“Vermijd op 31 maart de Randstad” staat er al dagenlang op de borden langs de snelweg te lezen. Natuurlijk lever ik daar hardop commentaar op. Ik heb immers nog steeds geen radio in de auto.
Niet dat ik geen radio heb, hoor. Ik heb er zelfs twee. Maar mijn auto is een “kaal model”. Lees: de goedkoopste uitvoering. Er kan dus wel een radio in, maar daarvoor moet je allerlei ingewikkelde dingen doen met draadjes doorknippen en ergens anders weer vastmaken. Dat kan ik dus niet zelf en mijn man heeft er geen tijd voor. Al twee jaar niet.
Het is niet zo erg eigenlijk. Ik rijd toch voornamelijk korte stukjes en dan mis je zo’n radio niet echt. En voor de gezelligheid praat ik tegen de TomTom, andere automobilisten en dus ook tegen de borden die mij vertellen dat ik de Randstad moet vermijden vandaag.
Want dat vind ik een beetje vreemd. Dat zeg ik dus ook.
“Lieverd”, zeg ik. Want je moet zo’n bord wel te vriend houden, wie weet wat er anders in eens in beeld verschijnt. Je moet er toch niet aan denken dat zo’n ding ineens aan iedereen gaat melden dat ik van huis gegaan ben zonder mijn keuken op te ruimen. En aangezien ik ook al naar bed gegaan was zonder diezelfde belangrijke taak uit te voeren, kunt u zich indenken dat ik mij daar een beetje voor schaam. Het is niet iets wat je in het openbaar op een bord langs de snelweg wilt zien staan.
“Lieverd”, zeg ik dus “Ik kan de Randstad helemaal niet vermijden op 31 maart.”
Ik wil nog uitleggen waarom, maar het bord laat me niet uitpraten. Het moet, zegt hij. Want er komen vele belangrijke mensen naar Den Haag en die willen natuurlijk wel tijdens kantooruren praten, dus komen zij compleet met beveiliging en politiebegeleiding gezellig tijdens de ochtendspits aan en gaan zij gedurende de avondspits weer weg. Alleen mevrouw Clinton is eigenwijs. Die overnacht in het Kurhaus. Maar ik denk weer niet dat ze een trammetje naar het congresgebouw pakt. Dus moet iedereen gewoon de Randstad vermijden, dan is er tenminste plaats voor al die belangrijke mensen.
Dat vertelt dat bord mij allemaal, zonder dat ik er een speld tussen kan krijgen. Maar als hij even ademhaalt zie ik mijn kans. “Lieverd”, zeg ik (al klinkt dat nu een stuk cynischer dan daarnet), “Ik kan de Randstad helemaal niet vermijden, want ik woon hier!”
Categorie: persoonlijk
Kritiek
Ik kan heel slecht omgaan met kritiek. Dat geef ik direct toe. Ik ben zo’n type dat het iedereen naar de zin wil maken en dat is dus mislukt als je kritiek krijgt. Ik onthoud alle kritiek dus en dat schiet me dan direct te binnen als het van toepassing is. Nu ik wat ouder wordt is dat wel eens lastig. Want al die kritieken liggen opgeslagen, maar soms botsen ze ook weleens.
Sommige mensen zeggen: “Jij bent altijd zo ongezellig stil. Vertel nou eens wat over jezelf.”
Dan doe je dat en dan zijn er weer andere mensen die zeggen: “Jij praat altijd over jezelf.”
Tja. Wat moet je daar dan mee?
Ik krijg ook vaak kritiek op mijn lijn. Het is nooit goed. Ik ben te dik of te mager. Het deel daartussen bestaat uit: “Het begint er op te lijken.” Wat ook niet echt een compliment is.
En dan is er kritiek op wat ik eet natuurlijk. Dat zal iedereen met gewichtsproblemen herkennen. Tineke Beishuizen schreef er in de jaren zeventig al een leuk stukje over.
Als je niets neemt van wat er aangeboden wordt dan zeggen ze: “Ach kom, een keertje kan toch geen kwaad?” Neem je wel iets, al dan niet uit opstandigheid, dan zeggen ze: “Zou je dat nou wel doen?”
Ik kan ook slecht tegen kritiek op mij huishoudelijke talenten. Die zijn nogal wisselend namelijk. Maar als ik een slordige periode heb, vind ik dat zelf niet leuk. Goed bedoelde aanbiedingen om te komen helpen komen dan hard aan. Want dat impliceert dat ik het niet kan.
Ik was nog heel klein toen ik geen hulp meer wilde bij bepaalde dingen. Ik zei dan ernstig: “Laat mij maar tobbelen!” En dat zou ik nu ook het liefste zeggen. Het komt altijd vanzelf wel weer goed, ik kan het best. Laat mij maar tobbelen!
Als je niet tegen kritiek kunt, ben je eigenlijk heel onzeker. Want anders laat je het lekker van je afglijden. Of je geeft een verbale mep terug. Maar ik trek het me aan. Want ik wil dat iedereen me aardig vind.
Ik moet er nu wel mee leren omgaan. Want een schrijver is iemand die veel kritiek krijgt. En dat is niet altijd leuk. Gelukkig zijn er heel lieve mensen die razend enthousiast over mijn boek zijn. Hun reacties berg ik op in een speciaal vakje in mijn hoofd en daar haal ik ze uit als ik ga twijfelen.
Want er zijn ook mensen die minder positief zijn. Niet heel negatief, hoor. Dat niet. Maar ik proef wel het venijn. Men zegt dan: “Voor de liefhebbers van het genre is het een goed boek.”
Juist. Eerst trok ik me dat heel erg aan. Want het venijn zit ‘m in het niet uitspreken van de mening “het is maar een liefdesromannetje.” Ja, dat staat er dan ook met duidelijke letters op.
Later bedacht ik dat het gewoon aan het genre zelf ligt. Dat wordt nu eenmaal door de elite en iedereen die daar bij wil horen verguisd. Want lees je ooit in de recensie van een thriller: voor de liefhebber van het genre? Terwijl echt niet iedereen dol is op bloederige taferelen en de psychopathische gedachten van een moordenaar. Het is toch logisch dat je een boek beoordeelt binnen het genre?
Toen ik hier over na aan het denken was, bedacht ik me ineens nog iets. Eigenlijk is het met alle soorten kritiek hetzelfde. Want wie bepaalt eigenlijk de standaard? Is hier niet ook een elite die de eigen smaak verheft tot maatstaf? Dat kan niet. Soms is het genre nu eenmaal niet de smaak van degene die er kritiek op heeft.
Mijn gespreksstof wordt lichtelijk beperkt omdat ik niet hou van roddelen, niet van discussie en ook niet van (be)klagen. Dan blijft er misschien niet veel over, maar binnen het genre “huisvrouwenpraat” doe ik het echt niet slecht.
Dat ik mijn gewicht niet onder controle heb is niet prettig, maar ik heb geen onoverkoombare eetproblemen. Het stopt voor ik te dik wordt en ook voor ik ongezond mager wordt. Dus binnen het genre jojoër doe ik het best aardig.
Mijn huishouden valt binnen het genre Jan Steen en daarbinnen doe ik het geweldig, al zeg ik het zelf.
Op deze manier kan ik ineens best goed omgaan met kritiek. Of valt dit binnen het genre struisvogelpolitiek?
Boeiend
Het is blijkbaar een boeiend gespreksonderwerp, want het duikt keer op keer weer op. En vaak onverwachts, als ik denk dat het eindelijk niet interessant meer is, dat men het eindelijk snapt. Dan zit ik niets vermoedend een kopje koffie te drinken en over koetjes en kalfjes te praten en bam! daar is het ineens weer.
Waar dit over gaat? Over mijn lijn. Jawel. Dat is een boeiend onderwerp. Niet de lijn in het algemeen. Dat is vrij saai. Nee, mijn lijn in het bijzonder. Dat is veel boeiender.
Nu geef ik direct toe: mijn lijn zorgt wel voor afwisseling. Ik ben het prototype van de jojo. Ik schommel tussen heel slank (maat 36 bij een lengte van 1.76) en behoorlijk mollig (ooit had ik maat 48, nu stopt het meestal bij 44).
Als er een stijgende lijn in zit, komen de eerste commentaren. “Je moet wel weer een beetje gaan oppassen, hoor! Je begint toch weer aan te komen. (ik droeg een jurkje maat S en voelde me tot op dat moment nog helemaal lekker in mijn vel).
Dan komen de steelse blikken en de bezorgde opmerkingen.
“Eigenlijk moet je er nu toch echt wat aan doen.”
Na lang uitleggen, vertellen en doorpraten snapt men nu dat het niet zo gemakkelijk is als het lijkt. Er zijn nu eenmaal mensen, ik dus, die stress weg eten. Het probleem is dus niet dat ik een gezond eetpatroon moet aanleren. Dat heb ik wel, tussen de eetbuien uit frustratie door dan. Nee, ik moet leren mijn spanningen op een andere manier kwijt te raken. En dat valt niet mee. De laatste keer dacht ik dat ik de ultieme methode gevonden had. Breien. Kilometers breien. Als mijn handen bezig waren, kon ik immers niet eten. Het werkte geweldig. Maar nu leg ik mijn breiwerk gewoon aan de kant.
Wat ook niet mee helpt is dat het gesprek over mijn lijn gewoon doorgaat als ik wel slank ben. Er is een korte periode van “knap hoor!”, maar daarna wordt het “wel ongezond, zo’n crashdieet” (nee, ik eet gewoon weinig als ik de spanningen ergens anders kwijt kan) en natuurlijk eindigt het met: “Je wordt nu wel erg mager, hoor!” afgewisseld met roddels (die mij dan toevallig ter ore komen) over anorexia.
Ik word daar niet goed van! En ik vraag me ook wel eens af: ben ik verder zo ontzettend oninteressant, dat mijn kledingmaat en gewicht het enige boeiende aan mij zijn?
Opvoeden
Opvoeden is niet altijd gemakkelijk. Nou ja, eigenlijk is het gewoon altijd moeilijk. Maar ik vind het vooral moeilijk als er van die langdurige gevallen zijn. Van die “ze-moet-het-zelf-maar-voelen-dingen”, die toevallig altijd samen vallen met “anders-leert-ze-er-niets-van-situaties”.
De laatste weken staan hier wat dat betreft in het teken van fietsen en geld. U zult het misschien niet geloven, maar in anderhalve maand tijd zijn hier twee fietsen gestolen. Dat is erg, zult u zeggen. Ja. Maar wat nog veel erger is: beide fietsen stonden niet op slot.
De eerste fiets werd geparkeerd bij het metrostation. Deze dochter dacht er twee haltes verder pas aan dat die fiets niet op slot stond. En vond het vervolgens te lastig om terug te gaan. Na een hele dag was die fiets dus weg.
Toen wij trouwden hadden we heel duidelijke ideeën over de opvoeding. Wij zouden onze kinderen nooit straffen. Dat klinkt erg soft, maar dat is het niet. Wij gingen er vanuit dat een domme fout of een foute actie gevolgd moet worden door bijpassende consequenties. Zonder eten naar bed is dus nooit een goede straf en een week niet computeren alleen als die verslaving de oorzaak is van lage cijfers of zoiets. Natuurlijk is de praktijk lastiger dan de theorie en zullen wij heus wel eens buiten onze eigen maatstaven gestraft hebben, maar dat is in ieder geval het uitgangspunt.
Een door je eigen schuld gestolen fiets heeft dus de consequentie dat je zelf een nieuwe moet kopen. Naar school lopen is geen optie namelijk, tien kilometer is een beetje ver. En het openbaar vervoer is zo duur dat je een nieuwe fiets er zo uit hebt.
Dus ging ik op zoek naar een fiets binnen het niet zo ruime budget van deze dochter. En vond er een bij de fietsendiscounter. Daar moet je trouwens ook even zoeken naar de echt betaalbare fietsen, maar ze zijn er wel. Probleem opgelost.
Alleen had ik niet het gevoel dat ze er echt iets van leerde. Deze fiets had geen versnellingen, maar ze fietst er toch heel aardig op. Haar spaarrekening was leeg, maar dat deerde haar blijkbaar niet zo heel erg. Tot de afgelopen week.
Het begint langzaam wat beter weer te worden en dat heeft in dat vrouwenhuishouden hier altijd direct een enorme winkeldrang tot gevolg. Ook bij de dochter met de nieuwe fiets. Maar die heeft nu dus bijna geen geld meer over. En dat begint eindelijk door te dringen.
Er wordt hier heftig gemopperd, gezucht en geklaagd. Dan zou je denken dat ik tevreden opvoedkundig glimlach als ze dat doet, maar als ik heel eerlijk ben, vind ik het ontzettend zielig! Ik zit voortdurend te piekeren of we niet te zwaar gestraft, oh nee, opgevoed hebben en hoe ik haar stiekem een beetje kan matsen om het leed te verzachten. Of moet ik dat toch maar niet doen? Ik vind het echt heel erg lastig.
En dan zijn we er nog niet. Want ik schreef het al aan het begin van dit stukje: dit verhaal gaat over twee fietsen.
Drie weken na het eerste fietsendrama belde een andere dochter. Of ik haar van het werk kon komen halen. Fiets weg. Vergeten op slot te zetten. En dat nog wel nadat ze haar zusje had lopen uitschelden omdat ze het zo ontzettend stom vond. Dat was dus eigenlijk ook al een toepasselijke straf, maar ook deze dochter moest zelf een nieuwe kopen. En ook deze dochter deed dat fluitend. Ze had een wat ruimer budget en kon er zelfs één in haar lievelingskleur uitzoeken.
Alweer bij de fietsendiscounter, waar ik overigens tot mijn verbazing ook iemand zonder klagen een behoorlijk hoog bedrag zag afrekenen. Voor sommige mensen is het idee dat ze goedkoop uit zijn blijkbaar genoeg en daar maken dat soort zaken (begrijpelijk!) dankbaar gebruik van. Maar dat terzijde.
Deze dochter is dus eigenlijk heel tevreden met haar nieuwe fiets. En nu vraag ik me dus af of ze hier wel van geleerd heeft. Voelt ze het wel genoeg? Was dit niet erg pedagogisch verantwoord maar zonder resultaten? Zet ze haar fiets nu wel op slot?
Maar aan de andere kant zie ik er ook niet echt naar uit dat het straks tot haar doordringt dat die domme actie er voor gezorgd heeft dat ze haar bankrekening heeft moeten leeghalen.
Want raad eens wie dat straks het hardste voelt? Nee, opvoeden is echt niet gemakkelijk!
Rommeltje
Ik moet van alles vandaag, maar ik zit met mijn hoofd heel ergens anders. Ik moet een telefoontje plegen, een paar boeken versturen, naar een prijsuitreiking voor de krant en ook nog even mee naar de stad met één van de dochters. Die werkt bij een modezaak en heeft wat dingen apart laten hangen. Het is natuurlijk wel heel lief dat ze nog steeds mijn mening wil, maar het komt zo lastig uit.
Want behalve dat ik het dus best druk heb, zit ik met mijn hoofd bij een nieuw boek. Ik was er al mee bezig, maar liep vast toen de presentatie dichterbij kwam. Logisch, een mens kan niet alles tegelijk. Dus richtte ik me op mijn presentatie en op Tamara en Hugo uit “Huis vol verleden”. Mijn eerste boek ging de wijde wereld in. Tijdens de presentatie verkocht ik er al tientallen en verder is het afwachten wat men ervan vindt. Erg spannend. Sofie, de hoofdpersoon uit mijn nieuwe verhaal, verdween dus de afgelopen weken naar de achtergrond.
Maar nog geen dag na de presentatie dook ze alweer op en nu zit ik weer tot over mijn oren in haar problemen. Het wordt een heel ander verhaal, maar dat maakt het juist boeiend. Ook schrijf ik dit verhaal op een heel andere manier. Waar ik bij Huis vol verleden gewoon bij het begin begon en aan één stuk doorschreef, heb ik nu een situatie in mijn hoofd die iedere keer om net iets inleiding vraagt. Dus ben ik nu voor de derde keer het begin aan het herschrijven. Leuk, maar ook lastig.
Daarnaast opperde mijn gezin dat ik op basis van mijn eerste boek wel een trilogie kon schrijven, met als tweede en derde deel Huis vol heden en Huis vol toekomst. Het was een grapje, maar eigenlijk is het niet eens zo’n slecht idee. Dus duiken nu ook Tamara en Hugo, die ik een heerlijk happy end gegeven had, weer op in mijn hoofd. En ineens blijkt er over hen toch ook nog meer te vertellen te zijn. Heel fijn, maar ik zit nog met Sofie. Die wil niet nog eens aan de kant geschoven worden en komt voor haar rechten op. Dat verhaal moet er dus nu uit. Ongeacht opdrachten voor de krant, boeken die verstuurd moeten worden, telefoontjes en kledingaankopen dus.
Ik vraag me weleens af of het in het hoofd van iedere schrijver zo’n rommeltje is…
Gastblog op Trouw Schrijf! – Het einde van het begin
Toen ik na mijn boekpresentatie, afgelopen woensdag, thuis kwam, besefte ik ineens dat het nu voorbij was. Alles waar ik in die twee jaar naar toegeleefd had, de mededeling dat mijn boek werd uitgegeven, het proces van redigeren en vormgeven, de eerste keer dat je je eigen boek tastbaar in handen hebt, en de presentatie ervan aan het publiek. Voorbij. Alsof er een periode afgesloten wordt. Dit komt nooit meer terug.
Natuurlijk is het niet echt voorbij. Eigenlijk breekt nu de spannendste periode aan. Wordt mijn boek ook echt verkocht? Vinden mensen het een goed, leuk, mooi boek?
Een goed begin is het halve werk, zegt men. Dit was het begin en ik hoop maar dat het goed was. Aan de presentatie zal het niet liggen. Er waren een stuk of veertig mensen, die allemaal erg positief waren. Over mijn lezing, maar ook over de fragmenten die ik voorlas. Dat bleek in ieder geval uit het feit dat er heel wat boeken verkocht zijn die avond.
Tot mijn grote verbazing vond ik het ook ontzettend leuk om te doen. Zo’n lezing geeft je de mogelijkheid om direct de reacties van de lezers te peilen. Schrijven is een eenzaam beroep. Je weet nooit zeker of mensen dingen opvatten zoals jij dat bedoelde. Het geeft echt een enorme kick als er gelachen wordt om stukjes die je zelf erg grappig vind.
Na lang twijfelen heb ik er voor gekozen om mijn lezing toch maar op papier uit te werken. Ik kan tenslotte best goed schrijven, dus dan zou het op die manier in ieder geval niet aan de tekst liggen. Ik zocht op internet naar de gemiddelde spreeksnelheid en kwam ergens tegen dat je bij een toespraak of lezing ongeveer op 140 woorden per minuut uitkomt. Een kleine rekensom leerde me dat ik dus 4200 woorden moest schrijven. Dat is nog wel te doen.
Ik besloot toch het thema van de boekenweek maar als uitgangspunt te nemen. Dat was een beetje lastig, want er komt helemaal geen dier in mijn boek voor. Er staat alleen ergens dat de hoofdpersoon een late wandelaar ziet, maar denkt dat het iemand is die zijn hond uitlaat. Tot ze ziet dat de man helemaal geen hond bij zich heeft.
Dat stukje heb ik toch maar voorgelezen, want het is wel een vrij spannend stukje. Al brainstormend kwam ik er wel achter dat ik als tiener ooit de derde prijs in een gedichtenwedstrijd gewonnen had,
met een gedichtje over een mus. Tjielp, tjielp! Dat heb ik er dus ook in verwerkt. En stapte vervolgens over naar mijn allereerste pogingen om schrijfsels te verkopen. Dat was een column, maar het ging wel over onze kat. En vandaar uit kon ik toch de ontwikkeling van mijn “beginnend schrijverschap” (dat was wat de bibliotheek als onderwerp van mijn lezing naar buiten gebracht had) verder uitwerken,
tot ik belandde bij de manier waarop mijn boek tot stand kwam. Weer voelde ik het contact met het publiek, toen ik een fragment voorlas, dat één van de onderliggende verhaallijnen illustreerde. Mijn hoofdpersoon had zo’n avontuurlijk leven geleid, dat ze helemaal niets van het huishouden wist. Dus toen ze vrij onverwacht een huwelijk met haar jeugdliefde inrolde, moest ze alles nog leren, tot aan koffiezetten toe. Er werd een beetje verwachtingsvol gegniffeld toen ze zes schepjes in het apparaat deed, om zes kleine kopjes te zetten. En er werd gegrinnikt toen ze vertwijfeld vroeg: “Waarom maken ze die schepjes dan zo groot?” (Dat heb ik me ook altijd afgevraagd, zelfs mijn man en ik, die hele sterke koffie drinken, krijgen het niet weg met 1 schep per kopje).
En ook het tweede fragment, waarin we kennismaken met de rare gedachtenkronkels van de moeder van de overleden vrouw van de mannelijke hoofdpersoon, riep reacties op. Toen deze mevrouw de nieuwe moeder van haar kleinkinderen een volledig uitgewerkt huishoudschema in haar handen drukte, met de mededeling dat ze iedere dag zou komen controleren, hoorde ik verontwaardige geluiden uit het publiek komen.
Dat is zo leuk! Als je zelf je teksten al een keer of tien hebt doorgewerkt op zoek naar spel- en stijlfouten, en vervolgens die fragmenten een keer of acht hardop hebt voorgelezen (om te oefenen voor de lezing), dan worden het losse woorden, in plaats van een verhaal. Tenminste, dat gevoel had ik een beetje. De emotie en de spanning verdwenen en het werd een technisch geheel. Dat is jammer. Maar misschien hoort het ook wel bij het proces. Het wordt tijd om het los te laten. Dit boek is nu van het publiek en niet meer van mij.
Dit is het einde van het begin.
Fifteen minutes…
Wat doet een normaal mens als zij zenuwachtig is voor haar allereerste lezing? Geen idee. Ik heb dan ook nooit beweerd dat ik een normaal mens ben. Mij kon je die dag in de keuken vinden, waar ik brownies, een cake en een boterkoek gebakken heb. En een grote puinhoop in de keuken maakte, die ik natuurlijk ook weer braaf heb opgeruimd. Toen was de dag voor meer dan de helft om en dat was nou net de bedoeling.
Natuurlijk heb ik ook nog mijn lezing een keer helemaal hardop doorgewerkt. Maar toen was ik het zelf al zo zat, dat ik even geneigd was het hele ding te deleten en opnieuw te beginnen. Toch maar niet gedaan, want dat had ik nooit meer gered.
Om kwart over zeven liep ik, met gezin, aarzelend de bibliotheek binnen. Er stonden al rijen stoelen klaar en het duurde even voor het tot me doordrong dat die straks vol zouden zitten met mensen die kwamen om naar mij te luisteren. Ik haalde nog maar eens een paar keer diep adem en besloot het maar gewoon over me heen te laten komen. Tenslotte had ik hier zelf voor gekozen. Ik wilde dit in ieder geval één keer meegemaakt hebben. Was het niets, of kon ik het echt niet, dan zou ik het nooit meer doen. Maar er zijn zoveel schrijvers die regelmatig lezingen geven, dat ik toch het idee had, dat het er een beetje bij hoorde.
Ik had mijn grote voorbeeld, Maria Oomkens, er van te voren nog even bijgehaald. In haar boek “Klein beginnen” vertelt ze over haar lezingen en alles wat daar bij komt kijken. Ergens aan het begin schrijft ze: “Als je van nature een zenuwachtig type bent, moet je niet aan dit soort dingen beginnen.” Ja, dat was nou net niet wat ik nodig had…
Hoewel, ben ik wel een zenuwachtig type? Valt eigenlijk wel mee. Want anders kun je natuurlijk niet zoveel jaren voor een krant werken. Ik moet altijd heel even acclimatiseren, maar dan red ik me over het algemeen prima.
Nee, bij nader inzien sloeg dat niet op mij. Hoopte ik. Alle twijfels die ik de weken ervoor gehad had, spookten dat eerste kwartier door mijn hoofd. Maar ja, ik kon echt niet meer terug…
Toen eenmaal de eerste gasten kwamen binnendruppelen, ontspande ik. Het was een raar gevoel om al die mensen te begroeten en met hen te praten. Iedereen was vol verwachting. En ook vol begrip voor mijn eventuele zenuwen. Dat was wel fijn.
De dames van de boekhandel kwamen ook binnen en voor het eerst zag ik stapels van mijn eigen boek liggen. Ook weer zo’n onwerkelijk gevoel.
Na een gezellig halfuurtje was het tijd om te beginnen. Ik kreeg het nu toch wel heel benauwd, maar luisterde zo rustig mogelijk naar de inleiding van Hettie Kolijn (de manager van de bibliotheek). En toen was het mijn beurt. Natuurlijk stond de microfoon niet goed, dus moet ik na een paar zinnen stoppen om hem hoger te zetten. Dat hielp ook niet erg tegen de zenuwen en dat zei ik dus ook. Er werd gelachen en ineens voelde ik dat contact met de zaal waar ik over gehoord had. Na een klein stukje lezen, merkte ik dat ik te snel ging. Ik nam een slokje water en schakelde een versnelling lager. En vanaf dat moment ging het eigenlijk gewoon lekker. Het is bijna niet uit te leggen hoe het voelt als mensen lachen om iets dat je zelf erg grappig vind. Schrijven is een eenzaam vak, je ziet en hoort maar heel weinig reactie op wat je doet. Als er dan zo’n hele groep mensen reageert zoals je hoopt dat er gereageerd zal worden… geweldig is dat!
Voor ik het wist was ik er doorheen. Ik overhandigde de bibliotheek zes exemplaren van mijn boek (voor elke vestiging één) en toen mocht ik nog een lootje trekken uit een hoge hoed. De mensen hadden bij binnenkomst een briefje gehad, met de voorkant van mijn boek en een nummer erop en één van hen won mijn boek. Laat dat nu net een collega van de krant en een neerlandicus zijn! Hij beloofde me een recensie en ik weet eigenlijk niet of ik daar blij mee moet zijn. Toen we aankwamen bij de bibliotheek zagen we grote portretten hangen van Midas Dekkers en Tim Krabbé en ik had al tegen mijn man gezegd dat ik met die jongens natuurlijk niet kon concurreren. Waarop hij antwoordde dat dat ook niet hoefde. En dat is ook zo.
Mijn uitgever hield nog een praatje en vertelde me dat ik een fout gemaakt had. Ik had namelijk beweerd dat er geen dieren in mijn boek voorkwamen, wat wel jammer was vanwege het thema van de boekenweek, die ik geacht werd te openen. Hij zei dat er wel degelijk een dier in mijn eerste manuscript voorkwam. Hij had dat manuscript namelijk zitten lezen tijdens zijn vakantie in Griekenland en toen de mug, die irritant om zijn hoofd zoemde op de bladzijden ging zitten, had hij het snel dichtgeslagen. En zo zat er in dat manuscript wel degelijk een dier… Van hem kreeg ik behalve een bos bloemen ook een vergrote en ingelijste afdruk van de omslag van mijn boek. Heel leuk om te hebben!
Ja, en toen was het spannendste gedeelte van de avond voorbij en was het tijd om boeken te signeren. Dat valt niet mee als je handen nog natrillen, maar het lukte. Ik heb er heel veel getekend, want mijn voormalige bazen waren er en zij besloten ter plekke om mijn boek weg te geven aan al mijn ex-collega’s! En of ik dan dus ook maar even vijfentwintig keer mijn handtekening wilde zetten. Dat kostte even tijd, maar leuk vond ik het wel.
Ook de meeste andere aanwezigen kochten mijn boek. Alweer zo’n rare gewaarwording, als je ziet dat mensen geld uitgeven om jouw hersenkronkels te lezen! Er werd nog wat nageborreld en langzaam vertrokken alle aanwezigen weer. We sjouwden drie bossen bloemen, een schattig vaasje en een grote plantenbak naar de auto en ik had de dochters dringend nodig als pakezel, want ik moest ook die ingelijste omslag en een doos met boeken meenemen. Van de afleid-koek was weinig over, dat scheelde dan weer.
En dat was het eind van mijn “fifteen minutes (nou ja, iets meer) of fame”.
Nu is het afwachten wat mensen ervan vinden. Dat is enorm spannend. Maar daar ga ik lekker niet aan denken. Ik ga eerst maar eens heerlijk ontspannen, een uitgebreide voorjaarsschoonmaak houden en dan… op naar het volgende boek!
Foto's boekpresentatie
Bulldozer
De dochters lachen me uit. Want het is natuurlijk heel grappig als je moeder precies datgene doet, waar ze jou altijd voor op de kop geeft.
Ik bulldozer. Ja, dat is een werkwoord. Wie dat niet kent, heeft vast geen pubers meer. Bulldozeren betekent werk voor je uitschuiven. En dat is niet slim, want dan moet je vlak voor de toetsweek ineens nog heel veel oefeningen maken. Of de dag voor de inleverdatum toch nog best veel aan je werkstuk doen. Of na een week vakantie de hele zondag wiskundesommen doen. U snapt het, bulldozeren dus.
Ik weet al een week of zes dat ik een lezing over mijn boek moet houden. Dat was ruim op tijd. En ik heb er ook echt wel over nagedacht, hoor. Ik heb ook een hele tijd gedacht dat ik niets wilde voorbereiden. Ja, dat was een goede smoes, niet waar? Ik dacht, ik doe het gewoon spontaan en ik zie wel waar het schip strandt. Maar na wat ervaringen met microfoons en camera’s, waar ik elke keer spontaan en totaal dichtklapte, begon ik te beseffen dat er een grote kans was dat het schip al zou stranden voor het de haven uit was. Toch maar wat op papier zetten dan?
En toen bleek dat helemaal niet zo gemakkelijk te gaan als ik verwacht had. Ik heb ergens op internet gevonden dat een mens gemiddeld 140 woorden per minuut spreekt, dus voor 30 minuten moet ik er 4200 hebben. Nou schud ik dat meestal gewoon uit mijn mouw. Ik verzin een onderwerp en klets een paar A4-tjes vol. Het is veel lastiger om me te beperken tot weinig woorden.
Maar toen ik mijn eerste versie door las, zag ik dat schrijven en praten toch twee verschillende dingen zijn. Want ik schrijf met veel bijzinnen en kronkels en zet ook wel eens opmerkingen tussen haakjes. Geen probleem op papier, maar als je het opleest, klinkt het belachelijk en saai. Dus moest ik helemaal overnieuw beginnen. En toen nog een keer. En nu heb ik wel wat op papier staan, maar dat moet ik nog wel hardop oefenen. Ook zoiets geks, tegen jezelf zitten praten. Maar het moet, want dan heb ik nog tijd om dingen te veranderen, die toch niet goed klinken.
Ik ga het dus straks doen. Eerst wil ik nog brownies bakken en vierkantjes haken en mijn nieuwe dvd kijken en boodschappen doen en …
Weet iemand waar ik mijn bulldozer kan parkeren?
Gastblog op Trouw Schrijf! – En dan wil je natuurlijk ook nog gelezen worden
Toen bij mij de eerste feestvreugde over de aankondiging dat mijn boek zou worden uitgegeven was gezakt, begon ik langzaam te beseffen dat dit nog maar het begin was.
Dat je verhaal gedrukt wordt is één ding, maar het zou ook leuk zijn als het gelezen wordt. Omdat ik bij een reguliere uitgever zit, ben ik niet verplicht om aan promotie te doen. Er zijn PODuitgevers waar je tientallen emailadressen in moet leveren of zelf bij de boekhandels moet gaan leuren. Dat wordt voor mij allemaal geregeld. Ik had ervoor kunnen kiezen om gewoon verder te leven en af te wachten. Het zou vanzelf wel bij boekhandels en bibliotheken terecht komen.
Ik ging me echter via fora en hyves een beetje verdiepen in het schrijversgebeuren en zag dat de meeste mensen toch wat voortvarender te werk gaan. Om gelezen te worden is het ook handig als mensen je naam herkennen. Gedeeltelijk had ik op dat gebied al wat openingen. Want ik was al vrij actief in het reageren (onder mijn echte naam) op de site van een groot damesblad. En ik schrijf natuurlijk ook onder mijn eigen naam in het streekkrantje.
Toch besloot ik er iets meer aan te doen. Ik zette mijn internetsite onder een eigen en dus herkenbare domeinnaam (www.geertrude.nl), verhuisde mijn weblog naar een even herkenbare naam (geertrude.blogspot.com) en werd lid van hyves.
Dat was toch wel even anders dan het anonieme bloggen dat ik al (met onderbrekingen) sinds 2001 deed. Ik besefte ineens dat het zomaar zou kunnen dat mijn site door honderden onbekenden gelezen zou worden. Gelukkig had ik al eerder (door schade en schande) geleerd niet te veel echt persoonlijke dingen op internet te zetten. Ik vertel wel veel over mijn priveleven en ik denk dat mensen ook het gevoel hebben dat ze me echt kennen. Maar ik zal het nooit (meer) heel uitgebreid gaan vertellen als ik even een dipje heb. Dan ga ik juist op zoek naar een gezelliger onderwerp om over te schrijven, of een leuk onderwerp voor de doordeweekse foto.
Op het schrijversforum las ik ook over het houden van een boekpresentatie. Hoewel je dat meer moet beschouwen als een gezellige bijeenkomst met vrienden en familie om het uitkomen van je boek te vieren, vestigt het wel weer even de aandacht op de schrijver en zijn boek.
Dus trok ik de stoute schoenen aan en ging met mijn bladzijde uit de fondslijst naar de bibliotheek. In ons dorp worden alle schrijversbezoeken geregeld door de bibliotheek, in samenwerking met de plaatselijke boekhandel. Bovendien kende ik de mensen in de bibliotheek goed, omdat ik daar heel regelmatig kom om boeken te lenen.
Na wat geschuif met datums vroegen ze me of ik het uitkomen van mijn boek nog iets langer kon uitstellen. Ze wilden me namelijk wel graag hebben als activiteit om de boekenweek te openen. Dat vond ik natuurlijk een hele eer! Ik moest dan wel een lezing houden, zodat het ook voor buitenstaanders interessant zou zijn. Oh… ach, dat kan ik wel. Dacht ik toen opgewekt, want het duurde immers nog twee maanden voor het zover zou zijn.
Terwijl ik het besef dat ik een half uur voor publiek zou moeten praten voor me uit schoof, regelde ik de dingen die nodig waren. De bibliotheek maakte een persbericht en ik stuurde uitnodigingen naar al mijn familie, vrienden en kennissen. Ik vroeg mijn redactie of ze er aandacht aan wilden besteden en
die stemden grif toe. De persberichten werden uitgebreid geplaatst en er kwam een interview van een halve pagina.
Dat laatste was heel raar. Ik doe zelf regelmatig interviews, maar dan draait het gesprek altijd om de andere persoon. Dat is gemakkelijk. Ik laat hen praten en klets als het nodig is gezellig mee, om het gesprek op gang te houden. Meestal is het erg gezellig. Maar nu zat ik dus aan de andere kant van het schrijfblok. Dat was wel even wennen. Ik was na afloop ontzettend bang dat ik er heel domme dingen had uitgeflapt, maar het eindresultaat viel honderd procent mee en het roept toch een hoop reacties op bij mensen die ineens de link leggen tussen mijn naam onder de stukjes en het interview.
Nu die lezing nog. Aanstaande woensdag. Wat ik wil zeggen begint eindelijk een beetje vorm te krijgen in mijn hoofd. Maar er staat nog geen zinnig woord op papier. Ik moet dus dringend aan het werk. Werk, ja. Zo voelt het nu wel een beetje. Gezellig rommelen met woorden tot er een verhaal uitrolt is ineens niet zo vanzelfsprekend meer. Men noemt mij nu schrijfster en ik plak daar vooral zelf verhoogde verwachtingen aan vast. Ik heb geen idee hoe ik daar in de toekomst mee om zal gaan eigenlijk. Maar daar ga ik nog even niet over nadenken.
Eerst die lezing…

