Geertrude blogt

Menu
  • Contact
  • Over mij
  • Privacy
Menu

Categorie: persoonlijk

Hok van het slot

Geplaatst op 05/03/2009 door Geertrude Verweij

Vier maart: Boekpresentatie Wieke Biesheuvel. Het stond al een paar weken in mijn agenda en ik had er echt zin in. Zomaar persoonlijk uitgenodigd worden door iemand die zeer hoog op mijn lijstje Grote Schrijf Voorbeelden staat, was echt een geweldige verrassing.

De dag begon chaotisch. Dus eigenlijk volkomen normaal. Het was alleen jammer dat ik van te voren bedacht had dat ik van iedere minuut wilde gaan genieten. Zo vaak ga ik niet in mijn eentje een hele dag op stap. Ik wilde dus heel rustig de dag beginnen, zonder stress. Dat lukte totdat echtgenoot ontdekte dat hij een dubbele afspraak had gemaakt en eigenlijk een kwartier geleden al weg had moeten gaan. Terwijl hij heen en weer rende voor zijn laptop, telefoon en aanverwanten, liet een dochter een glas kapot vallen.
Ik zag niet hoe het gebeurde, maar een van de andere dochters zei later: “Tja, ik zou dat glas ook hebben laten vallen als ik mijn bord met dat glas erop op één hand liet balanceren en ondertussen de kat ging aaien.”
Ja, ik ook. Het was een goedkoop glas, dus erg was het niet. Alleen hebben goedkope glazen de neiging heel erg te splinteren. Dus moest de stofzuiger er aan te pas komen.
Toen ik meteen de hele huiskamer en de keuken maar even (met de franse slag) gezogen had, was ik niet geheel kalm meer. En ik had ook nog een glassplinter in mijn duim. Dus besloot ik maar weg te gaan voor er nog meer gebeurde.

Omdat ik zelden meer met de trein reis, wist ik niet zeker hoe lang ik erover zou doen om een kaartje te kopen en het juiste perron te vinden. Ik was ook nog nooit op station Nieuwerkerk geweest. Anders had ik wel geweten dat daar maar twee perrons zijn en keurige automaten die ook pinpassen aanneemt (en niet zoals mijn dochters beweerden alleen muntgeld).
Ik was dus zo vroeg dat ik een trein eerder kon nemen dan de trein die eigenlijk ook al een trein eerder was. Of om het duidelijker te zeggen: ik was om tien uur al in Amsterdam, terwijl ik daar om elf uur afgesproken had met een paar dames die ik ken van de Libellewebsite en Hyves.
“Mama heeft een forummeet” lachten de dochters, die dat soort ontmoetingen vaak hebben. Maar als je moeder zoiets doet is het ineens gek.
Ik liep dus om tien uur in het Centraal Station en besloot eerst maar een broodje te kopen. Want ik had wel een bakje yoghurt op, maar ik kreeg al weer trek. En ik wilde de dag niet bederven door lage bloedsuikerklachten. Ik kocht een broodje oude kaas en kreeg daar gratis een klodder mosterd bij. Niet lekker. Maar het vulde wel.

Daarna wandelde ik op mijn gemak in de richting van het hotel waar we elkaar zouden ontmoeten. Toen ik mijn telefoon pakte om te kijken hoe laat het was, zag ik dat Hermien me al gesmst had. Ik had wel zo’n piepje gehoord in de trein en ik dacht nog: “Wat gek, die man tegenover me kijkt niet eens wat voor berichtje hij krijgt.”. Maar het was dus niet tot me doorgedrongen dat het mijn eigen piepje was geweest.
Ik smste terug dat ik er al was en kreeg bericht dat zij ook bijna aankwam. Daarom besloot ik alvast in de serre van het hotel te gaan zitten. Ik vertelde de man bij de ingang dat ik had afgesproken met vier andere dames en dat ik dus graag een grote tafel wilde inpikken. Dat was geen probleem. Ik bestelde alvast een kopje thee en wachtte daarna op het binnendruppelen van de andere dames. Wat de beste man gedacht heeft, weet ik niet, maar hij vroeg keurig aan iedere nieuwe binnenkomer wat ze wilde drinken en serveerde dat even keurig. En ondertussen werd het gekakel steeds erger, Want vijf dames die elkaar half kennen, die kunnen er wat van. Natuurlijk hadden we het over Libelle, en verder over lijnen, schrijven en nog veel meer. Meer dan genoeg gespreksstof.

Na een uurtje besloten we maar eens op te stappen. Op aanraden van Wieke wilden we de Negen Straatjes in de Jordaan bekijken. Hermien had een kaartje uitgeprint en we besloten heel doelgericht de grachten over te steken en dan was “daar ergens de Jordaan en dus ook die straatjes”.
Al kletsend liepen we in een straf tempo (of mijn conditie is gewoon slechter dan die van de rest, wat mij het schaamrood op de kaken brengt, want ik was veruit de jongste en ik hield het slechter vol dan Monica die een knieblessure heeft) over de grachten. Hier en daar wierpen we een blik in een grappige etalage. Doreth zag een ontzettend leuke tas (we hebben expres niet naar de prijs gekeken) en ik constateerde tot mijn spijt dat men wist wat die leuke pastelkleurige kopjes uit de jaren zestig waard waren. Dus kocht ik ze niet, want mijn budget is alleen berekend op gelukkige vondsten.

We babbelden en wandelden en babbelden en wandelden en vonden de Jordaan eigenlijk wel tegenvallen. We zagen geen leuke winkeltjes meer en de geveltjes waren ineens ook minder leuk. We tuurden op het kaartje, maar daar werden we niet wijzer van. Uiteindelijk hield ik een mevrouw met twee zoontjes aan en vroeg of zij wist waar de toeristische straatjes waren. En een eetgelegenheid, want inmiddels waren we allemaal toe aan een lunch. De mevrouw wist het gelukkig. We waren de Jordaan inmiddels bijna helemaal door.
Het oudste jongetje wees naar de overkant van de gracht waar we op uitkeken.
“Daar is het geen Jordaan meer, hier nog wel.”
Gelukkig hoefden we alleen maar rechtsaf en dan de tweede brug links en daar zou het weer echt Jordaan worden. En warempel: na de tweede brug links zagen we ineens weer winkels en uithangborden. En, vooral tot grote vreugde van Doreth, een restaurantje waar we konden lunchen. Ondanks ons gesprek over Sonja en het kies-bewust-label, kozen drie van de vijf dames voor een BLTC-sandwich. Dat is dus bacon, sla, tomaat en kip. Als er bacon op zit, ben ik verkocht. Daarvoor kies ik dan weer bewust. Al had ik daar later op de dag ineens een heel ander gevoel bij. Want je wil er natuurlijk niet opgewezen worden, waar die bacon vandaan komt. Zo jammer dat dat spul niet gewoon aan een boom groeit!

Het smaakte in ieder geval heerlijk. De ham van de andere dames was ook lekker en natuurlijk werd er gezellig gekletst. Er waren geen andere gasten, dus dat kon vrijuit. Al zal het personeel zich wel stiekem afgevraagd hebben wat het verband tussen ons vijven waren. We hadden het over kinderen met het Down-syndroom, over Shanghai, over kinderboeken en romans, over cabaretiers en kinderen en over van alles. Ik probeerde een paar foto’s te maken, maar dat lukte niet erg. En voor ik bedacht had even iemand te vragen om een groepsfoto te maken, stonden we al weer op straat. Ik heb wel één leuke foto van Hermien en Doreth. Kletsend natuurlijk.
We vertrouwden deze keer maar niet op het kaartje en vroegen aan de serveerster waar we de tram naar Artis konden vinden. Dan moesten we naar het Damrak. Ongeveer de zelfde weg terug als we gekomen waren. Toen we weer langs de leuke tas en de dure kopjes liepen, viel ons ineens het straatnaambordje op. Onder de straatnaam (waar ik nu even niet op kan komen) stond: de negen straatjes. We waren dus al kletsend vrolijk de negen straatjes doorgewandeld! Geen wonder dat we ze, toen we er naar op zoek gingen, niet meer konden vinden!

Het tramstation was gemakkelijker te vinden, gelukkig. Toen lijn 9 stopte, vroeg Olga aan de chauffeur of hij naar Artis ging.
“Nee,” antwoordde deze grapjas, “ik moet werken.”
Maar hij kwam er wel langs, zei hij, dus stapten we in. Ook in de tram vielen we op door ons onafgebroken gebabbel. Mensen wierpen ons en elkaar van die verbaasde en lichtelijk geamuseerde blikken toe. Een aardige meneer waarschuwde ons gelukkig dat we bij de halte van Artis waren, want anders waren we al kletsend rustig heel Amsterdam doorgetramd.
Wij vroegen deze aardige meneer ook nog even waar Artis dan precies was en hij was zelfs zo aardig om niet hard te lachen toen hij naar het enorme bord “Welkom in Artis” wees. Oh. Daar dus.
Bij de kassa kregen we te horen dat we in een ander gebouw moesten zijn en bij het andere gebouw waren we een half uur te vroeg. Dus doken we voor de verandering maar een cafeetje in. Waar we koffie en thee bestelden en nog steeds niet zonder gespreksstof zaten.
Even na vieren mochten we de zaal in, waar ik Wieke voor het eerst in levende lijve ontmoette. Dat was ontzettend leuk en helemaal niet zo eng als ik dacht, want ze is in het echt net zo leuk als in haar columns en boeken. We hadden allemaal een cadeautje meegebracht, dus het arme mens moest niet alleen vijf babbelende dames begroeten, maar ook nog eens proberen om vijf pakjes aan te pakken. Op dat moment bedacht ik dat ik geen kaartje of briefje bij mijn cadeautje gedaan had. Heel bijdehand. Het anonieme cadeautje was dus van mij, Wieke…

Omdat Wieke natuurlijk meer gasten had, gingen we op zoek naar andere bekende gezichten. En raakten aan de praat met Merel, die mij kent van mijn vrij schaarse reacties op haar Gesprek van de Dag, terwijl ik haar al jaren ken van haar weblog. Dat blijft een heel rare gewaarwording, maar gezellig was het wel. Ondertussen maakten we ook kennis met Els die ik stiekem ook al jaren ken via haar weblog, maar bij beide dames ben ik een zogenaamde lurker. Ik reageer dus eigenlijk nooit. Dat voelde nu ineens een beetje fout…
Ebru heb ik ook begroet, maar bij haar ging geen lampje branden bij mijn naam. Misschien had ik vorige week toch even moeten vertellen hoe vaak ik mijn beha’s in de was gooi. Maar ik vond dat een beetje een genant onderwerp. Ik maakte ook eindelijk kennis met Xandra en met haar was het groepje Libelle-gesprek-dames compleet. Hermien sloeg aan het filmen en ik sloeg dicht toen ik spontaan iets moest zeggen (sorry Rebecca en Luz!). Toen werd er geroepen dat we een plekje moesten gaan zoeken. In het gangpad liep ik bijna tegen Tineke Beishuizen op. Ik had de neiging om spontaan te zeggen: “Hallo Tineke, wat leuk om je te zien!”, maar bedacht ineens dat zij mij natuurlijk helemaal niet kende, dus klapte ik snel mijn mond weer dicht. Toen ik dat later tegen haar zei, moest ze lachen. Het overkomt haar regelmatig en ze vind het niet erg.
“Het hoort erbij”, zei ze nuchter.

De presentatie begon en ik nam me voor de kunst goed af te kijken. Want volgende week moet ik. Alleen was Wiekes toespraak geen lezing en dus vrij kort. Ik kan echter wel een voorbeeld nemen aan Dennis Kennedy. Eigenijk zou Dafne Westerhof komen. Zij is de eigenaresse van Het Beloofde Varkensland, waaraan Wieke in haar boek een lang hoofdstuk gewijd heeft. Maar vanwege een ziek kalfje, kon ze niet mee. Ik las daarnet op haar website dat Obama (zo heette het zwarte bizonkalfje) helaas overleden is.
Dennis kon echter prima de boodschap overbrengen. Zo prima zelfs, dat zijn toespraak iets langer uitviel dan gepland. Toen hij klaar was, stond hij gespreksleidster Ciska Dresselhuys toe om de geplande discussie met het panel te beginnen. Naast Dennis en Wieke zaten Marjo Hoedemaker, hoofd dierenverzorging van dierenpark Amersfoort en een meneer van het ministerie van Landbouw (maar zijn naam staat niet op de uitnodiging en ik was er niet als verslaggeefster, dus ik heb het niet opgeschreven) in het panel.
Het gesprek ging onder andere over dierenactivisme en hoe ver je gaat met het medisch behandelen van een dier. Ik zat vrij vooraan en moest erge moeite doen om me niet in het gesprek te mengen. Tenminste, zo voelde het, maar ik denk dat ik een spontane blackout gekregen zou hebben als ik ineens mee had mogen praten. Er is iets met een microfoon en een cameralens dat me volledig blokkeert. Daar zal ik toch doorheen moeten, volgende week.
Zonder lens en microfoon gaat het echter prima en dus vermaakte ik me daarna weer best. We kletsten, dronken en snackten. En we kletsten. Nog steeds honderduit.

Het borrelen werd onderbroken door de zoons van Wieke, die een geweldig lied hadden geschreven. Ze beweerden dat hun zus de rol van Wieke had moeten spelen, maar dat betwijfel ik. Wieke moest namelijk steeds het verkeerde antwoord op de vraag wel dier er met een bepaalde letter begon geven en kreeg dan te horen : “Wat dom, wat dom, wat dom.”
Wieke stond daar half geamuseerd, half geërgerd haar tekst op te lezen en die jongens maar lachen. Echt ontzettend leuk om te zien.
Ik voelde ineens de fotograaf in mij opborrelen en schoot als een echte paparazzi wat malle foto’s met een telelens, die ik daarna gegeneerd snel weer opborg. Dat waren meteen de laatste foto’s die ik die dag maakte, maar gelukkig werden er wel met een andere camera nog groepsfoto’s gemaakt. Ik moet toch kunnen bewijzen dat ik echt, heus, aanwezig was bij de boekpresentatie, toch?
Ik had braaf geld opgenomen om Wiekes boek te kopen, maar we kregen er allemaal eentje gratis (eh, sorry mensen, dat kan ik dus niet doen bij mijn eigen presentatie – ze zijn die avond wel te koop).
Wieke schreef er bij mij in: “En nu jij!”. Ik denk dat ik dat boek als mascotte mee ga nemen.
We bleven plakken tot we het echt niet meer konden maken om nog langer te blijven en bleven toen buiten nog een kwartier praten met Alex Verburg. Doreth had me al op hem gewezen en zowel zijn naam als zijn gezicht kwamen me bekend voor. Ik wist alleen niet meer waarvan. Het bleek dat hij tegelijk met Scheherazade voor Libelle werkte en zij heeft zijn naam een aantal keer in haar boeken genoemd.
We hadden het over schrijven en hij deed een uitspraak die ik wil onthouden. “Je bent pas echt tevreden met je boek als je denkt dat je het, als je het niet zelf geschreven had, zelf geschreven had willen hebben.”
Wijze woorden!

We stapten op lijn negen, terug naar het station. De conductrice moest erg om ons lachen en ik kreeg af en toe een knipoog van haar. Wat er precies gezegd werd weet ik niet meer, want ik was erg moe en duizelig. Maar het was nog steeds gezellig.
In het station besloot ik toch maar mee te eten. Ik had eigenlijk de trein van 20.25 willen hebben, maar dat half uurtje extra moest dan maar kunnen. De rest ging ook rond negen uur naar huis.
In de stationsrestauratie vroegen we of we snel eten konden krijgen. Dat was geen probleem, want het was niet erg druk. De ober had ook ruim de tijd voor ons. Hij vroeg wat we gedaan hadden. Winkelen was een voor de hand liggende gok, maar we hadden geen van allen grote tassen bij ons, dus eigenlijk wist hij wel dat het dat niet was. We vertelden dus dat we naar een boekpresentatie geweest waren. En dat we allemaal op de een of andere manier met schrijven bezig zijn.
Hij werd helemaal enthousiast. Hij was ook een schrijver. Maar dan niet met een pen.
“Met de computer?” opperde ik intelligent. Nee, hij sprak gewoon in een “dingetje. Kijk zo!” en hij demonstreerde het met zijn hand dicht bij zijn mond. In de taal die hij op dat moment in zijn hoofd had. Veel talen had hij. En als het klaar was, zou hij iemand zoeken om het op te schrijven en hop! Bestseller!
Oh, had ik maar een tikje van dat soort zelfvertrouwen!
Hoewel hij als ober wel wat bij te leren had. Want omdat Doreth spa rood bestelde, kregen Hermien en Monica rode wijn. Maar die hadden witte wijn besteld.
“Wijn, rood.” beweerde hij.
“Nee, witte wijn en spa rood!” corrigeerden wij. En we waren blij dat er geen blauwe wijn bestaat, want anders had mijn spa blauw voor nog meer problemen gezorgd.
De ober maakte gezellig een paar foto’s van ons en veranderde van een potentiele bestsellerschrijver ineens in een hyperactieve modefotograaf. Hij beheerste zich net op tijd (ik vermoed door een strenge blik van zijn baas) maar anders was hij gaan roepen dat we moesten flirten met de camera. Toen het eten gebracht was, wilde hij per se nog een foto maken. En hij zette de menukaart overeind, zodat we de naam van het restaurant goed in beeld hadden. Misschien hoopte hij op die manier zijn blunders van die avond goed te maken met zijn baas. Al met al was het erg gezellig. En als de ober even geen tijd voor ons had, kletsten we nog steeds vrolijk verder.
Ineens was het tien voor negen en moest ik weg om mijn trein te halen. Ik nam snel afscheid en begon vaart te maken om naar het juiste perron te rennen. Ik had in mijn hoofd dat ik naar perron vier moest. Maar gelukkig zag ik op tijd het bord boven perron twee (waar het restaurant zat). Ik hoefde dus helemaal niet te rennen. Ik stond net te overwegen om nog even terug te lopen naar het restaurant, toen de trein kwam. Op tijd. Ja, dat verwacht je niet.

Toen ben ik toch maar gewoon in de trein gaan zitten. Met mijn nieuwe boek. Toen we Gouda voorbij waren, had ik het half uit. Ik heb hardop zitten lachen om de russische dwerghamsters en kreeg tranen in mijn ogen toen ik het verhaal las over het overlijden van Wiekes hond. Veel van die eerste verhalen, die over huis-, tuin- en keukendieren gingen, waren ontzettend herkenbaar, hoewel wij geen hamsterexplosies gehad hebben. En allemaal even vlot en leesbaar geschreven, ik vloog er echt doorheen. Eigenlijk vond ik het jammer dat de treinreis maar een uurtje was. Eenmaal thuis begroette ik echtgenoot, vertelde hoe leuk het was geweest, en toen hij zich weer op zijn computer richtte, ging ik gauw verder met lezen. Het hoofdstuk over het Beloofde Varkensland was boeiend en goed beschreven. Ik heb altijd wat moeite met mensen die anti bio-industrie zijn (niet omdat ik erachter sta, maar omdat ik denk dat er geen goed alternatief is – scharreldieren zijn nog steeds niet echt vrij en vegetarisch eten wil ik ook niet), maar zoals Wieke het verhaal van Dafne neerzet, zou je spontaan ook varkentjes van de slachtdood gaan redden. Het derde deel van het boek gaat over de dieren die Wieke tegengekomen is tijdens haar reizen, en die verhalen zijn weer even hilarisch als het eerste deel. Ik vind deze indeling echt een geweldige vondst!
Het boek is nergens belerend of betogend en toch zit er een duidelijke boodschap in: “Dieren zijn geweldige wezens en verdienen een dierwaardig bestaan.”
En daar ben ik het voor de volle honderd procent mee eens!

Interview

Geplaatst op 03/03/2009 door Geertrude Verweij

Gisteren zat ik ineens aan de andere kant van de krant. Normaal gesproken zit ik met mijn schrijfblok tegenover iemand die iets bijzonders te vertellen heeft. Dat vond ik in het begin eng, maar dat went. Ik zal me vast niet aan de regels houden, want het wordt meestal erg gezellig. Het loopt ook vaak uit. Ik laat mensen fijn vertellen, vraag af en toe iets en soms ben ik heel onprofessioneel en vertel ik zelf ook van alles. Het draait echter om de persoon die ik interview en dat maakt het gemakkelijk.
Gisteren was ik degene om wie het draaide. En dat was helemaal niet gemakkelijk! Want ik kan wel gezellig babbelen, maar antwoord geven op vragen is dan toch weer een stuk lastiger.
Ik schreef al eerder dat ik het lastig vind om te beschrijven waar het boek over gaat. En ik vind het nog lastiger om antwoord te geven op de vraag hoe ik zover gekomen ben. Tja, ik weet het niet. Nou ja, eigenlijk wel. Maar dat is een lang en warrig verhaal. Het schrijven van een boek werd vooraf gegaan door het schrijven van dit soort stukjes. Ik stuurde ze naar Libelle, maar daar hadden ze geen nieuwe columniste nodig. Ik las dat Maria Oomkens ooit begonnen was met het schrijven van korte verhalen. Dus probeerde ik dat ook. Ik stuurde ze naar een aantal bladen, maar kreeg steeds hetzelfde antwoord. Er is geen markt voor korte verhalen, zeker niet van onbekende schrijfsters. En toen dacht ik: “dan schrijf ik gewoon een boek.”
Tja. Zo simpel was dat. Maar dat is nog maar de helft van het verhaal. Ik zei al, warrig en lang.
Ik heb trouwens een lastig talent. Ik kan heel goed op zijn kop lezen. Dus ben ik op een gegeven moment maar naar mijn koffiekopje gaan staren, want ik zat gezellig te mee te lezen met wat de verslaggeefster schreef. Ze had een heel net handschrift, dus dat ging prima. Bij mij kijken mensen ook wel eens mee en dan zeggen ze tactvol: “Je schrijft heel snel, zeg…”
Ze bedoelen onleesbaar. En daar hebben ze gelijk in. Soms moet ik er zelf ook op puzzelen, maar het komt eigenlijk altijd goed. Ik heb nog nooit heel domme dingen geschreven.
En ik ga er maar vanuit dat deze collega dat ook niet doet. Ik hoop alleen dat ik dan ook geen domme dingen heb gezegd!

Duf

Geplaatst op 03/03/2009 door Geertrude Verweij

Ik ben zo ontzettend duf vandaag, het is echt triest. Ik heb wel een tasje genaaid, dus het was niet hopeloos (we vergeten maar even dat ik een naald brak en bijna de punt in mijn oog kreeg), maar verder was het een ramp. Ik gooide vanochtend al mijn bakje yoghurt-met-muesli over het aanrecht en ik heb twee koppen koffie, mijn sleutels, drie bitterballen en de groene container laten vallen. Oh en ik heb ook nog ontwormingspasta naast de kat gespoten. En op zijn kop. Dat vond hij niet leuk. Gelukkig kwam het grootste gedeelte wel in zijn bek terecht, dat scheelt dan weer. Maar dat vond de kat ook niet leuk. Die is de hele avond al kwaad op me.
Ik ga dus vandaag mijn haar niet verven, al was ik dat wel van plan. Normaal gesproken vind ik na afloop altijd wel ergens een vlek, maar ik ben bang dat ik vandaag zou moeten zoeken naar een plekje zonder vlekje. Dan nog maar even doorgaan met die grijze haren die weer opduiken.
Dat vind ik wel jammer, want morgen ga ik een dagje naar Amsterdam. Ik zal daar een paar libelle/hyves-vriendinnetjes ontmoeten, die ik nog nooit eerder gezien heb. Dat had ik dus graag gedaan met glanzende bruine haren, niet met dit hoofd.
Maar ja, het wordt even goed wel leuk. We gaan eerst een paar uur de stad onveilig maken en daarna mogen we de boekpresentatie van Wieke Biesheuvel bijwonen. Het dringt nu pas tot me door dat ik daar voortdurend over opschep (ik ben door haar zelf uitgenodigd), terwijl ik het nog steeds lastig vind om over mijn eigen boek en presentatie te praten. Laat staan dat ik daar over opschep. Ik heb wel heel dapper die uitnodigingen verstuurd, maar iedere keer als iemand zegt dat hij of zij komt, moet het even tot me doordringen dat het toch echt gaat gebeuren.
Maar daar had ik het niet over.
Ik ben dus erg duf en ik moet morgen Amsterdam in. Eerst dacht ik met de auto te gaan, maar de trein kost de helft van wat ik aan parkeergeld kwijt ben. En bovendien mag ik geen druppel drinken als ik daarna ga rijden, want ik heb nog een beginnersrijbewijs. Nu ga ik ook geen druppel drinken als ik me morgen nog zo voel, maar wie weet hoe het gaat na een dagje slapen. En als ik me wel zo voel, kan ik maar beter niet achter het stuur stappen. Het wordt dus de trein en ik weet ongeveer hoe laat ik op het station moet zijn. Dat moet ik dus nog even precies op zoeken.
Ik moet ook nog steeds de telefoonnummers die we elkaar gemaild hebben opschrijven, een cadeautje inpakken en de zoom van de broek die ik eigenlijk aan wil vast zetten. Maar misschien trek ik gewoon een andere aan, want ik weet niet of ik mezelf vertrouw met een strijkijzer (plakvlieseline – die niet goed plakt, want dit is de derde keer dat het loslaat). En ik moet ook nog een artikel over een rozenkweker schrijven. Ik begin bang te worden dat ik anders alles vergeet wat ik met die man besproken heb, want er lijkt wel een soort zeef in mijn hoofd te zitten vandaag.
Maar ik denk eigenlijk dat ik de dochters van de bank stuur, het dikke kussen in mijn rug leg en heerlijk een gezellig boek ga lezen. Misschien mijn eigen boek wel, want als ik een lezing moet houden over dat boek, is het wel handig als ik het kort daarvoor nog gelezen heb.
Wat zegt u? Ben ik niet duf maar doodgewoon gespannen? Hoe komt u daar nou bij? Mijn boekpresentatie is pas over eh… een week!

Gastblog op Trouw Schrijf! – Wanneer is het goed genoeg?

Geplaatst op 27/02/2009 door Geertrude Verweij

Dan heb je dus een enorme vlaag inspiratie achter de rug, je hebt er wat transpiratie aan toegevoegd en alle letters die je getypt hebt, vormen zowaar een afgerond verhaal. En dan?
Er zijn duizenden mensen die tienduizenden manuscripten geschreven hebbben. Wanneer besluit je dat jouw manuscript goed genoeg is?
Dat blijft een lastige vraag. Want wat is goed genoeg? Hoe hoog leg je de lat? Ik zal de eerste zijn die toegeeft dat er nog best gesleuteld had kunnen worden aan mijn manuscript. Maar ik denk ook dat je nooit uitgesleuteld bent. Je blijft dingen zien, die anders zouden kunnen. Ik merk dat met mijn artikelen voor de krant ook. Die schrijf ik vrij vlot, dan laat ik ze even liggen, herlees ze, verander nog wat kleine dingen en stuur ze in. Maar dat betekent niet dat ik er dan van overtuigd ben dat het een briljant stukje is geworden. Af en toe ben ik er erg tevreden over, maar ik zit ook weleens hardop te schelden achter mijn laptop. “Het is echt een stukje van niets! Het lijkt nergens op!” Dan moet ik mezelf even flink beetpakken en een objectieve bril opzetten. Staat alles wat belangrijk is er in? Geen stijlfouten, geen spelfouten? Is het antwoord op deze vragen ja, dan stuur ik het naar de redactie. En ik heb nog nooit een stukje teruggekregen.
Ik schrijf voor een streekkrant, dus ik hoef ook geen hoog wetenschappelijk niveau te halen. Het zijn eenvoudige onderwerpen; de opening van een jeugdhonk of een evenement op een basisschool . De mensen die ik interview zijn dertig jaar koster geweest of ze zijn voorzitter van de plaatselijke tennisvereniging. Dat past bij mijn schrijfstijl. Ik schrijf niet eens over plaatselijke politiek, omdat ik denk dat ik daar niet de juiste insteek voor heb.
Mijn boek was nooit bedoeld als een hoogstaand literair werk. Dat is mijn stijl niet. Ik wilde gewoon een boek schrijven zoals ik ze zelf graag lees. Eenvoudige romans over echte mensen in herkenbare situaties. Niet te ingewikkeld, maar wel met een klein beetje diepgang. En een schrijfstijl die prettig leest, maar niet te kinderachtig is.
Het voldeed dus aan mijn eigen normen. Niet briljant, maar goed genoeg. En dat oordeel werd bevestigd door mijn destijds vijftienjarige dochters. Ze vielen niet binnen de doelgroep, want het is een boek voor volwassenen, maar ik hecht veel waarde aan hun oordeel. Ze lazen overigens wel meer boeken voor volwassenen, voor hun literatuurlijst, maar ook voor de lol. Deze twee boekenwurmen hebben heel verschillende voorkeuren. De één leest het liefst romans en chicklit, de ander houdt van fantasy en thrillers. Hun reacties vielen me honderd procent mee. Ze grinnikten als iets grappig bedoeld was, vonden de gesprekken tussen mijn hoofdpersoon en haar stiefkinderen vertederend en maakten zich boos over de inmenging van de moeder van de overleden vrouw van de mannelijke hoofdpersoon. En allebei vonden ze het een leuk boek. Dat gaf me net het beetje extra zelfvertrouwen dat ik nodig had. Het vinden van een uitgever valt niet altijd mee. Mijn eerste boek, dat ik in 1999 schreef, was een combinatie tussen een thriller en een roman. Ik stuurde het eerst op naar de uitgever van Leni Saris. Het werd afgewezen omdat het “niet commercieel aantrekkelijk” was. Ik vermoedde dat het thrilleraspect dan toch te sterk was en ging op zoek naar een uitgever in dit genre. Het kostte me een paar uur zoeken in de bibliotheek voor ik een aantal thrillers gevonden had die door Nederlanders geschreven waren (het zijn er nu meer, denk ik) en ik stuurde mijn manuscript naar de uitgever van Jacob Vis en Jan Kremer. Hoe dat afliep heb ik al verteld, het werd afgewezen, maar ik kreeg wel een uitgebreide brief met veel aanwijzingen.
Bij deze tweede roman was de keuze minder moeilijk. Ik had toevallig kort daarvoor gezien dat diezelfde uitgever (Ellessy) nu ook liefdesromans uitgaf. Ik had er een paar gelezen en vond dat ik dat niveau wel ongeveer bereikt had. Dus zocht ik de website van de uitgever op en keek hoe hij zijn manuscripten aangeleverd wilde hebben.
(Dat is echt heel belangrijk. Mocht je dat soort informatie niet kunnen vinden, bel dan de uitgever even en vraag hoe ze hun manuscripten het liefst ontvangen. Het voorkomt dat je ergernis werkt door verkeerd aanleveren. Sommige uitgevers (inclusief de mijne) hebben het liefst geprinte manuscripten om de simpele reden dat ze anders enorme kosten moeten maken om alles wat ze toegestuurd krijgen door te lezen. Je hebt dan dus kans dat een worddocument niet eens gelezen wordt. Andere uitgevers hebben een andere manier van werken en ontvangen juist liever digitale manuscripten.)
Ik stuurde dus een geprinte versie en een nette brief met een synopsis. Binnen twee weken lag er een brief in de brievenbus met het verzoek of ik een optie wilde verlenen en na een aantal maanden gespannen wachten kwam het verlossende woord: “We gaan het uitgeven.”
En ja, dat voelt geweldig. Als ik langs de plek rijdt waar ik dat hoorde (ik zat op dat moment in de auto), voel ik het nog steeds!

Publiek

Geplaatst op 25/02/2009 door Geertrude Verweij

Vandaag was ik jurylid voor de regionale voorleeswedstrijd. Jawel, dat klinkt stoer, hè?
En ik was daar dan ook nog eens als “debuterend schrijfster”. Het was mijn eerste publieke optreden en dat was te merken. Ahum! Ik was namelijk zo dom om niet te beseffen dat ik misschien wel iets moest zeggen. Dus toen me gevraagd werd of ik mezelf even wilde introduceren, kreeg ik het tamelijk benauwd. Ik blaatte iets over een boek dat de kinderen toch niet zouden voorlezen omdat het voor volwassenen was en gooide toen de microfoon zowat terug naar degene die het presenteerde.
De rest van de ochtend was wel erg leuk. Elf kinderen die hun uiterste best deden om boeiend voor te lezen. En ze deden het eigenlijk allemaal even goed. Nee, dat is niet diplomatiek bedoeld. Ze waren gewoon goed. Er was een meisje dat voorlas uit de Hobbitt. Vreselijk lastig boek voor zo’n uk. En ze deed nog allerlei stemmetjes ook. Alleen was dat nu juist een beetje te veel van het goede. Als het een toneelwedstrijd was geweest, of een voordracht, had ze gewonnen. Maar door die stemmetjes viel het verhaal een beetje weg. Dus konden we haar niet tot winnaar uitroepen.
Er was ook een jongen die voorlas uit Kruimeltje. Het arme kind. Want dat boek zou nu nooit meer door de AVI keuringen heen komen. Zoveel lange zinnen met ingewikkelde bijzinnen. En probeer dat maar eens op toon te lezen. Dit jongetje had van ons trouwens wel iets meer toneel toe mogen voegen. Want ik hoorde het door Chris van Abkoude zo mooi uitgewerkte amsterdamse accent van Kruimeltje nauwelijks doorkomen. Hoewel het jongetje in zijn inleiding dan weer wel zei dat “Wilkes in het ziekenhuis leit”. Ik denk dat hij de afgelopen weken het boek voortdurend gelezen heeft.
Ik vond het lastig om de kinderen na afloop te vertellen hoe ze het gedaan hadden. We hadden namelijk besloten dat we om de beurt alle kinderen iets zouden vertellen. Maar ze keken allemaal zo triest. Ik had er eentje die eigenlijk best goed las. Maar ze las zo verschrikkelijk snel. Het was wel goed verstaanbaar, maar gewoon veel en veel te snel.
Er was ook een jochie dat nogal hakkelde. Maar hij zat er wel heerlijk ontspannen bij en maakte goed contact met het publiek als een echte verteller. Zo jammer dat het voorlezen wat minder ging.
De andere juryleden en ik waren het snel eens. We vonden er twee echt uitspringen. De eerste en de laatste. De eerste omdat ze gewoon goed en prettig voorlas. De laatste las ook prima voor, maar had ook nog eens een ontzettend lastig boek gekozen. Ze las voor een boek dat geschreven is in dagboekvorm. Geen dialogen en geen rechtstreekse actie dus. Maar het lukte haar zelfs om de inmiddels roerige supporters van de andere kinderen stil te houden.
Ik had ook nog even een gesprekje met één van de andere juryleden. Zij is kinderboekenschrijfster en heeft al heel wat boeken op haar naam staan en heeft ook een hoop ervaring met publieke optredens. Ik gaf toe hoe eng ik het allemaal vind, maar ze verzekerde me dat het went. En als je er eenmaal staat, gaat het gewoon. Ik merkte inderdaad al dat het gemakkelijker werd toen ik een paar kinderen verteld had hoe ze het gedaan hadden. Ik was me alleen erg bewust van mezelf, mijn houding, mijn kleding (bleef mijn trui maar naar beneden trekken), mijn maat (voor wie me niet zo goed kent: ik ben een ontzettende jojo-er en zit nu in een mollige periode) en mijn stem. Maar ik geloof inderdaad dat dat verdwijnt als je eenmaal een tijdje aan het praten bent.
Trouwens, dat merkte je aan die kinderen ook. Tijdens het gesprekje vooraf waren ze ontzettend zenuwachtig, maar als de vaart er eenmaal inzat bij het voorlezen, dan ging het prima.
Ik denk dat ik het wel ga redden. Dus is er nog maar één probleem: wat trek ik aan?

Keer om

Geplaatst op 25/02/2009 door Geertrude Verweij

Op de één of andere manier heb ik het vaak met mijn navigatiesysteem aan de stok. Ik heb dan ook een hekel aan dat ding, maar helaas verdwaal ik zo gemakkelijk, dat ik hem wel nodig heb. Hem is in mijn ogen eigenlijk een haar, ondanks de dubbele jongensnaam. Mijn echtgenoot beweert namelijk dat een vrouwenstem het best hoorbaar is, dus hebben wij de vlaamse Eva als boeiend stemgeluid. Ik had liever een zwoele mannenstem, maar ik zou niet weten hoe ik dat moet veranderen.
Eva en ik kunnen niet echt goed samen door de bocht. Niet dat ze niet keurig vertelt wanneer die bochten er zijn, dat is het probleem niet. En ze weet ook redelijk de weg, overal. Behalve in Moerkapelle. Daar is een straat afgesloten, maar dat weet ze nog niet. Dus moet ik daar volgens haar linksaf, waarna ik mezelf in een smal straatje vast rijdt tegen een rij paaltjes en het hele end achteruit terug moet.
Tegenwoordig rijd ik dus vrolijk dat straatje voorbij. Dan moet ze herberekenen en dat doet ze braaf. Maar ze laat dat wel even weten. Ze zou ook zwijgend en zondermeer de nieuwe route kunnen tonen, maar ze moet toch even een zandlopertje tonen en zeggen “ik ben aan het herberekenen”. Als ze diep kon zuchten, deed ze het vast.
Eén keer had ik haar zover dat ze kwaad werd. Men gelooft dat niet, maar mijn dochter is getuige. We hadden een afslag gemist in het zeer drukke (het was een donderdagavond) Rotterdam-Noord. Het was eigenlijk een heel simpele route, je moest schuin van de hoofdweg af en dan kon je daaroverheen naar de andere kant van de straat. Als je die afslag mist, zit je echter vast. Omdraaien kan en mag niet en de volgende zijweg is een heel stuk verder.
Eva zei beleefd: “Probeer om te draaien.”
Ik zei beleefd terug”: “Dat gaat niet.”
Ze herhaalde: “Probeer om te draaien.”
Maar dat ging dus niet. Ik nam een zijweg en kwam op een andere weg waar je onmogelijk kunt keren terecht.
Eva zei beleefd: “Probeer om te draaien.”
Ik raakte een tikje geïrriteerd en zei: “Dat kan niet, luister dan!”
Waarop zij begon te katten: “Draai om! Draai om!”
Gelukkig hebben de dochter en ik een aardig gevoel voor humor, dus de stemming verbeterde aanzienlijk. Eva riep nog een keer: “Draai om!”
En toen zweeg ze kwaad. Tot ik half Rotterdam doorgedwaald was en weer vlak bij de bewuste plotselinge afslag was. Toen zei ze beleefd: “Over 100 meter: sla rechtsaf.”
Wat ik toen gelukkig wel op tijd deed. Want zo’n kwaad navigatiesysteem is ook niet alles!

Gastblog op Trouw Schrijf! – Inspiratie en transpiratie

Geplaatst op 20/02/2009 door Geertrude Verweij

Ik hoef het grootste schrijf-cliché allertijden waarschijnlijk niet eens letterlijk te citeren. U weet vast wel wat ik bedoel. Googlend op de woorden schrijven, inspiratie en transpiratie, kwam ik er achter dat men het niet helemaal eens is over de verdeling. De één heeft het over tien procent inspiratie en de ander beweert zelfs maar één miezerig procentje inspiratie nodig te hebben. Maar het aandeel inspiratie is altijd heel klein. Zegt men. Noem me hebberig, maar ik doe het er niet voor. Wel als het gaat om het schrijven van artikelen voor de krant. Hoewel ik daar dan misschien ook weer meer inspiratie voor nodig heb dan de gemiddelde verslaggever, want ik wacht meestal tot me een pakkend begin binnenvalt. Heb ik eenmaal een eerste zin, dan volgt de rest vanzelf. En voor de schrijftechnisch begaafden onder u: dan voldoet mijn stukje ook keurig aan de wie-wat–waar-wanneer -waarom –norm. Tenzij we natuurlijk niet willen vertellen waarom, want dat gebeurt ook. Of staat er wel in uw krant dat een winkel een leuke actie houdt om zoveel mogelijk aan u te verdienen? Maar goed, we dwalen af, want mijn blog gaat natuurlijk over het schrijven van fictie.
Het zou prachtig zijn als ik kon beweren dat ik een vaste manier van werken heb. Met schema’s en overzichten of zoiets. Maar zover ben ik nog niet. Ik weet niet of ik ooit zover kom trouwens. Want ik ben van nature niet zo van de schema’s en overzichten. Ik begin gewoon en dan komt het min of meer vanzelf.
Ik schrijf dus wel degelijk vanuit een flinke dosis inspiratie. Mijn debuut “Huis vol verleden” kostte me weinig moeite. Ik had zo lang geen serieuze pogingen tot het schrijven van fictie gedaan, dat alle verhaallijnen en ideeën uit mijn onderbewustzijn in twee weken uitgroeiden tot een netjes afgeronde roman. Bijna dan. Want ik heb wel het begin een beetje aangepast om het te laten klopppen met de ontwikkelingen in de loop van het verhaal.
Ja, het kan. Een heel boek binnen een maand. En dat is dan dus bijna alleen maar inspiratie.
Mijn tweede roman schreef ik achter elkaar door. Tot halverwege. En toen liep ik vast. En ik bleef vastlopen, hoeveel pogingen ik ook deed. Dan kun je gaan transpireren tot je wegspoelt, maar het wordt geen goed verhaal. Ik liet het een tijdje liggen en had toen ineens wel inspiratie. Of een plotseling inzicht, zo kun je het ook noemen. Ik wilde namelijk maar niet accepteren dat de mannelijke hoofdpersoon die ik zo sympathiek vond eigenlijk helemaal zo aardig niet was. Toen ik hem door had, was de rest van het verhaal zo geschreven. Transpiratie? Een beetje. Maar toch ook nog heel veel inspiratie.
Nu ben ik bezig met een derde roman. En dat begint toch aardig op werk te lijken. Transpiratie dus. Het is een beetje een lastig verhaal. Ik had inspiratie en schreef een heel stuk in een mum van tijd. Toen stopte het. Ik las het verhaal nog eens door. Goed verhaal, niet goed beschreven. Te veel terugblikken, teveel uitleg, te weinig actie. Dus ik pakte de verhaallijn beet, nam een sprong naar wat daarvoor gebeurde en schreef het overnieuw. Tienduizend woorden later: nog steeds geboeid door het verhaal dat ik wilde vertellen, maar niet tevreden met wat ik geschreven had. Ik liet het even liggen en jawel: inspiratie. Nog verder terug in de tijd beginnen.
Dit boek schrijf ik blijkbaar achteruit. Heel vermoeiend. Maar nog steeds geïnspireerd.
De grote vraag is dan toch: hoe kom je aan inspiratie? Ga je daar op zitten wachten? Ook als het jaren en jaren duurt? Blijf je naar een maagdelijk wit scherm staren in de hoop dat je het ineens weet? Alsof het een gave van een hoger wezen is en helemaal niets te maken heeft met inzet en doorzettingsvermogen?
Nee, dat geloof ik niet. Ik denk dat er manieren zijn om inspiratie te krijgen. Om even terug te grijpen op die stukjes voor de krant: ik zou mijn deadline niet halen als ik passief bleef wachten op die ene briljante beginzin. Dat doe ik dus niet. Als het te lang duurt voor ik een goed idee heb, ga ik mijn aantekeningen uitwerken. De bijna onleesbare krabbels die ik maak tijdens een gesprek of toespraak typ ik dan letterlijk over, tot het verhaal vorm begint te krijgen. Wat het meestal doet.
En zo werkt het ook met fictie, denk ik. Inspiratie kun je op wekken. Door te brainstormen, door te spelen met losse verhaallijnen, door hard na te denken over je hoofdpersonen, door hard te werken.
Dat is transpiratie. Maar het eigenlijke schrijven – en daar blijf ik bij – is toch echt grotendeels inspiratie.

Samenvatting

Geplaatst op 17/02/2009 door Geertrude Verweij

Soms zijn de dingen die simpel lijken, best lastig. Dat vind ik wel, in ieder geval. Vooral nu ik mezelf als schrijfster moet presenteren. Dat is weer helemaal nieuw voor mij, dus dat valt niet mee.
Zelfs de eenvoudige vraag “waar gaat je boek over?” zorgt al voor heftig denkwerk.
Want je moet de balans zien te vinden tussen genoeg vertellen om mensen nieuwsgierig te maken, maar niet zoveel dat je het verhaal weggeeft. Toch moet ik er over nadenken, want ik ga straks ook nog een lezing geven. Zoals de bibliotheek waar ik dat ga doen het uitdrukt: “over haar boek en haar beginnend schrijverschap”. Dus.
Ik vertel meestal mijn hoofdpersonen, Tamara en Hugo, elkaar van vroeger kennen. Ze komen elkaar na jaren onverwacht tegen en besluiten door omstandigheden vrij snel te trouwen. Ik vertel ook altijd dat het erop lijkt dat hun jeugdliefde kan uitgroeien tot veel meer, maar dat er rare dingen spelen in het gezin van Hugo, die dat beletten.
Maar dan wordt het lastig. Op de achterflap van mijn boek staat ook dat Cora, de moeder van Hugo’s overleden vrouw op een vervelende manier invloed uitoefent op het gezin. Dus dat kan ik ook wel vertellen. Dat merk je trouwens vrij vroeg in het verhaal. Maar hoe het verder gaat….
Daar moet ik dus een betekenisvolle pauze inlassen.  …….(bij deze)……
Vanaf dat punt sta ik voor een dilemma. Het is niet genoeg, zeker niet voor tijdens de lezing. Maar hoeveel verder kun je nog gaan? Kan ik een fragment voorlezen dat de spanning nog verder opwekt? Moet ik het oppervlakkig houden?
Als ik (als verslaggever en niet als schrijfster) een recensie moest schrijven over dit boek zou ik het zo doen: “In de loop van het verhaal gaan we de hoofdpersonen steeds beter leren kennen. De sympathie voor Tamara die probeert tussen de klippen door te zeilen groeit. Hoewel Hugo af en toe bijzonder onsympathieke dingen zegt, begint de lezer langzaam te vermoeden dat ook hij een slachtoffer van omstandigheden is. En wat is nu precies Cora’s drijfveer? Uiteindelijk moeten al deze spanningen natuurlijk tot een uitbarsting komen. Of het huwelijk van Tamara en Hugo dat overleeft is, nog maar de vraag.”
Oh, kijk nou! De verslaggever in mij doet het niet slecht eigenlijk. Die houden we erin, denk ik. Wat vindt u? Is dit een nieuwsgierig makende samenvatting?

Gastblog op Trouw Schrijf! – Hoe het begint/begon

Geplaatst op 13/02/2009 door Geertrude Verweij

Ik zit in mijn auto, terwijl de ruiten langzaam beslaan omdat ik heel milieubewust de motor – en dus de verwarming – heb afgezet. De regen tikt op de ruiten en ik werp af en toe een blik tussen de druppels door naar buiten. Ik wacht op mijn dochter die eigenlijk om half drie uit was, toen om één uur en nu misschien toch nog les heeft van half drie tot vier. Ondertussen krabbel ik wat losse zinnen in een versleten notitieboekje, in de hoop een pakkende inleiding op dit eerste blog over schrijven te vinden. Dit is vast niet het beeld dat het woord “schrijfster” bij de gemiddelde nederlander oproept. Bij mij ook niet. Het woord roept bij mij een beeld op van een rustige werkkamer met mooie oude meubels. Een ouderwetse typemachine, een vaas verse bloemen en een paar foto’s in stijlvolle lijstjes. Een comfortabel stoeltje met mooie bekleding achter een ouderwets bureautje. En daar zit ik dan. Geïnspireerd te schrijven. In alle rust.
Tja… De werkelijkheid is anders. Ik schrijf tussen de bedrijven door. Ik doe de boodschappen, draai een was, sop de badkamer, geef de kat eten en de kinderen aandacht. Als ik even rust heb, zit ik met mijn laptop op schoot op onze versleten plofbank. En dan schrijf ik. Te midden van de chaos.
De komende weken zal ik hier vertellen over mezelf als schrijfster. Ik zal mijn best doen het huishouden, de kinderen en de kat buiten beschouwing te laten, hoewel die nu eenmaal onlosmakelijk verweven zijn met mijn leven en dus ook met mijn schrijven.
Het eindpunt is er: mijn roman “Huis vol verleden” ligt vanaf 11 maart in de winkels. Maar ik zal beginnen bij het begin en proberen te vertellen hoe het zover gekomen is. Dat is veel interessanter voor andere schrijvende dromers en dromende schrijvers. De schaamteloze promotie van mijn boek verwerk ik wel tussen de regels door.
Ik geloof niet dat ik als kind bedacht had dat ik schrijfster wilde worden. Ik zag mezelf als prima ballerina, bekende zangeres, eigenaar van een manege of als journaliste. Dat laatste lijkt erop, maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit een boek heb willen schrijven. Toch schreef ik wel. Vrij veel zelfs.
Ik weet niet wanneer ik daarmee begon, maar ik denk zodra ik het kon. Ik schreef verhaaltjes die gebaseerd waren op de boeken die ik las. Omdat het eind me niet beviel, of omdat ik het zo jammer vond dat ik het uit had.
In mijn puberteit schreef ik vooral veel gedichten, maar die liet ik bijna nooit aan iemand lezen en ik heb ze allemaal weggegooid. Ook schreef ik verhaaltjes met mezelf in de hoofdrol. Met mezelf zoals ik zou willen zijn, dan. Mooi, populair, geliefd. Dat luchtte op en dan gooide ik ze weg. Over bewaren, bewerken en publiceren dacht ik nooit na.
Mijn eerste pogingen op dat gebied kwamen pas jaren later. Ik was getrouwd, had drie jonge kinderen en schreef een paar korte verhalen op de computer van mijn man. Ik las hoe Asimov en Maria Oomkens (ja, ik heb een brede smaak) hun carrière begonnen waren, volgde hun voorbeeld en stuurde mijn verhalen naar tijdschriften. Ik kreeg ze met een vriendelijk briefje terug. Het ging niet om de kwaliteit, maar er was geen markt meer voor korte verhalen.
Teleurgesteld besloot ik dan maar een lang verhaal te schrijven, een boek. En toen het af was, stuurde ik het naar een uitgever. Ik kreeg het terug (“”niet commercieel aantrekkelijk”) en stuurde het naar een andere uitgever. Van hem kreeg ik het ook terug, maar met een lange brief erbij, vol vriendelijke aanwijzingen over dingen die beter of anders konden. En aan het eind van de brief stond: “Blijf vooral schrijven, want je hebt talent!” Dat was in 1999.
Ik rommelde nog wat met andere verhaallijnen, maar we verhuisden, de kinderen groeiden op met de bijbehorende probleempjes en ik ging buitenshuis werken. Ik schreef wel korte stukjes over mijn leven op mijn weblog, maar van echt gaan zitten voor een degelijk stuk fictie kwam het niet meer.
Tot ik in 2006 besefte, dat ik nog steeds dacht aan die brief. Dat ik me nog steeds afvroeg of die uitgever gelijk had. Had ik talent? Kon ik een boek schrijven dat wel gepubliceerd zou worden? Op internet vond ik de site van NaNoWriMo. Een uitdaging om 50.000 woorden te schrijven in één maand. Tellertje op je weblog en een heleboel mensen die tegelijkertijd hetzelfde probeerden. Ik besloot het te doen. Mijn werktitel was: “Nu of Nooit” en dat sloeg niet op het verhaal, maar op mezelf. Het werd nu.
Want wat ik toen schreef, ligt over vier weken in de winkels…
Als ik tips zou moeten geven aan beginnende schrijvers, dan is tip 1: blijf schrijven!

Lezen en schrijven

Geplaatst op 12/02/2009 door Geertrude Verweij

Best verwarrend. Bezig met de presentatie voor mijn eerste boek, maar al aan het schrijven voor mijn tweede boek. En dan ook nog wat favoriete boeken lezen als afleiding. Mijn hoofd zit vol met verhalen…

  • Previous
  • 1
  • …
  • 38
  • 39
  • 40
  • 41
  • 42
  • 43
  • 44
  • …
  • 46
  • Next

Welkom!

Ik ben Geertrude, echtgenote van 1, (schoon)moeder van 5 en oma van 2.
Ik ben boekhouder, redacteur en schrijfster van beroep en hou van lezen, fotograferen, breien, naaien, tuinieren, kruidengeneeskunde en nog veel meer.
Hier schrijf ik over alles wat me bezighoudt en soms ook over mijn pogingen eens wat rustiger aan te doen.
Meer over mij vind je hier.

Archief

© 2026 Geertrude blogt | Aangedreven door Minimalist Blog WordPress thema