In mijn tijd, sprak de oude dame, gingen we in de pre-examenklas op werkweek. Daar keek je jaren naar uit, want straks, in de vijfde klas (in mijn geval dan), ging het gebeuren. Ik zat zelfs nog in de laatste lichting van binnenlandse werkweken. We hadden de keuze uit een klippertocht op het IJsselmeer, een verblijf op een van de eilanden (Terschelling?) of een weekje Limburg.
Ik koos voor het laatste. Veel plezier gehad, bijna verdronken tijdens het kanoën, totaal verregend tijdens de verplichte fietstochten. De avonden brachten we door in en rond de afgelegen boerderij. Gezellig en veilig.
Mijn oudste dochters gaan ieder jaar een paar dagen weg met school. Er is geen sprake meer van er naar uitkijken. Nee, men is de medeleerlingen inmiddels spuugzat. Men kent alle eigenaardigheden en zwakheden van de anderen al veel te goed. Was het bij ons nog heel leuk om mensen eens buiten school mee te maken, voor hen is dat een jaarlijks terugkerende ramp. Er zijn namelijk een aantal spelbrekers die zo’n paar dagen in een vreemde stad zien als de ideale gelegenheid om flink los te slaan en belachelijke hoeveelheden te drinken. Degenen die dat niet willen bungelen er bij. Mijn dochters bungelen dus. Gelukkig maar.
Dit jaar was er weer een uitstapje gepland. Omdat de examendrukte na de kerst echt toeslaat moest het in december. Dat de zeilweek amper een half jaar geleden was, deed er niet toe. De leraren hadden er zin in, dus het moest. Nu is het ook best leuk, een paar dagen Londen in deze periode. Ze weten daar wel hoe ze een kerstsfeertje moeten bouwen. Maar de dames en heren examenkandidaten hadden er geen zin in. Er wordt al weken gemopperd. Mijn dochters zijn daar gevoelig voor, die mopperen vrolijk mee. Dus kreeg ik leuke berichten over de toestand van de kamers (het is daar zo vochtig dat het water van de muren druipt), de hygiene (de bedden zijn heel vies), het ontbijt (niet te eten) en de toiletten (kijken uit op een kerkhof, dus daar durven ze ‘s nachts niet op).
Van de school kregen we een brief van drie kantjes met al even vrolijke berichten. Eten, behalve dat vieze ontbijt dus, is niet inbegrepen bij de toch al pittige reissom. Of we maar even rekening wilden houden met 20 pond per dag extra. Verder kregen we alvast een programma. Lieve leiding van schoolkampen, leer dat nu eens! Ouders willen helemaal niet weten dat hun kinderen tot elf uur ‘s avonds zonder begeleiding door een vreemde stad wandelen. Die willen geloven dat ze veilig bij elkaar in een gezellig hotelletje zitten!
Ook de vertrektijd was geweldig, de dochters moesten zich om kwart voor drie melden. Midden in de nacht, wel te verstaan. Zo’n geweldige tijd, je kunt niet opblijven want daarvoor is het te laat, maar wakker worden om twee uur valt ook niet mee. Ik snap die planning ook niet, ze komen om elf uur (plaatselijke tijd) aan in Londen, en worden dan geacht meteen te starten met het programma. De week begint dus al met oververmoeide pubers. En dan moeten ze ook nog een presentatie houden die telt als mondeling voor het examen. Ik hoop maar dat de leraren bij de becijfering rekening houden met het slaapgebrek.
Het voorbereiden van het vertrek ging natuurlijk niet helemaal soepel. Hoewel ik zondag al begon met waarschuwen dat ze de boel maar eens in moesten pakken, werd dat uitgesteld tot maandag. En natuurlijk moest er eerst gecomputerd worden, dat is veel belangrijker dan je voorbereiden op een vertrek dat slechts twaalf uur later zal plaatsvinden. Na wat aandringen begonnen ze dan toch. Maar toen ik vroeg: “Zit je pyjama al in je tas?” was het antwoord nogal vaag. “Nee. Er zit nog niets in mijn tas. Ik heb stapeltjes op het bed gemaakt.”
“En zit je pyjama daarbij?”
“Geen idee.”
Niet dus, daarom vroeg ik het. Die hing nog aan het wasrek. Handdoeken, o ja, ook wel handig. Toiletspullen, daar zeg je zowat. Nou ja, iedereen die pubers zoveel mogelijk zelf probeert te laten doen, kent het traject. Uiteindelijk kun je beter zelf die tassen inpakken, dat kost veel minder tijd. Maar daar leren ze niets van, dus doen we het toch maar pedagogisch verantwoord.
‘s Avonds om een uur of negen leken ze helemaal klaar te zijn. Dacht ik. Ik stuurde ze eerder dan normaal naar bed en dacht eindelijk even te kunnen ontspannen.
Maar toen kwam er ineens eenje weer uit bed. “Mama, denk je dat ik morgenochtend nog tijd heb om te douchen? Mijn haar moet dringend gewassen worden.”
Huh? “Nee, natuurlijk niet, morgenochtend zit je in de bus.”
Ze bedoelde dat ze om twee uur ‘s nachts nog wilde gaan douchen. Want dat was ze vergeten. Ik had alleen maar de hele dag lopen zeuren of ze overal aan gedacht hadden. Maar ik had douchen niet letterlijk genoemd. Dus was het mijn schuld. En toen mocht ze van mij kiezen: nu nog even onder de douche kruipen of om twee uur, ‘s nachts, maar dat werd dan wel haasten, want ik wilde absoluut niet hebben dat ze er eerder voor opstond. Haar zus zou daar namelijk ook last van hebben.
Mopperende dochter af. Toch maar nu douchen. “Maar dan moet ik met nat haar gaan slapen en dan zit het morgen als ik in Londen ben heel raar.”
Morgen…als ze om drie uur in de nacht vertrekt en vervolgens acht uur in een bus heeft gezeten en pogingen tot slapen gedaan… Tja, dan zie je er natuurlijk verder op je voordeligst uit, tenzij je die paar uurtjes voor vertrek met nat haar hebt geslapen.
Pubers…
Categorie: persoonlijk
Sinterklaashaast
Terwijl de Amerikaanse en Engelse dames van de weblogs die ik lees al druk bezig zijn met de kerst, zit ik nog met mijn hoofd in de sinterklaasrijmpjes. Ik schrijf altijd bij ieder pakje een gedicht en dat zijn er dus heel wat. Ik kan niet eens berekenen hoeveel ik gedichtjes en rijmpjes ik al in elkaar geflansd heb de afgelopen jaren, maar honderden zijn het er zeker.
De dochters doen nu ook mee in de traditie. Zij zijn zondag met z’n drieën de stad ingeweest om inkopen te doen. Na afloop werden de financiën en de pakjes zusterlijk verdeeld.
Het inpakken werd dit jaar grotendeels door één dochter gedaan. Die had dat zelf voorgesteld, want die wilde oefenen. Als kersverse zaterdaghulp bij een boekhandel, vallen haar inpaktechnieken nog een beetje tegen. En deze dochter zou deze dochter niet zijn als ze daar fanatiek iets aan ging doen.
Na afloop verzuchtte ze dat ze dit volgend jaar niet meer deed. Want in de winkel hoeft ze alleen maar boeken in te pakken en die zijn vrij gemakkelijk. Voor de raar gevormde pakjes hebben ze daar zakjes. Veel gemakkelijker.
In alledrie de tienerkamers struikel ik nu over keurig ingepakte cadeautjes. Verstoppen is er niet meer bij tegenwoordig. Ik kom zo min mogelijk in de kamers, maar op maandag moest ik stofzuigen (dat is de afspraak, dus dat wisten ze) en ik breng normaal gesproken de schone was ook naar de kamers. Opruimen moeten ze zelf, maar als ik het in de huiskamer laat liggen en vraag of ze het mee willen nemen, blijven er soms vier dagen lang stapeltjes rondslingeren. Dat heb ik uitgeprobeerd. Vandaar dat ik de kleine moeite om het in de juiste kamers te deponeren maar gewoon voor lief neem. Dat het daarna nog dagen duurt voor ze het in de kast leggen, is mijn zaak niet. Tenminste, dat probeer ik mijn zaak niet te maken.
Zelf moet ik alles nog inpakken. Ja, het is triest. Nog twee dagen voor we het hier vieren met mijn schoonouders erbij en nog drie voor we het bij mijn familie vieren. Het is wel weer erg op het laatste nippertje. Maar dat schijn ik altijd zo te doen. Dat is het grappige van dit soort stukjes schrijven. Je kunt zo terug lezen in de tijd. En dan blijkt dat ik vorig jaar al verzuchtte: “Hoe vroeg ik ook begin, ik loop altijd te haasten om de boel af te krijgen!”
Hardleers, dat ben ik. Ik begin altijd wel vroeg, dat is het probleem niet. Maar daarna ben ik net als de dochters als ik vraag of ze nu al wat aan hun werkstukken gedaan hebben: “Ik ben al begonnen en ik heb nog tijd zat!”
Ik verzucht nu dat ik mezelf volgend jaar ga dwingen om in oktober alles al af te hebben, zelfmaakcadeautjes, gekochte cadeautjes, alles ingepakt en voorzien van een gedicht. Maar eigenlijk… zeg nou zelf. Daar is toch helemaal niets aan? Die spanning om het allemaal weer voor elkaar te krijgen, dat wachten op inspiratie en dan dertig rijmpjes achter elkaar uit je toetsenbord hameren, dat haastig zoeken naar de laatste kleine dingen (oh, niet vergeten! Ik heb nog geen chocoladeletters!), dat hoort er toch net zo bij als schoenen zetten en pepernoten strooien? Bij mij wel, in ieder geval.
Puntjes
Geen schrijfsel, vuile was en koffie
Ik geef het op. Er komt deze week geen schrijfsel.
Zo nu weet u het. Ik vind het wel treurig, want ik ben de laatste tijd al niet zo trouw. Dat is erg, want ik doe dit om mezelf te bewijzen dat ik het kan, wekelijks een stukje neerzetten. Maar soms kan ik het dus niet.
Dat klinkt simpeler dan het is. Want ik ben in zo’n schrijfselloze week vaak wel een keer of zes begonnen. Maar dan vond ik het niet iets om zomaar op het wereldwijde web te zetten. Ja, ik weet wel dat inmiddels de halve wereld niet alleen de schone, maar ook de vuile was buiten hangt op het internet, maar ik probeer dat toch maar niet te doen.
Veel vuile was is er niet trouwens. De wasmachine en de droger hebben de hele dag gedraaid. Er zal inmiddels vast wel weer iets in de wasmand liggen, want die is nooit langer dan een kwartier leeg, maar toch. Veel zal het niet zijn.
Figuurlijke vuile was heb ik ook niet veel. In een gezin met pubers gebeurt wel eens wat, natuurlijk. Er is er één erg hard op haar knieën gevallen. Daar pieker je dan over. Maar als je er over nadenkt, blijkt het beter te gaan zodra het kind een beetje rust neemt. Dat het nog niet zo heel goed gaat, komt omdat ze dat niet doet. “Ik stel me aan!” roept ze en loopt op school gezellig met de rest van de klas de trappen op en af. Ze hebben daar wel een lift, maar die vind ze eng. Ik begrijp ook niet dat zo’n grote school alleen een wankele goederenlift heeft en geen normale personenlift. Maar goed, het zou beter zijn als ze er wel gebruik van maakte. Ze besloot daarnet toch maar niet te gaan werken. Ik hield me in en zei: “Dat lijkt me verstandig.”, in plaats van wat ik dacht (welke idioot denkt er vijf uur door een tomatenkas te kunnen rennen met zulke pijnlijke knieën?).
Een andere dochter is haar kamer aan het opruimen. Alweer, nog steeds. Altijd eigenlijk. Er komt geen eind aan. Heel soms is het eventjes netjes, maar dat duurt niet lang. Het lijkt wel een beetje op die wasmand, eigenlijk.
De derde dochter had een slechte bui. Maar die lijkt op haar vader en praat nergens over. Die bokt. Andere dochters en ik praten. Oeverloos. Wij razen en tieren en huilen. Maar deze dochter en haar vader niet. Die zwijgen.
Daar kan ik niet tegen. Ik had gelijk, dus ik probeerde haar terug te pakken en zweeg ook. Eventjes, want lang hield ik het niet vol. toen hebben we het uitgepraat en was het over.
Niet bijster interessant allemaal. Geen dingen die geheim moeten blijven, maar ook niets om een schrijfsel van te maken.
Verder had ik het druk vandaag. Maar dat is ook niet nieuw. En ik heb daar pas al een stukje over geschreven. Dat kan ik niet blijven doen. Tenminste niet hier. Ik ben dat wel aan het doen voor het engelse weblog. “A day in the life of” gaat dat heten, dat doen er wel meer en het is leuk om te lezen.
Het viel niet mee om alles bij te houden, ik zal het wel een beetje moeten bewerken. Ik zat al aan twee kantjes toen het nog niet eens avond was. En dan heb ik de dochters met boze buien, rommelige kamers en zere knieën er nog uitgelaten. Het is wel een grappige manier om een dag te documenteren, met de tijden erbij. Als ik het teruglees, zie ik vooral veel heen en weer rijden, want de dochter met de zere knieën kon natuurlijk ook niet naar school fietsen en ik had twee opdrachten voor de krant. Ik drink ook opvallend veel koffie. Het heeft jaren geduurd voor ik dat spul ging waarderen, maar nu leef ik er op. Blijkbaar, want het gaat eigenlijk zonder erbij stil te staan. Ik merkte het pas toen ik het opschreef. Zeker als echtgenoot thuis is drink ik veel. Die laat namelijk regelmatig zijn koffie koud worden en vraagt dan om nieuwe. Maar dan heb ik de mijne al op en ik doe rustig nog even mee. Om vijf uur zat ik echter vol. Toen kwam het nog net niet letterlijk mijn neus uit. Om half acht kon er wel weer een kopje in, maar nu zit ik braaf achter de sinaasappelsap. Want ik zou vannacht graag wel een beetje willen slapen.
Als ik nu maar niet pieker over dochters met…. enzovoorts. Over mijn onregelmatige schrijfsels hoef ik in ieder geval even niet te piekeren, want het is er zo stiekemweg toch eentje geworden!
Vakantiegevoel
Ineens was het nodig. We moesten er even tussen uit. Nou ja, eigenlijk was het niet ineens. Echtgenoot had al eerder de agenda beetgepakt en gekeken of het mogelijk was een weekendje weg te gaan. Maar in de maand november stonden alle zaterdagen al volgeboekt met bezoeken aan open dagen. Dus liet hij het er maar bij.
Maar toen echtgenoot last kreeg van zijn rug, toen ik alleen maar vreselijk moe en chagrijnig was, toen echtgenoots talent om het onmogelijke uit zijn computer te halen zomaar kwijt leek en toen ik alleen maar met tegenzin aan de feestdagen kon denken, was het echt nodig om eens weg te gaan.
Dus klikte ik mijn maagdelijk witte document, waarop ik een gezellig gesprek van de hak op te tak moest zien om te vormen in een degelijk interview dicht en ging op internet zoeken. Dat bleek gemakkelijk te zijn, blijkbaar is “een weekendje weg” iets waar meer mensen naar verlangen. We konden pas zondag weg, dus ik voerde de datum in, bekeek de plaatsnamen en de plaatjes tot ik iets tegenkwam wat me aanstond. Oh, de zegeningen van het internet. Ik klikte op “boeken” en het weekendje was geregeld.
Zondag vertrokken we. We moesten eerst nog naar een verjaardag. Die was me op het moment van boeken eerlijk gezegd heel even ontschoten. Maar het hotel lag op ongeveer drieënhalf uur rijden bij ons vandaan, dus besloten we gewoon vroeg naar de verjaardag te gaan en vroeg weer weg. U denkt misschien aan tien uur koffietijd, en voor de lunch weer weg, maar dat werkt in onze familie iets anders. Op zondag in ieder geval. Verjaardagen en bezoekjes op zondag beginnen “na kerktijd”, ongeveer half twaalf. Dan is er de normale volgorde van koffie met gebak en een drankje met wat lekkers en dan wordt er om een uur of twee, drie, gezamenlijk soep en broodjes gegeten. Wat dan weer gevolgd wordt door koffie, gebak en eventueel hapjes en drankjes voor de laatkomers. Wij gingen dus veel te vroeg weg. Ik had een groot schuldgevoel, maar gelukkig begreep men dat het nodig was. De vorige verjaardag hadden we namelijk ook al vroegtijdig verlaten, maar toen omdat echtgenoot verder moest met zijn werk. Dat begreep men dan weer niet.
In ieder geval, met allerlei goede wensen en met achterlating van onze bloedjes van kinderen gingen we op pad. De bloedjes hadden er wel zin in, er lag pizza en salade en eierkoeken, de vriezer was gevuld en ze konden eindelijk eens zelf beslissen wat er op televisie gekeken werd.
Ik had even tijd nodig om het allemaal los te laten, maar toen we eenmaal de grens over gingen sloeg het vakantiegevoel toe. Ik zag de Duitse plaatsnamen, het landschap veranderde en ik bedacht hoe gemakkelijk het was dat je zomaar de grens over kunt rijden tegenwoordig, zonder controles, zonder geld te wisselen. Een beetje jammer ook wel, want het vakantiegevoel is nog veel sterker als je met vreemd geld moet rommelen. Het eeuwige gereken, er thuis achterkomen dat je toch een beetje scheef zat en tien procent meer uitgegeven hebt dan je dacht (wij waren in 2001 in Italië en rekenden 1000 lire als 1 gulden, terwijl het 1,10 was). Het droeg wel bij aan het vakantiegevoel.
Maria Oomkens schreef ooit een stukje over hoe je soms meer vakantiegevoel (VG) kunt hebben tijdens een weekendje Ardennen, dan tijdens drie weken Gran Canaria. Ik moest daar de hele tijd aan denken.
We stopten voor een kopje koffie en een broodje bij de eerste Raststätte over de grens. Alleen dat woord al staat garant voor een hoog VG. Het klinkt zo rustgevend, zo vakantieachtig. Veel beter dan ons nuchtere “wegrestaurant”. Dat doet me altijd denken aan het mopje over “strand weg, zee weg en toen ik naar huis wou… straat weg”.
We rusten dus wat bij de Raststätte en vervolgden toen onze weg. Om vier uur vonden wij het wat donker worden. “Kijk toch eens, wat een donkere wolken!” zeiden wij. Het regende ook een beetje, maar gelukkig niet hard. Om half vijf schudden wij teleurgesteld onze hoofden. “Het blijft maar zo regenachtig donker, wat jammer toch!” Om kwart over vijf drong het tot ons door dat de zon onder was en dat het gewoon avond werd. Tja. De combinatie van “nog maar net in de wintertijd” en het VG had ervoor gezorgd dat ik er niet bij had stil gestaan dat ook in Duitsland de dagen kort zijn zo half november.
In het donker vervolgden wij dus onze weg. De dorpjes waar we doorheen reden werden kleiner, de stukken onverlichte weg langer. Toen de tomtom aangaf dat we er bijna waren, konden we de omgeving nauwelijks meer onderscheiden. We reden het hotel twee keer voorbij omdat we aan de verkeerde kant van de weg keken, maar uiteindelijk vonden we het.
We werden met open armen ontvangen door de Nederlandse eigenaar, die ons een enorme kamer wees. Met ligbad, dat had ik besteld vanwege die opspelende rug.
We fristen ons een beetje op, namen beneden een drankje en kregen toen een heerlijke maaltijd voorgeschoteld. De vrouw van de eigenaar kwam van de Dominicaanse republiek, dus kregen we Dominicaanse Runderstoofpot. Dat verwacht je niet als je in Duitsland een hotelletje boekt, maar het was heerlijk. En iets onbekends eten is ook altijd goed voor een groot VG.
Na het eten dronken we nog een wijntje en luisterden mee naar het gesprek tussen de hoteleigenaar en een stel Duitse buren die kwamen eten.
Deze mannen wilden de sate wel eens proberen, een typisch Hollands gerecht in hun ogen. Daar hadden wij nog niet eerder over nagedacht. Altijd gedacht dat het chinees of Indonesisch was. De sate die wij als snack eten, met patat, is we van Indonesische oorsprong, maar aangepast aan onze Hollandse smaak. De Duitsers vonden het echter ook goed te eten. Ondertussen vertelden zij ons dat zij in Amsterdam geweest waren. De automatiek vonden zij “sehr cool”, het idee dat je zomaar geld inwerpt en dan meteen een warme snack hebt gaf hen blijkbaar een aardig VG. Het bier vonden ze echter net water en heel duur. Ik vermoed dat ze tijdens een of ander festival evenementenbier gedronken hebben. Liefhebbers van sterk bier waren ze namelijk niet, de een dronk een sneeuwwitje bij het eten en de ander cola-bier.
Al dat Duits gaf ons een heerlijk VG en wij gingen tevreden, na een heet bad naar bed. Dat bed was echt Duits, veel te zacht en met van die “haagse bluf”- kussens. Het lijkt heel wat, maar het is allemaal lucht. Toch sliepen we heerlijk.
We stonden laat op en kregen vers (af)gebakken broodjes bij het ontbijt. Als je normaal gesproken ontbijt met een bakje yoghurt met muesli (ik) of twee bruine boterhammen (hij) geeft zo’n warm broodje een heerlijk VG.
Na het ontbijt stapten we in de auto om de omgeving te verkennen. Dat vinden wij fijn. Gewoon op de gok kleine weggetjes rijden en kijken. De omgeving was een fijne verrassing, mede doordat we in het donker aankwamen. Wij wisten niet dat er op zo’n korte afstand van Nederland zulke serieuze heuvels waren. Heuvels en bergen zijn bij ons essentieel voor het VG. Rode aarde ook en laat de klei in die omgeving nou bruinrood zijn!
We reden leuke weggetjes tot een uur of één en parkeerden toen de auto in Winterberg. Daar schijnt het meestal heel druk te zijn, maar november is een tamelijk dode maand daar. De helft van de restaurants en hotels was dicht. Maar we vonden een gezellig restaurant waar we Bockwurst mit Friten aten. Daarna reden we de andere kant op en volgden weer allerlei kleine weggetjes door leuke dorpjes. Ik werd verliefd op de vele vakwerkhuizen die we zagen en dan vooral op de met die torentjes. We gingen er serieus over denken dat we daar toch wel zouden willen wonen en ik richtte in gedachten dat torentje alvast in als schrijf- en naaikamer voor mezelf. Altijd goed voor een flinke toevoeging aan het VG, zoiets.
Vlakbij het hotel lag de bron van de Ruhr. Je kon daar goed wandelen, maar gelukkig voor ons, met onze zwakke ruggen en slechte conditie, was de bron zelf dicht bij de weg. Je moest er wel een stukje voor lopen. Er stond zelfs een heel nadrukkelijk bord op het parkeerterrein waarop stond: Steige aus und gehe wandern!
Dat deden we en we zagen een piepklein stroompje water. Als je de Ruhr vooral kent als brede rivier in een zwaar vervuild gebied, is zo’n bron een rare gewaarwording. Net zoals alle baby’s schattig zijn bij de geboorte, begint ook zo’n rivier helder en lieflijk. Ik werd er zowaar een tikje beschouwend van. En ja, ook dat hoort bij het VG.
We zorgden deze keer dat we voor donker terug waren. We namen een drankje, praatten wat met de vrouw van de eigenaar, wat niet heel gemakkelijk was. Haar Nederlands is nog niet helemaal soepel en wij spreken geen Spaans. Maar we babbelden wat over haar land en ons land en over het feit dat ik er volgens haar zo helemaal niet Nederlands uit zie. Dat de donkere haren en ogen in mijn familie terug gaan tot de Spaanse tijd was lastig uit te leggen, ik ben bang dat ze nu denkt dat ik een Spaanse oma heb… Maar wat maakt het uit.
We namen weer een heerlijk heet bad. Het bad is het enige wat we missen van ons vorige huis. In dit, verder geweldige, huis hebben we alleen een zeer bescheiden douche. We genoten er dus echt van en ook dit droeg bij aan het VG.
We aten sate, want daar had echtgenoot zo’n trek in na het zien van die Duitsers de dag ervoor en gingen vroeg naar bed.
Thuis krijg ik die man van mij met geen stok voor half twaalf naar boven, maar hier lagen we ruim voor tien uur. En sliepen het klokje rond. Oh ja, we hadden dit weekend dan ook echt nodig…
We ontbeten weer met warme broodjes en toen was het tijd om afscheid te nemen. Omdat wij zeer rusteloze mensen zijn en onze vakanties meestal trektochten zijn, gaf ook dit ons een VG. Op naar de volgende halte. Die was dan thuis, maar we hadden een hele dag de tijd om daar te komen.
We vertelden de tomtom dat we snelwegen wilden vermijden. Het ding was het daar niet echt mee eens, het duurde tien minuten voor hij de route berekend had. Maar toen was het ook een leuke route. We zagen het landschap langzaam weer platter worden en de vakwerkhuizen werden schaarser. We verbaasden ons over de grote hoeveelheid zonnepanelen en hadden een diepzinnig gesprek over de zin en onzin van de energiemaatregelen die onze regering neemt. Daaraan kun je zien dat we uitgerust waren, als echtgenoot de wereld weer wil verbeteren en ik vrolijk meebabbel (en heel af en toe ook nog iets zinnigs te berde breng) gaat het goed met ons. Dat geeft dus een VG van jewelste.
We lunchten onderweg in zo’n uitstervend eethuisje. Piepklein, vier tafeltjes, maar goed eten. Echtgenoot had een schnitzel, die twee centimeter dik was. Het zag er netjes uit. Op alle tafeltjes lag een vrolijk kleedje en op dat kleedje stond bij elk tafeltje een vogelverschrikker met een pompoen, ter vervanging van het standaard vaasje met plastic bloem.
Aan een van de andere tafeltjes zat een oude man. Ik zat met mijn rug naar hem toe en hoorde hem steeds praten. Van dat echte oude mannen gepraat, gemompel en dan weer wat harder en af en toe een hijgend lachje ertussen door. Ik had gezien dat hij alleen zat, dus vroeg ik een beetje angstig aan echtgenoot : “Zit hij tegen jou te praten?”
Echtgenoot grinnikte: “Nee, tegen die pop!”
De eigenaresse van het eethuisje bracht de man zo nu en dan een biertje en zette dan een streepje op het viltje. Blijkbaar was de man dus een bekende en ongevaarlijk. Een beetje zielig vond ik het wel, maar hij leek heel gelukkig met zijn gesprekspartner, die hem in ieder geval niet in de rede viel.
Met uitpuilende magen reden we verder en we besloten nu toch maar de snelweg te nemen. Rechtstreeks naar huis gaan betekende precies op een raar moment thuis komen, vlak voor etenstijd. Met het gevaar dat de verleiding om toch nog even aan het werk te gaan voor echtgenoot wel erg groot was.
We reden dus langs Rotterdam richting Zeeland, waar ons campertje sinds kort logeert in één van de garageboxen van mijn vader. Zolang het campertje onder onze eigen carport stond, had ik hem gebruikt als bergruimte en men had hem meegenomen zonder dat ik de tijd had om hem leeg te ruimen, dus gingen we dat nu nog maar even doen. Het grootste gedeelte van wat erin lag, was namelijk seizoensmateriaal. Ik vond het snoepschaaltje voor Halloween (te laat!) en een sinterklaaszak (op tijd!) en natuurlijk lag ook de kerstboom en alle versiering in dat campertje. Toch wel handig om dat dichter bij huis te hebben in deze tijd van het jaar.
Toen we daarmee klaar waren was het precies etenstijd. We wilden nog even bij mijn ouders langs, maar zes uur is natuurlijk een rare tijd. Zelf hadden we nog niet echt honger, na onze zeer uitgebreide lunch, maar we besloten toch maar wat te gaan eten. We wilden eigenlijk gewoon een patatje of een broodje kroket, maar de snackbar bleek dicht te zijn. De pizzeria was ook dicht. Alleen de chinees was open. Die stond een beetje zielig voor zijn raam te kijken of er nog gasten kwamen. Vooruit dan maar. Dus aten we peking eend en babi pangang. Die natuurlijk geserveerd werden in de standaard ruime chinese hoeveelheden. Het was erg lekker, dus we aten tot we niet meer konden. Mag vast niet van het Voedingscentrum, maar ons gaf al dat heerlijke eten van die twee dagen een geweldig VG.
We dronken nog een kopje koffie bij mijn ouders (een koekje kon er echt niet meer bij!) en reden toen met een auto vol kerstspullen huiswaarts, waar onze dochters blij waren ons te zien, maar het allemaal prima gered hadden zonder ons.
En het feit dat ik meer dan tweeduizend woorden kan typen over een eenvoudig weekendje weg, is wel het beste bewijs dat het voor ons gevoel een echte vakantie was!
Open
Als je kinderen eenmaal op de middelbare school zitten, merk je dat het grote loslaten al aan het beginnen is. Bij de oudste twee kom ik één keer per jaar binnen die muren waar zij dagelijks uren doorbrengen, bij jongste drie keer per jaar. Voorlichtingsavonden en rapport ophalen (dat laatste dus niet op het VWO, maar wel op het VMBO – van mij mag het op beide scholen, ik vind het wel prettig om direct even de mentor te spreken).
Ik verwacht dat ik straks helemaal geen idee meer heb van hoe hun dagelijkse leven eruit ziet. Want hoe vaak bezoek je als ouder de universiteit of hogeschool waar je kinderen studeren?
Maar dat maak je gelukkig goed in het jaar ervoor. Deze maand is open-dagen-maand. En we bezoeken er heel wat. Wisten beide dames vorig jaar nog heel zeker wat ze wilden, dit jaar hebben we er één, die totaal een totaal blanco toekomstbeeld heeft.
Nou ja, niet helemaal. Ze weet in ieder geval voor honderd procent zeker dat ze niet wil wat ze vorig jaar wilde.
Vorig jaar ging ik met dit kind naar Delft. De TU, afdeling lucht- en ruimtevaarttechniek. Ik schepte er graag over op, overigens. Het is heel wat, een dochter te hebben die een dergelijke zware studie gaat doen. Maar na een open dag, een online proefstudie, een dagje meelopen en een project dat door de TU werd georganiseerd was ze het zat.
Huilend kwam na een maand bokken het hoge woord eruit: “Ik wil helemaal geen ingenieur worden!”
Tja. Toen moest er dus opnieuw georiënteerd worden. Ideeën kwamen en gingen, er werden interessetesten gedaan en nagedacht over onhaalbare doelen.
En we maakten een grapje, dat nu de meest serieuze mogelijkheid geworden is. Deze dochter vind het namelijk nogal leuk om mensen op hun fouten te wijzen. Taalfouten, stijlfouten, spelfouten, ze vind ze allemaal en dat zegt ze ook. Geërgerd riep ik: “Jij zou schooljuf moeten worden!”
En dat bleek ze eigenlijk wel leuk te vinden.
Dus gaan we naar een aantal PABO’s in de omgeving. En naar twee universiteiten waar je deze HBO studie met een master onderwijskunde kunt combineren. En als we dan toch bezig zijn, gaan we ook nog naar fysiotherapie en logopedie. Om niet helemaal los te komen van het beta gevoel bekijken we sterrenkunde en wiskunde. Maar ook nederlands, want daarmee kun je tegenwoordig ook heel wat kanten op. U begrijpt… de hele maand zijn we iedere zaterdag en twee vrijdagen onderweg. Van school naar school, van stad naar stad. En overal krijg je proeflessen en voorlichtingsuurtjes.
Het is dus eigenlijk niet zo gek dat mijn hoofd deze week erg vol zit met dingen waar ik niets aan heb.
Afgelopen zaterdag bijvoorbeeld kregen we een zeer boeiend verhaal over wat er allemaal mis kan gaan bij de opvoeding (pedagogie), een zeer saaie voorlichting over op welke manieren bedrijven met elkaar contact kunnen hebben (bedrijfscommunicatie) en een heel overtuigend verhaal over het bestuderen van onze moedertaal (Nederlands).
Ik heb vroeger zelf maar één open dag bezocht. Ik weet het nog precies, HBO-V op de Vijverberg in Ede. Ik wist het al toen ik het eerste klaslokaal bekeek: dit is niets voor mij. Ik was er dan ook eigenlijk omdat ik met een vriendin mee ging, niet omdat ik het zelf wilde doen.
Waarom ik verder nergens geweest ben, weet ik niet. Hadden we geen open dagen of interesseerde het me niet?
Nou ja, in ieder geval haal ik nu de schade ruimschoots in.
Oh ja, die andere dochter die dit jaar examen doet, weet die het wel, vraagt u?
Die weet het nog steeds heel zeker. Heeft zich zelfs al ingeschreven. Maar krijgt het wel spaans benauwd als ik vraag of ze zichzelf in de toekomst als archeoloog ziet. Eigenlijk niet. Dus.
Tja… in februari en maart zijn er weer nieuwe open dagen….
Kleuters
“Ze zijn wel een meter hoger dan toen ze kleuters waren, maar verder is er niets veranderd.” zei ik tegen de fietsenmaker. De dochters stonden te wachten tot ik afgerekend had en zij hun gesmeerde en gerepareerde fietsen weer mee konden nemen, maar dat ging weer eens niet zonder te kibbelen.
Verder zijn ze heel lief en ze worden in hoog tempo volwassen, maar dat gekibbel is om gek van te worden.
Natuurlijk heb ik “boter op mijn hoofd” (vindt u dat ook geen rare uitdrukking? Ik wel), want ik herinner me intense kibbelpartijtjes met broertje en zusje van toen ik zelf die leeftijd had. Blijkbaar hoort dat ook bij volwassen worden.
Het probleem is alleen dat ik er twee van ruim zeventien heb, die dus precies op de grens tussen puber en adolescent zitten. Dubbele emoties, dubbele probleempjes, dubbelen examenstress, dubbel gedoe. En dan heb ik er ook nog een van bijna zestien. Die is dus op het hoogtepunt van haar puberteit. Wat zich vooral uit in boosheid. Ze kan werkelijk overal kwaad om worden. En als ze al de moeite neemt om zich te beheersen (dat moet ik toch wel even vermelden, ze doet haar best), dan heeft ze nog de pech dat ze zo’n elastieken gezicht heeft.
Als ze dat ooit onder controle krijgt, kan ze goud verdienen op het toneel. Nu is het echter alleen maar lastig, want als iets haar niet bevalt, is dat overduidelijk te zien. De wenkbrauwen zakken, de onderlip gaat naar voren en de mondhoeken naar beneden. En meestal doet haar lichaam mee met inzakkende schouders en doorgezakte heupen. Nogmaals, als ze het onder controle krijgt, is het een geweldig talent. Maar nu roept het vooral ergernis op. Bij mij, maar ik heb dus geleerd om het te relativeren, maar in het bijzonder bij haar zussen.
Die worden dan ineens weer volop puber. Of kleuter, want dat verschilt dus alleen in lengte. Echt waar, laat al die boeken over opvoeden maar in de winkel staan. Pubers zijn kleuters met meer lichaam en iets meer levenservaring. Maar verder zijn ze hetzelfde.
Dus zegt er één: “Ja hoor, ze is weer boos!” En reageert onze vrolijke jongste met een kattig: “Ik ben helemaal niet boos.”
En dan wordt er gekibbeld over de vraag of ze boos is en waarom dan wel. Uiteindelijk wordt er dan van alles bij gehaald, van jaren terug soms en totaal ongerelateerd aan de eigenlijke reden van boosheid, die dan inmiddels allang weer vergeten is. Wat dat betreft zijn het dan net weer volwassenen. Maar ja, die gedragen zich op zo’n moment ook als kleuters.
Nu lijkt het net of ze voortdurend kibbelen. Dat valt dan ook wel weer mee. Het is alleen dat ik er zoveel werk aan heb. Want ik heb een hekel aan ruzie en probeer dus altijd zo snel mogelijk al die onderlinge irritaties op te vangen. Wat betekent dat ik eindeloze gesprekken voer met de hoofdpersonen van elk kibbelpartijtje. En die gesprekken gaan dus ook via allerlei omwegen. Want een puber (en dat is dan wel anders dan bij kleuters) heeft de hele wereld op zijn of haar nek. Het heden is zwaar, de toekomst is zwaar en het verleden was ook niet alles.
Voor mij zijn die gesprekken erg vermoeiend. En het helpt ook lang niet altijd. Het helpt nooit eigenlijk.
Dus ga ik een nieuwe regeling invoeren: komen praten over de problemen des pubers mag altijd, maar kibbelpartijtjes worden genegeerd of vriendelijk doch dringend verzocht zich te verplaatsen naar een plek waar ik er geen last van heb.
Ik moet dat alleen wel even duidelijk doorgeven. Want ik heb dit al een keer geprobeerd. Een dochter was vreselijk aan het stressen, met deuren aan het gooien en aan het stampvoeten. En ik negeerde dat volkomen. Ik zat op de bank en breide (gelukkig met dikke naalden, want anders had ik ze waarschijnlijk van emotie verbogen) en reageerde totaal niet. Later gaf deze dochter toe dat ze nog bozer was geworden omdat ik niet op het geraas afkwam. Dat doe ik normaal gesproken dus altijd.
Nee, dat moet veranderen! Wie een probleem heeft komt dat in het vervolg maar rustig vertellen. Andere signalen worden niet meer verwerkt.
Nu nog zorgen dat ik die andere signalen niet meer opvang ook. Maar dat zal niet meevallen. Ik ben ooit gevallen met de brommer, omdat ik van slag was door ruziënde vreemden in de supermarkt. Zo gevoelig ben ik ervoor.
Wat denkt u. Zou zo’n alu-hoedje werken?
Karakter
Onze kat heeft karakter. Van een weblog-vriendinnetje kreeg ik te horen dat haar dierenarts beweert dat zwart-witte katten het leukste karakter hebben. Nu hebben wij ook twee gestreepte katten gehad en een rood-witte, die alledrie ook een heel eigen willetje hadden, dus ik weet niet of ik het daar mee eens ben. Misschien ligt het ook wel aan de manier waarop je zo’n beest behandeld. Bij ons zijn het altijd volwaardige gezinsleden (nou ja, tot op zekere hoogte dan, het blijft een dier) geweest. Daarmee creëer je natuurlijk ook zo’n willetje.
Maar dat onze huidige, zwart-witte kat karakter heeft is in ieder geval een feit. Vanaf het moment dat ik hem een jaar geleden uit het asiel mee nam, heeft hij zijn eigen plaats in dit gezin opgeëist. Eigenlijk beschouwt hij ons als bijkomstigheden. Dit is zijn huis en wij behoren daar te zijn en te doen wat hij wil.
Als wij weg zijn, is het niet goed. Dan gaat hij gillen voor het raam tot we thuiskomen. De dochters mogen overdag weg. Daar is hij aan gewend. Dat vind hij zelfs fijn, want drie maal twee handen die je voortdurend willen aaien en oppakken is best wel veel voor een oude kater. Hij lijkt altijd te herademen als de laatste de deur uit is, maar zit vanaf een uur of drie wel te wachten voor het keukenraam om ze te zien thuiskomen.
De baas mag ook wel weg zijn. Overdag tenminste. Want ‘s avonds hoort de baas er te zijn voor de broodnodige stoeipartijtjes. Met al die vrouwen valt niet te vechten, die zeuren meteen dat het pijn doet als je eens lekker je tanden in zo’n hand zet.
Maar de vrouw… ja, dat is een geval apart. Die mag absoluut niet weg, het is een groot, enorm drama als de vrouw weg gaat.. De vrouw hoort thuis. Die moet meteen met het schepje aan de gang als hij iets in zijn bak gedaan heeft. En die moet het ook niet wagen om daar even geen zin in te hebben, want dan wordt er om de vijf minuten hard tegen de bak geklopt. Als de vrouw heel erg nalatig is, worden er drastischere maatregelen genomen. Meestal is het genoeg om alleen maar te beginnen met de rommel zelf maar uit de bak te schoppen. Daarnaast is de vrouw belangrijk voor het eten. Hoewel de andere vrouwtjes dat ook wel eens doen, gaat hij eerst altijd bij de grote vrouw vragen of het nog geen tijd is. Daar kunnen we het nog niet erg eens over worden. Hij is in de veronderstelling dat drie uur een mooie tijd is voor een eerste schotel blikvoer. Dat is dan om zes uur op en dan mag er nog wel een restje achteraan.
De vrouw vind echter dat hij genoeg heeft aan één keertje blikvoer en dat krijgt hij pas om een uur of vijf. Dus wordt er van drie tot vijf flink gezeurd.
Onze vorige katten schreeuwden letterlijk om eten, deze pakt het subtieler aan. Smekend voor je gaan zitten, zielige piep geluidjes maken, zachtjes tegen je arm tikken, nagels in je mouw slaan en proberen je mee te trekken en natuurlijk enthousiast mee huppelen als je ergens anders voor in de keuken moet zijn. Hij is ook in de volste overtuiging dat zijn aanpak werkt. Het duurt wel even, maar uiteindelijk geven ze toch toe. Om vijf uur dus.
‘s Avonds is hij de aandacht van de dochters wel min of meer zat. hij kan niet wachten tot ze naar bed zijn. Normaal gesproken gaat iedereen hier om half tien naar de eigen kamers. Slapen hoeven ze dan nog niet, maar een uurtje rommelen zonder televisie of computer is wel zo gezond. Bovendien hebben wij dan nog wat privacy. Met “wij” bedoel ik natuurlijk echtgenoot en ik. Maar de kat denkt dat hij daar ook bij hoort. Om half tien wordt het eindelijk rustiger in de huiskamer en dan wil hij graag op de bank of op het voetenbankje liggen, dicht bij ons. Af en toe een aai, een beetje spelen, maar niet te veel drukte. Dat is voor hem het toppunt van gezelligheid.
Maandag was er een goede film op televisie. En voor de verandering mochten de dames die af kijken, ook al duurde hij tot kwart over elf. Twee van de dochters hadden één of meer uren vrij die ochtend en de derde dochter kan goed tegen laat naar bed gaan. Dus wij keken gezellig met zijn allen. De kat vond het echter maar niets. Die kon zijn draai niet vinden. Kwam de huiskamer binnen, keek verwijtend naar de dochters, ging dan maar weer de keuken in. Kwam een kwartier later weer, liep een rondje, keek verwijtend achterom en verdween weer naar de keuken. En dat duurde tot de dochters naar bed gingen. Toen plofte hij zielstevreden op het voetenbankje en ging liggen slapen. Eindelijk had hij ervoor gezorgd dat ze naar bed gingen. Doodop wordt je van al dat geregel. Maar ja, als de kat niet zorgt dat de mensen zich aan hun schema’s houden, wordt het gewoonweg een rommeltje!
Over rommelige dagen en instortende kasten
Daar ben ik weer. Mijn excuses voor het overslaan van twee weken. Het voelt fout, alsof ik gespijbeld heb, maar er zat werkelijk geen enkel zinnig woord in mijn hoofd. Alleen pijn en zware vermoeidheid. Maar daar wilde ik het dus niet over hebben.
Deze week is mijn leven weer normaal. Dat wil zeggen, chaotisch, onvoorspelbaar en druk. Maar dat bevalt me toch een stuk beter dan de voorgaande twee weken.
Maandag wilde ik vol goede moed beginnen aan het huishoudelijk werk, waar ik dus ook al twee weken lichtelijk de pet naar gegooid had. Ik begon voor de verandering maar eens achter aan mijn lijstje, want dat deel schiet er nog al eens bij in. Strijken dus. Twee uur achter elkaar. Tja, dan is je dag gauw om. Maar echtgenoot heeft nu tenminste weer een stapel nette overhemden in de kast en ik hoef niet gauw voor hij naar iets belangrijks toe moet een overhemd uit de mand te vissen om nog even snel te strijken.
Toen dacht ik meteen die kast maar aan te pakken. Daar moesten zomerkleren uit en winterkleren in. Die winterkleren liggen onder ons bed en daar kan je niet gemakkelijk bij. Je moet de matrassen dan op het achterste bed leggen en de voorste bed bodem daar weer op. Snapt u? Zo niet, dan is dat niet erg. Het is gewoon niet gemakkelijk, dat is duidelijk.
Ik stapelde dus de bedden op en begon de kleding uit te zoeken. Na een half uurtje hing alles voor de winter in de kast en lagen de zomerjurkjes en -rokken (oh, wat zal ik die missen!) in de zakken onder het bed.
Toen keek ik naar mijn kast en dacht: “Wat staat dat ding scheef!”
Schever dan normaal dus, onze kamer heeft een scheve vloer, dus een beetje scheef is normaal. Gek woord, scheef. Als je het vaak schrijft, vraag je je af of het wel een normaal woord is. Schuin is misschien beter, Maar als je dat vaak schrijft, krijg je hetzelfde effect. Oh, ik dwaal af.
Ik ga de kast dus een zetje. Maar nu stond hij de andere kant op scheef. Ik gaf hem dus nog maar een zet en bedacht toen pas dat zoiets niet normaal was. Het wees bepaald niet op een stabiele kast. Dus riep ik echtgenoot, die dat bevestigde. Die kast ging instorten.
Dat kon best, want die kast wordt zwaar belast. Dat ding bevat niet alleen zowel mijn kleren als die van echtgenoot, maar er bovenop staan tegenwoordig plastic kratten met mijn voorraad stoffen en wol erin.
Echtgenoot kon die kast wel redden, zei hij, maar dan moest alles eruit. Dus haalde ik alles wat ik er net in gelegd en gehangen had uit, haalde echtgenoots kleding eruit (die heeft geen zomer/winter wisseling) en alle andere inhoud (ondergoed, sokken, beddegoed, mijn laarzen en tassen). De dozen met stoffen en wol moesten er natuurlijk ook af.
En dat in een kamertje van twee bij drieenhalf!
Toen moest de kast gekanteld worden om de achterkant er weer in te zetten. Er moesten blokjes onder om hem recht te houden. En toen vond echtgenoot dat er ook nog blokjes naast moesten. Maar daarvoor hadden we niet de goede (lees heel erg lange) schroeven.
Die moest ik dus maar even halen. Ik had nog meer boodschappen, dus ik maakte mijn rondje door de stad en kwam er toen bij de Praxis achter dat ik het blokje vergeten was. En ik had niet gemeten hoe lang die schroeven moesten zijn.
Dus ging ik eerst maar naar huis en daarna naar het dorp om nog wat andere boodschappen te doen. Nu had ik wel het blokje bij me, maar bij de baas van onze plaatselijke klussenwinkel heb ik een naam op te houden. Op schrijfgebied eigenlijk, maar dan wil je verder ook niet af gaan, dus ik besloot het blokje op te meten (ik heb een meetlint in mijn tas) en niet mee naar binnen te nemen.
Ik kocht schroeven en kwam terug bij mijn auto. Paste voor de zekerheid toch maar even bij het blokje en bleek toen de maten verkeerd onthouden te hebben. Kocht dus nog meer schroeven en reed naar huis. Moest nog een keer naar dezelfde winkel (met postagentschap, klein dorp) om postzegels te kopen voor de facturen die die dag weg moesten. Daar ging mijn reputatie.
Nou ja, die kan wel wat hebben.
Echtgenoot had het druk met klanten en had geen tijd om die blokjes vast te zetten. Ik zag het even niet zitten om het zelf te doen, dus het duurde nog uren voor ik de rommel in onze kamer kon opruimen. En toen was de maandag om en mijn week alweer rommelig en chaotisch begonnen.
En toen ik erover nadacht, besefte ik dat ik dat rommelige nog het meest gemist had in die twee (eigenlijk drie) weken ziek zijn…
Zelfvertrouwen
Er zijn mensen met een hoop zelfvertrouwen. Al weten ze dat ze iets niet zo heel goed gedaan hebben, dan nog zeggen ze: “Ik vond het niet slecht.”
Ik heb een dochter die zo is. Dat is fijn voor haar, maar wat minder prettig voor haar tweelingzusje. Want die lijkt weer op mij.
Wij zijn het andere soort mensen. Het soort mensen dat zichzelf nooit goed genoeg vindt. Het soort mensen dat de lat altijd weer net een stukje hoger legt.
Ik heb daar erge last van. Met fotografie bijvoorbeeld. Ik fotografeer al sinds mijn twaalfde (dat is tegenwoordig niet zo speciaal meer, maar toen best wel) en krijg regelmatig complimentjes. Bij het krantje zijn ze altijd blij met mijn foto’s en ik word nog wel eens ergens heen gestuurd om extra mooie foto’s te maken. Een paar jaar geleden, toen we nog per foto betaald kregen, verdiende ik heel aardig, omdat er van mij altijd meerdere foto’s geplaatst werden.
Je zou zeggen dat ik daar dus heel tevreden mee moet zijn. Maar dat ben ik dus niet. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik binnenkort keihard door de mand ga vallen. Men denkt wel dat ik goed foto’s maak, maar ik doe gewoon alsof. Gedeeltelijk is dat wel waar, trouwens. Ik heb nog steeds de ballen verstand van belichting en sluitertijden. Ik stel handmatig scherp en ik weet welke iso ik wanneer moet gebruiken, maar de rest van de mogelijkheden van mijn camera zijn abracadabra voor me. En dan begin ik nog niet eens over nabewerking in fotoprogrammatuur. Ik zit regelmatig met een stapel boeken voor mijn neus om nu eens echt te leren hoe het allemaal werkt, maar het lukt me niet. Het gaat teveel op wiskunde lijken, denk ik. Daarvan dacht men ook dat ik er wat van snapte trouwens, maar dat viel dus ook tegen. Ik ben nog er nog altijd heel slecht in, vooral als het met ruimtelijk inzicht te maken heeft.
Daarom heb ik ook een hekel aan patronen. Vooral naaipatronen, hoe zorgvuldig ik ook alle lijntjes overtrek, hoe zorgvuldig ik ook knip, het past nooit. Vandaar dat ik meestal zelf maar wat verzin. Dat is dus geen creatief talent, maar domweg een gebrek. Breipatronen lezen gaat gemakkelijker, zolang het maar uitgeschreven staat. Zodra men het visueel gaat maken, met stekenpatronen in van die tekentjes op een kaart, gaat bij mij het licht uit. Als ik het heel graag wil maken, schrijf ik zo’n kaart dan zelf maar uit, maar meestal haak ik gewoon af.
Soms laat ik mezelf door de mand vallen. Dat is eigenlijk niet slim. Maar ja, als mensen mij vertellen dat ze vinden dat ik alles zo goed onder controle heb, voel ik me bezwaard.
“Bij jou gaat altijd alles zo makkelijk.” zeggen ze dan en ik haast me om uit te leggen wat een puinhoop ik er vlak voor mijn visite arriveerde van gemaakt had, waarbij ik dan lichtelijk neig naar overdrijving.
Op dit moment pieker ik regelmatig over mijn schrijfwerk. Want het moment waarop mijn boek echt van de drukker komt en door mensen gelezen gaat worden komt nu toch echt dichterbij. En ik vind dat doodeng. Natuurlijk is het al geweldig als een uitgever je schrijfsels goed genoeg vind om er tijd en geld in te steken. Maar ik heb er vreselijk moeite mee daar gewoon trots op te zijn. Als mensen me vragen wat voor boek ik schrijf, verlies ik me altijd in verontschuldigingen. Het is geen literatuur en geen hoogstaande roman. Het is…. enzovoorts. Ik ben namelijk zo bang dat mensen anders teleurgesteld zijn als ze het lezen. Dat ze me er dan van beschuldigen dat ik flutromannetjes schrijf. Wat net zo goed een kunst is trouwens. Niemand geeft toe die dingen te lezen, maar ze hebben oplages waar ik alleen maar van kan dromen. Maar het is niet wat ik schrijf. Hoewel dat misschien ook al te maken heeft met een gebrek, niet met “te goed” zijn. Ik ben namelijk nogal slecht in het beschrijven van eh… intieme momenten, zeg maar. En die horen er nu eenmaal bij in zo’n boekje. De praktijk lukt me prima, hoor, alleen het omzetten in woorden… Nou ja, ik dwaal af. Een ander aspect van die flutromannetjes is dat de personages vaak zo onrealistisch zijn. De vrouwen zijn altijd slank, knap, stralend, levendig, slim enzovoorts. Als ze al fouten hebben, dan zijn het charmante fouten. Ze zien er zelfs geweldig uit als ze zonder makeup in een oude spijkerbroek en slobbertrui in de tuin werken (ja, ik lees die boekjes dus wel) en die mannen… tja. Die zijn ook knap en gespierd, sterk en geweldig attent. Als ze een keer onredelijk zijn en ruziemaken (altijd ongeveer halverwege zo’n boekje, dat hoort zo) doen ze dat wel heel stijlvol. Ze zijn altijd superromantisch en de hele liefdesrelatie verloopt met een snelheid en een romantiek die net iets te mooi is om waar te zijn.
Natuurlijk schaaf ik mijn personages ook wel wat bij, dat leest nu eenmaal prettiger. Maar ik vind het wel fijn als ik het idee heb dat het mensen zijn die ik zomaar op straat zou kunnen tegenkomen. Niet van die perfecte figuren waar een normaal mens niet aan kan tippen.
De komende tijd kan ik de vraag “wat voor boeken schrijf je?” natuurlijk steeds vaker verwachten. Ik zal er dus echt een omschrijving voor moeten vinden. Mijn uitgever noemt het “relax-romans” en collegaschrijfster Anita Verkerk noemt het “lekker-lui-lezen” en “voel-je-lekker-boeken”. Maar zij is razend populair in dat genre. Ik vraag me dan weer af of mensen zich wel lekker voelen als ze mijn boeken lezen… Of leggen ze het straks zuchtend aan de kant?
Wat natuurlijk ook een kwestie van smaak is. Want ik heb heel wat heel goede boeken van heel goede schrijvers zuchtend aan de kant gelegd omdat het verhaal me simpelweg niet boeide, of omdat ik het veel te expliciet vond allemaal. Niet die intieme momenten, dat sla ik gewoon over als ik niet in de stemming ben, maar al die vreselijke details over vechtpartijen, verkrachtingen, lijken en psychopatische moordenaars. Die hoef ik niet te weten, de echte wereld is al rottig genoeg.
Nu ik erover nadenk… Eigenlijk schrijf ik dus boeken die ik zelf graag lees. Boeken waarmee ik even aan de werkelijkheid kunt ontsnappen, maar die wel gaan over echte mensen, die dingen mee maken waar ik me mee kan identificeren. Verhalen over liefde en romantiek, maar wel op een realistische en tamelijk nuchtere manier. Met een vleugje humor, een tikje spanning en een happy end.
Kijk nou! Dat klinkt toch eigenlijk best als een degelijke èn positieve omschrijving…
