet dat zelfs omdat ik er achter kom dat ik simpelweg te weinig materiaal heb.
Punt 3, de introductie, is voor mij waarmee het staat of valt. Het moet niet alleen voor de lezer pakkend zijn, maar ook voor mij. Als ik die eerste paar duizend woorden heb staan, moet het me grijpen, moet het me bijblijven. Dan moet ik denken : “dáár wil ik mee verder!”
En dan gaat het meestal vanzelf. Het voelt als “ik doe maar wat en het komt vanzelf”, maar ergens in de achtergrond speelt dan nog steeds die indeling in drie aktes mee. Ik ben, min of meer onbewust, toch altijd wel bezig om ergens naar toe te werken en dat dan weer netjes af te sluiten.
Ik ben een plotpantser. Of een pantsplotter. Een plantser. Die benaming heb ik ook al ergens voorbij zien komen.
Maar eigenlijk is het niet zo ingewikkeld. Ik ben een schrijver. En het allerbelangrijkste is dat er uiteindelijk een boek ontstaat.
Kerstwens
{schrijftips} Hoe maak je je karakters levensecht?
Je kunt nog zo’n goed plot verzonnen hebben, maar als je hoofdpersonen vlak en oninteressant zijn, is de kans groot dat niemand je verhaal uitleest. Lezers moeten zich kunnen inleven en dat kan alleen als je karakters levensecht zijn. Maar hoe doe je dat?
Een paar tips:
1. In de loop van je verhaal moet er iets aan je hoofdpersoon veranderen. Vooral het overwinnen van persoonlijke problemen of zwakke punten is iets waar je lezers zich in kunnen herkennen. Sofie uit Incognito worstelt bijvoorbeeld met haar angst voor de roddelpers en Nina uit Tegenstelling denkt dat ze dom is omdat ze dyslexie heeft. In de meeste schrijfcursussen wordt dit “inner conflict” genoemd.
2. Je hoofdpersoon moet daarnaast minstens één groot probleem met de buitenwereld hebben. Dat is sowieso nodig om een verhaal te kunnen schrijven (er moet tenslotte iets gebeuren), maar het zorgt er ook voor dat je lezers mee gaan leven. Als je hoofdpersoon alleen maar vanaf de zijlijn toekijkt hoe anderen problemen hebben, is dat een stuk lastiger.
Die problemen kunnen natuurlijk alle kanten op. In Erfgoed probeert Donna een moord op te lossen, in Thuisgekomen wordt Stella gestalkt door iemand die op haar verdwenen man lijkt en in Alleen is maar alleen draait het vooral om het onbegrip tussen de twee zussen die de hoofdrol spelen en de problemen van het zoontje van één van hen.
3. Hoewel mijn boeken er om bekend staan dat er vrij gewone mensen de hoofdrol in spelen, ontkom ik er ook niet aan: een karakter is toch net iets boeiender als er iets bijzonders met hem of haar aan de hand is. Dat kan uiterlijk zijn (bijvoorbeeld Sofie’s opvallende rode haar) of een talent (Stella’s tekentalent of Nina’s breikunsten), maar ook minder duidelijk aanwezig als karaktereigenschap (bijvoorbeeld de manier waarop Vera in Alles onder controle bezig is met orde en regelmaat). Het geeft je hoofdpersonen diepte en dat maakt ze levensechter.
4. Gun je lezers af en toe een kijkje in het hoofd van je hoofdpersoon. In mijn boeken schrijf ik over het algemeen vanuit het perspectief van de hoofdpersoon en verwoord daarbij ook wat die persoon denkt, maar ook in boeken waarin actie belangrijker is, geeft het net iets meer diepte aan een hoofdpersoon als je af en toe leest wat hij of zij denkt. Ook voor jou als schrijver is het fijn om af en toe echt in je karakters te kruipen. Op die manier heb je het eerder door als een bepaalde reactie onlogisch is.
5. Werk een persoon van te voren niet al te gedetailleerd uit. Ik ga hiermee in tegen een gevestigde mening, daarvan ben ik me bewust. Op schrijversfora circuleren lijsten die je zou moeten invullen om je hoofdpersoon te leren kennen en dat zijn soms boekwerken op zich, met tientallen, soms zelfs honderden, vragen die je moet beantwoorden.
Van mij mag iedereen dat doen als hij of zij dat wil, maar persoonlijk vind ik het onzin. Natuurlijk moet je een beetje een beeld hebben bij je personages en het kan handig zijn om daar wat aantekeningen bij te maken. Maar waarom zou je tijd besteden aan het nadenken over sterrenbeelden, lievelingskleuren, politieke orientatie, favoriete muziek, favoriete windrichting, en weet ik veel wat nog meer zolang dat er in je verhaal helemaal niet toedoet?
Geef jezelf (en je hoofdpersonen) de kans om dat soort dingen in de loop van het schrijfproces toe te voegen. Hoe verder je in je verhaal komt, hoe beter je een persoon leert kennen.
Ik wist van te voren helemaal niet dat Nina breide en zeker niet dat ze er zo goed in was. En het was ook een verrassing voor me dat Donna zo dol was op paardrijden.
Dat maakt schrijven nou juist zo leuk!
{schrijftips} 7 dingen die je niet moet doen als je een boek wilt schrijven
1. twijfelen of je het wel kunt
Dat geldt natuurlijk voor alle dingen in het leven, maar als je van tevoren al niet in jezelf gelooft is de kans groot dat het je niet lukt. Ik schreef Huis vol verleden nadat ik een ander boek in hetzelfde genre gelezen had en bij mezelf dacht: “Ja, maar zo kan ik het ook wel.” En dat bleek de waarheid te zijn.
2. de lat te hoog leggen
Er zijn mensen die debuteren met een meesterwerk en ook direct heel hoog in alle bestsellerlijsten terecht komen. Het kan. En (zie boven) als je denkt dat jij dat kunt, moet je er zeker voor gaan. Maar als je weet dat je dat niveau niet haalt, is dat nog geen reden om maar helemaal niet te beginnen. Ik wist toen ik aan Huis vol verleden begon best dat ik geen bestseller schreef, maar geloofde wel dat ik de capaciteiten had om een gezellige, ontspannende roman te schrijven, die de kans had om uitgegeven te worden. En daar is niets mis mee.
3. jezelf een deadline opleggen
Er is niets zo slecht voor je creativiteit als teveel druk. Als je alleen maar bezig bent met zoveel mogelijk woorden produceren, wordt het waarschijnlijk een verhaal van niets. Dan ga je schrijven om maar aan je woordenaantal te komen, in plaats van om het verhaal te vertellen.
Dat doet me denken aan het heel oude mopje over Jantje die een opstel van 500 woorden moest schrijven en het volgende produceerde:
“Op een dag was mijn hondje kwijt.
Ik riep: “Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie!Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! […enzovoort – 489 keer]”
En toen kwam hij.”
Niet doen dus, want het is niet alleen geen verhaal dat ooit gelezen zal worden, maar ook nog eens zonde van je tijd (zelfs met knippen en plakken had ik geen zijn om echt 489 keer Fikkie te typen).
4. jezelf géén deadline opleggen
Lekker tegenstrijdig, hè? Maar wel waar. Als je alleen maar denkt dat je ooit een boek gaat schrijven, komt er nooit iets van. Je zult echt die stap moeten zetten en het ook gaan doen. En dan is het best fijn om een stok achter de deur te hebben, of je jezelf nu een jaar of meer de tijd geeft, of meedoet aan Nanowrimo en probeert 50.000 woorden in een maand te schrijven.
Maar… zie boven: het moet niet ten koste van je creativiteit gaan. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat je een realistische deadline stelt. Als je al een paar keer meegedaan hebt aan Nanowrimo, maar weet dat het voor jou niet haalbaar is om iedere dag 1700 woorden te schrijven waar je dan daarna ook nog iets aan hebt, moet je het niet willen proberen. Maar je kunt bijvoorbeeld wel besluiten dat je iedere zaterdag 1000 woorden gaat schrijven aan je boek. Dan heb je na een jaar ook die 50.000 woorden staan, en dan misschien wel op een manier die misschien een uitgever ook kan waarderen.
5. jezelf vergelijken met anderen
Er zit een dunne grens tussen geinspireerd raken en ontmoedigd worden. Ik heb dat bijvoorbeeld bij Nora Roberts. Zowel haar boeken als de professionele manier waarop ze het schrijven aanpakt, geven me vaak een zetje in de goede richting. Dan lees ik één van haar boeken en denk ik: “ja, ik ga er weer voor!”
Maar het geeft me even vaak het gevoel dat het toch geen zin heeft om het te proberen, want wat zij doet is voor mij onmogelijk. Ik moet mezelf altijd voorhouden dat ik van haar doorzettingsvermogen kan leren, maar niet naar de cijfertjes moet kijken. Als ik zoveel met mijn boeken kon verdienen als zij doet, zou ik er ook voor kunnen kiezen fulltime te schrijven. Nu is dat een utopie en heb ik ook tijd nodig voor andere dingen.
Hetzelfde geldt voor de schrijfstijl van iemand anders. Je kunt geinspireerd raken door de prachtige natuurbeschrijvingen of de spitse dialogen van een bepaalde schrijver en uitproberen of jij dat ook kunt. Dat kan heel goed uitpakken, maar als zo’n beschrijving of dialoog bij jou alleen maar geforceerd overkomt, kun je ze beter overslaan. Dat maakt je niet minder, dat maakt je alleen anders. Zoek je eigen stijl en geloof daarin.
6. schrijftutorials, tips en andere adviezen lezen/kijken
Uh, wat is dit dan? Ik weet het, het klinkt alweer tegenstrijdig…
Er is ook eigenlijk niets mis met informatie op zoeken en proberen te leren van anderen. Maar internet is nu eenmaal verslavend. En voor je het weet heb je weer al je schrijftijd opgemaakt aan lezen, luisteren en/of kijken naar hoe anderen het doen. Zo kom je nooit aan schrijven toe.
Bovendien kan teveel informatie belemmerend werken. Er zijn zoveel technieken, zoveel regeltjes en je moet echt niet proberen om die allemaal te volgen. Soms kun je beter gewoon opschrijven wat er in je opkomt, zonder je af te vragen of je plot wel op de juiste manier opgebouwd is, of je karakters wel genoeg diepte hebben, of je tijdlijn wel klopt enzovoort. Die technieken en adviezen kun je altijd later nog toepassen om je verhaal nog beter te maken, of om door een dood punt in je schrijfwerk heen te komen.
Ik schrijf over het algemeen vanuit een vaag idee en laat de ontwikkelingen gewoon komen terwijl ik schrijf. Achteraf blijkt alles toch te kloppen of gemakkelijk aan te passen. Ik geloof oprecht dat ik dat kan doordat ik voor mijn boeken uitgegeven werden nooit over dat soort dingen nadacht. Ik schreef gewoon verhalen die in mijn hoofd leefden en deed zo heel veel schrijfervaring op zonder me druk te maken over bijzaken. Als ik me nu geblokkeerd voel in mijn schrijven komt dat meestal omdat ik (al dan niet onbewust) te veel bezig ben met vorm en regels.
7. teveel luisteren naar wat anderen zeggen
Proeflezers en schrijfforums kunnen heel nuttig zijn. Het is fijn als mensen meeleven met je schrijfproces en het kan heel zinvol zijn om ideeën en meningen van anderen ter harte te nemen. Maar blijf wel goed beseffen dat het jóuw verhaal is, niet het hunne. Verander geen complete plotontwikkelingen om iemand anders tevreden te stellen. Het is sowieso niet mogelijk om het iedereen naar de zin te maken. Er zullen altijd mensen zijn die jouw verhaal niet leuk vinden en daar kun je maar beter vroeg genoeg aan wennen.
Let wel: ik heb het hier niet over uitgevers en redacteurs. Als je boek eenmaal zover is dat er professionals met adviezen komen, moet je natuurlijk niet al te eigenwijs zijn.
Hoewel… ik heb zelf toch heel duidelijke grenzen. Ik ben best bereid adviezen te overwegen, maar ik wil wel honderd procent achter de veranderingen staan. Als het niet goed voelt, of tegen mijn principes indruist, accepteer ik liever dat een boek niet uitgegeven wordt. Om het dramatisch uit te drukken: ik wil graag leren van ervaren mensen zodat mijn boeken ook verkoopbaar zijn, maar ik verkoop mijn ziel niet. Dan maar geen bestseller.
Was getekend, Annie M.G. Schmidt
Toen mijn dochter liet vallen dat ze (achter de schermen – ze is grimeur) bij de musical “Was getekend, Annie M.G. Schmidt” ging werken, riep ik spontaan: “Daar wil ik heel graag heen!”
In de loop van de jaren heb ik heel producties gezien waaraan zij heeft meegewerkt. Om eerlijk te zijn (dat weet ze, hoor) ging ik er meestal naar toe met het gevoel van “ik hou eigenlijk niet echt van musicals, maar ik vind het leuk om te zien waar mijn dochter werkt”. Toch waren Woef Side Story (die draait nu overigens weer), Soldaat van Oranje (draait nog steeds) en De Tweeling echt enorm de moeite waard.
Maar Annie M.G. Schmidt… tja, dat is iets anders. Daar wilde ik dus echt graag heen.
Waarom? Ik had willen schrijven: “Wie is er niet mee opgegroeid?” Maar toen meldde echtgenoot dat hij haar kinderboeken niet of nauwelijks kent en zeker niet uit zijn jeugd. Hij kende haar daarentegen van alles wat ze voor televisie geschreven heeft en dat is bij mij allemaal vrij vaag.
Ik ken haar dus vooral als het creatieve brein achter Jip en Janneke, Pluk van de Petteflet, Ibbeltje, Minoes, Floddertje en Abeltje. Abeltje heb ik als kind tientallen keren van de bibliotheek geleend (vraag me niet waarom ik het boek niet bezat, ik heb geen idee), de andere boeken herinner ik me vooral van het voorlezen aan mijn eigen kinderen, maar las ik als kind ook. Ik weet nog dat ik het zo zonde van Aagje Helderders mooie roze jurkje vond toen ze eindelijk een keer echt ging spelen. Niet dat ik haar dat niet gunde, ik klom zelf ook in bomen en was zelden schoon, maar ik droeg dan ook niet van die mooie jurkjes.
Och, en Otje… Dat keken de dochters en ik op televisie en we zingen hier nog regelmatig: “De computer doet het niet, hij doet alleen delete, delete” (maar ik weet niet of die tekst van haar was, eigenlijk).
Aan haar versjes heb ik ook goede herinneringen, vooral aan “Ik ben lekker stout”, voorgedragen door mijn neefje dat destijds heel toepasselijk niet bepaald een toonbeeld van braafheid was. En natuurlijk Beertje Pippeloentje, zonder das en zonder schoentje. En… nou ja, het is duidelijk. De kinderschrijfster Annie M.G. Schmidt maakt een groot deel uit van mijn jeugd en die van mijn dochters.
Haar werk voor volwassenen kende ik niet zo goed. Ooit had ik een boekje met columns van haar hand waar ik wel erg van genoten heb, maar ik heb het niet meer en ik kan me niet meer herinneren hoe dat heette. Ja Zuster, Nee zuster en de familie Doorsnee zijn van voor mijn tijd en ik heb niet zo heel veel meegekregen van haar andere producties. Maar ik weet nu dat er toch heel wat liedjes en teksten zijn die ik wel kende, maar waarvan ik niet wist dat ze van haar waren.
Mijn dochter kreeg vrijkaartjes voor de premiere en dus zaten wij zondag 24 september tussen bekende en onbekende nederlanders in het Delamartheater. We hadden een enorm drukke week achter de rug (we zijn bezig met twee verhuizingen in de familie – niet de onze, maar wel met hulp van ons) en schoven dus in galakleding (nou ja, het zat er dicht genoeg bij), maar met spierpijn van het sjouwen op de gelukkig comfortabele stoelen. En beleefden een paar heerlijke uren.
via de website van Stage Entertainment)
De musical is gebaseerd op de biografie “Anna” van Annejet van der Zijl en vertelt het verhaal over het leven van Annie.
Annie’s zoon Flip (William Spaaij) vindt op zolder een koffertje met brieven. Als hij zich vertwijfeld afvraagt wat hij met de inhoud aan moet, duikt Annie zelf (Simone Kleinsma) op om met hem te praten. In het begin ontwijkt ze Flips vragen, maar langzaam krijg je een heel duidelijk inzicht in haar roerige leven. Van haar jeugd (“Mijn vader hield van me, mijn moeder hield van me. En toch was ik doodongelukkig”) tot haar relatie met een getrouwde man en haar verdriet over zijn dood.
Simone speelt een duidelijk herkenbare oudere Annie, maar daarnaast huppelt er nog een kleine Annie (afwisselend gespeeld door acht meisjes) rond en komt er ook regelmatig een jonge Annie (gespeeld door Jeske van de Staak) tevoorschijn. De drie Annies praten regelmatig met elkaar en met Flip. Dat klinkt verwarrend, maar het komt heel natuurlijk over. Het voegt zelfs echt iets toe aan het hele verhaal, omdat ze alledrie een ander deel van de persoonlijkheid van Annie M.G. Schmidt vertegenwoordigen.
Ik vond het mooi om inzicht te krijgen in hoe Annie werd gevormd als mens en schrijfster, maar het is geen zwaar, biografisch toneelstuk. Het is vooral een echte onderhoudende musical. In de hele voorstelling zitten tientallen liedjes en versjes van Annie M.G. Schmidt verwerkt, waarvan sommige nieuw voor me waren (Laatste dans en Sorry dat ik besta – helaas beiden nog steeds zo actueel) en sommige een feest van herkenning (Vluchten kan niet meer – blijft prachtig, ik wist niet dat zij dat had geschreven en Margootje). Er wordt enorm veel gerefereerd aan haar bekendste figuren (o.a. Pluk en Abeltje). Jip en Janneke hebben hun eigen hilarische scene, waarin stiekem een heel belangrijke boodschap zit.
Eén van mijn favoriete quotes (want die vraag krijgt iedere schrijver, ik dus ook) is deze (niet letterlijk – dit is hoe ik het onthouden heb):
“Dan vragen ze: ‘is alles wat u schrijft autobiografisch?’
Zeg ik: ‘Tuurlijk. Ik rijd alle dagen rond in een klein rood kraanwagentje en eigenlijk ben ik een poes.’ “
Annie blijft volhouden dat ze alles verzint en niets op haar eigen leven gebaseerd is, maar in de voorstelling wordt het steeds duidelijker dat ze wel veel van de gebeurtenissen in haar eigen leven verwerkt door verhaaltjes te schrijven. Haar voortdurende verlangen naar échte vrijheid en haar opstandigheid tegenover de gevestigde orde is dan ook duidelijk terug te zien in bijna al haar boeken en liedjes.
Ik ben geen theaterrecensent, maar ik vond Simone kleinsma geweldig. Natuurlijk weten we allemaal dat ze een vakvrouw is en dat bewees ze in deze voorstelling weer. Maar ook de andere spelers waren heel erg goed. Alles klopte gewoon, de timing, de stemmen, de emoties. Ik was na afloop echt enorm onder de indruk. Echtgenoot en ik willen het zelfs allebei graag nog een keer zien.
Wat ons betreft is deze voorstelling dus zeker een aanrader.
Meer informatie, het speelschema en verkoop van kaartjes vind je hier.
(p.s. deze blogpost is niet gesponsord, ik deel dit omdat ik oprecht enthousiast ben).
= kleine vergoeding voor mij als je via die link bestelt, geen extra kosten voor jou)
over een bakkie pleur, kroten en peen
Als je als Gooise trouwt met een reserve-Rotterdammer (laat hij het maar niet horen, maar het is een feit dat echtgenoot is opgegroeid in een dorpje dat steeds dichter bij Rotterdam komt te liggen), is het op taalkundig gebied wel even aanpassen geblazen.
Vooral natuurlijk (niet boos worden als jij andere ervaringen hebt, ik weet dat dit generaliserend is) omdat Rotterdammers een beetje directer zijn dan mensen uit het Gooi. En dat is dus op z’n Goois uitgedrukt. Die zijn namelijk geneigd alles af te zwakken. Als je iets vervelend vind zeg je “niet zo leuk” en als je iets echt niet wilt zeg je “ik weet niet zeker of ik dat wil” .
Een Rotterdammer zegt gewoon waar het op staat. “Dat vind ik stom” of “Daar heb ik geen zin in” (meestal gebruiken ze trouwens nog wat sterkere uitdrukkingen, maar ik ben nog Goois genoeg om het lastig te vinden die zwart op wit op mijn blog te zetten).
Het was even wennen, maar eigenlijk is het wel zo duidelijk. Je weet tenminste waar je aan toe bent. De dochter die in Engeland studeerde vertelde dat ze daar nog minder direct zijn dan ik gewend was in het Gooi. Altijd vreselijk beleefd en voorkomend (wat op zich natuurlijk wel prettig is), maar achter je rug… (en dat is het vervelende eraan). Deze dochter was nooit zo dol op de Rotterdamse manier, maar die Britten hebben ervoor gezorgd dat ze dat nu toch liever heeft. Het grappige is dat zij inmiddels in het Gooi woont, waar ze dus precies op haar plaats zou moeten zijn.
Het verschil zit hem niet alleen in de manier waarop taal gebruikt wordt, maar ook in specifieke woorden. Ik (inmiddels helemaal ingeburgerd in omgeving Rotterdam) had geen idee dat er mensen waren die niet wisten wat “een bakkie pleur” betekent, maar realiseerde me na heel lang nadenken dat ik dat voor ik hierheen verhuisde waarschijnlijk niet wist.
Met echtgenoot kan ik na bijna dertig jaar nog steeds discussies voeren over kroten en peen.
Want ik zeg nog steeds bietjes en wortels (en heb dat mijn dochters ook aangeleerd). Maar hij argumenteert dat bieten een soortnaam is waarvan vooral suikerbieten bekend zijn. Die rode dingen die we gekookt eten heten kroten en zijn alleen rode bietjes genoemd door mensen die deftig willen lijken. Tja. Internet geeft hem gelijk: kijk maar hier en hier.
Over peen heeft hij hetzelfde soort argument: wortels zijn de dingen die in de grond zitten om planten van voeding te voorzien. Een peen is een eetbare penwortel. Geen speld tussen te krijgen. En hij is echt niet de enige die dat vindt.
Laatst vonden we een nieuwe. De dochter die nu in het Gooi woont (en voor wie het dus handig is dat haar moeder haar de verkeerde woorden heeft geleerd) gaat samenwonen met een Limburger en verweet hem dus dialect toen hij “dorpel” zei, in plaats van drempel. Ik glimlachte superieur, want ik ken het woord wel, maar dat komt dus omdat echtgenoot Zuid-Hollands dialect spreekt. Wij (de dochters en ik) zeggen altijd drempel, want zo heb ik het geleerd. Maar ze hebben het opgezocht (ze zijn allebei beroepsmatig bezig met taal) en het blijkt dat de mannen gelijk hebben. Dorpel is de vakterm en wijst dus inderdaad op dat ding dat in deuropeningen ligt. Een drempel is alles waar je overheen moet stappen of rijden. Zo leer je nog eens wat.
Het is dan ook echt geen eigenwijsheid van mij dat ik nog steeds bietjes en worteltjes zeg, maar dat zit er bij mij net zo ingebakken als bij hem de (blijkbaar toch) juiste benamingen. Het nare is alleen dat ik onder de indruk was dat hij dialect sprak en ik ABN. Maar bij mij blijkt het vooral Algemeen Bekakt Nederlands te zijn in plaats van Beschaafd. Tja.
Foute dingen leer je blijkbaar gemakkelijker aan. In deze omgeving (Gouda/Rotterdam) wordt er nog wel eens gerommeld met t-tjes. Die gebruiken ze niet waar het wel moet, maar vooral wel waar het niet moet. En helaas hoor ik mezelf heel af en toe zeggen “ik gaat”. Oei. Maar soms is het gewoon een fijne manier van uitdrukken. Vooral in gebiedende wijs: “Pleurt op!”
Als je erover nadenkt is “pleur” trouwens een erg veelzijdig woord. Het kan koffie betekenen (dat bakkie pleur van hierboven), het kan duiden op weggaan en het kan ook “gooien” betekenen. “Dat is zomaar neergepleurd”. Mijn man noemt het “drag and drop” systeem van bepaalde programma’s (waarmee je iconen kunt verschuiven naar de plaats waar je ze wilt hebben): “sleur en pleur”. Wat ik echt een prachtige vertaling vind.
Wat mij vooral zo boeit is dat er in een piepklein landje als dit al zoveel verschillen in taalgebruik zijn. En dan heb ik het niet eens gehad over de echte dialecten. Dat zijn talen op zich en daar hebben we er toch ook nog heel wat van.
Ik mag dan in het Gooi opgegroeid zijn, waarbij iedereen aan de bekakte R denkt, maar in Huizen hebben ze een prachtig eigen dialect. Als ik vroeger oudere familieleden plat Huizers hoorde praten, kon ik het amper volgen, maar sommige woorden en uitdrukkingen werden bij ons thuis ook gebruikt.
“Bol ân Taatje!” en “Neit mekke, kauwe!” zitten zo in mijn geheugen gebakken dat ik het zelf heel af en toe zelf ook nog zeg.
Ik nam altijd aan dat de vertalingen daarvan voor de hand lagen (“Rustig aan, man”en “Niet kletsen, eten”), maar de meeste mensen begrijpen absoluut niet wat ik bedoel.
Meer over Huizers vind je in dit artikel (o ja! boketor!) en in dit artikel. De Haindruk van ‘t Noorderainde die in het tweede artikel genoemd wordt is een oudoom van mij, die bij iedere speciale gelegenheid voordrachten in het Huizers hield, wat ik destijds niet echt kon waarderen, maar nu nog wel eens zou willen horen.
Over Fries begin ik maar helemaal niet, mijn kennis daarvan reikt niet verder dan wat ik van Piet Paulusma geleerd heb. En ik weet wel zeker dat ik mijn aanstaande schoonzoon helemaal niet kan verstaan als die in het Limburgs aan de gang gaat…










