De twee oudsten zijn deze week met school op zeilvakantie. En het is net of er een gat in mijn dagelijks leven zit. Als je gewend bent aan drie pubers die altijd en overal in de weg zitten en aandacht vragen, dan is het huis ontzettend leeg als je er maar eentje hebt.
Verder zit er in de achtergrond een stemmetje dat me voortdurend herinnert aan alle gesprekken over deze week die we vooraf gehad hebben. De dames hadden er namelijk helemaal geen zin in omdat dit uitje er om bekend staat dat er belachelijk veel gedronken wordt. Dat is niet zo heel speciaal, dat weet ik wel. Want onze werkweken, twintig jaar geleden, waren ook berucht. Toch kan ik me nauwelijks iets herinneren van drankgedoe. Ja, een half plastic bekertje goedkope wijn, dat mijn beste vriendin voorzag van rode wangen en iets meer lef ten opzichte van die ene jongen. Maar verder? Ik dronk toen niet en volgens mij was ik lang niet de enige.
Maar goed, de jeugd van tegenwoordig schijnt erger te zijn dan de jeugd van toen. En we weten van een aantal klasgenootjes dat regelmatig veel te veel drinkt. Dat is de reden dat onze dochters buiten de groep vallen. Ondanks dat ze er nooit rechtstreeks discussies over gehad hebben, zeiden ze laatst, gaat men er gewoon van uit dat zij nauwelijks drinken. Waarschijnlijk omdat ze wel weten dat wij ook wat strengere regels dan de meesten hebben over computergebruik en zakgeld.
Toch gek, want onze dochters drinken dus heus wel eens iets. Vanaf dat ze een jaar of veertien waren mochten ze af en toe iets proeven en sinds hun zestiende mogen ze gewoon om een glaasje wijn, bier of iets anders vragen. Dat doen ze zelden overigens. Twee lusten het gewoon niet graag. Een van de drie vind het wel lekker, maar houdt uit zichzelf rekening met het feit dat ze nu eenmaal meestal weer vroeg op moet, de volgende dag.
Op feestjes gaat het ook altijd goed. Voor hun zestiende was de regel: liever niet, maar als je toch wilt drinken houd je het bij 1 glaasje. En nu, na hun zestiende, hebben ze zelf bedacht dat ze een drankje mogen voor ieder uur dat ze op zo’n feestje zijn. Wat ik een heel redelijke regel vindt.
Het zal dus wel loslopen met die twee.
Maar toch is er dat gat in mijn leven, deze week. Ook letterlijk trouwens. Want ik grijp regelmatig mis in de badkamer. Ik was vorige week echt behoorlijk ziek en had dus de dames gevraagd of ze zelf even wilden bedenken of we alles wel in huis hadden. Zij dachten van wel, maar begonnen zondagmiddag om vier uur pas met het inpakken van de tassen. Dus zaten wij maandag met een restje van de vieste tandpasta (aldus de overgebleven dochter), zonder shampoo (de dames hadden de bijna lege oude fles en de nieuwe fles eerlijk gedeeld) en zonder antiklitspoeling. En de enige haarborstel die nog in de badkamer lag, was die van oudste. Die is kapot. Dus had ze maar een andere meegenomen. Terwijl ze volgens mij twee of drie borstels in haar kamer moet hebben liggen, want ze krijgt regelmatig van die opklapbare gevalletjes voor in je tas met verjaardagen of Sinterklaas. Maar ja, die zijn niet prettig voor dagelijks gebruik, natuurlijk.
Ook bleek het leven voor hen gewoon door te gaan, ondanks dat ze weg waren. Want maandagavond om kwart over tien ging ineens de telefoon. Ik schrok ontzettend, want zo laat gaat de telefoon nooit. Het was één van de zeilende dochters, die even meldde dat ze met een vriendinnetje eindelijk de afspraak gemaakt had voor een musical waar ze heen zouden gaan en dat de kaartjes ook geregeld waren. Dat was fijn, want eigenlijk moest ik daarachteraan, maar van mij had ze dat wel even mogen sms-en of op een iets vroeger tijdstip mogen doorgeven. Maar goed. Ik vroeg nog of ze het naar haar zin had en ze zei: “Ja, hoor. Het is leuk.”
Nou, da’s mooi. En dat was dan het laatste wat ik gehoord heb. Vrijdagavond om kwart over zes staan ze weer bij school. Of later natuurlijk, want zo werkt dat met schooluitstapjes. Eerder kan ook, dat is helemaal stressen, want het duurt even voor je bij school bent en dan staan ze daar dus een kwartier te wachten. In hun eentje, want de rest woont veel dichterbij.
Maar ik kijk er naar uit. Dan is het gat weer gevuld. En ik denk er nog maar even niet aan dat over een paar jaar dat gat in mijn dagelijks leven normaal zal zijn…
Categorie: persoonlijk
Gewoon ik
Op mijn verjaardag
regent het. Tja… jammer, maar helaas. Ik moet steeds denken aan dat liedje over de meiregen… Best toepasselijk voor een verjaardag.
Moederschap
Ik heb het volgens mij vorig jaar rond moederdag ook al eens geschreven: ik lees te veel sentimentele (amerikaanse) weblogs. Vooral Amanda Soule kan zo mooi schrijven over haar gezin en hun leven samen, dat ik er tranen van in mijn ogen krijg. Of me zwaar erger, dat ligt aan mijn bui.
Want natuurlijk is moederschap iets geweldigs. En dat was het ook al toen mijn kinderen zo jong waren als de hare. Toen had ik helaas geen weblog, dus ik moet het hebben van die paar schrijfsels en mijn (niet zo heel betrouwbare) geheugen. Het is wel eens moeilijk de mooie momenten er tussen uit te pikken. Want moeder zijn van drie dochters die zo weinig in leeftijd schelen is vooral heel veel over je heen laten komen. Vooral niet druk maken. En dat deed ik toen ook niet. Ik weet nog dat de huisarts een keer langs kwam en lichtelijk verbaasd constateerde dat het speelgoed nog over de vloer verspreid lag. Dat was als compliment bedoeld, want, zei hij, bij de meeste mensen waar hij thuis kwam, was alles perfect opgeruimd en mochten de kinderen geen rommmel maken “want de dokter komt zo”.
Dat was niet eens in mij opgekomen. Bij mij mocht alles over de vloer en dat ruimde ik dan ‘s avonds op. Of ik veegde het met de huisbezem de hoek in, als ik te moe was.
De regel van “eerst terugleggen waar je mee bezig was en dan pas iets nieuws pakken” werkte bij ons gewoon niet. Want als je de dag begint met het aankleden van je poppen, bouw je van blokken een huis voor ze, lees je ze een paar boeken voor, moeten ze naar school, waar ze tekenen en plakken en ga je daarna met ze naar de dierentuin. Om maar een voorbeeld te noemen. Onderbreken van zo’n fantasiespel om dingen op te ruimen vind ik onnodig en niet gezond. Ik trok een paar jaar later wel de grens bij de kippen voeren met ministeck (dat lijkt tenslotte erg op zaadjes en het strooit ook erg gemakkelijk), want ik bleef die dingen overal vinden. En als ze daadwerkelijk wilden ministecken, waren we eerst een dag de kleuren aan het sorteren.
Maar goed, de kleine momenten, zoals Amanda ze beschrijft. Ik herinner me vele, vele geplukte madeliefjes en paardebloemen. Vooral Miriam deed niets liever dan bloemetjes plukken. Maar dan herinner ik me ook heel nuchter weer dat ze dan meestal met een geel neusje thuis kwam, dat met veel moeite schoon gepoetst kon worden (want ze had en heeft een hekel aan gefriemel aan haar gezicht). Dat gele neusje kwam omdat ze er van overtuigd was dat paardenbloemen lekker roken. Je moest dan alleen wel die bloem goed tegen je neus duwen…
Meer kleine moeder momenten… Als ik er goed over na denk komen ze wel bovendrijven… Tekeningen die met uiterste inspanning gemaakt waren en met veel moeite netjes ingekleurd. Als ik zei hoe mooi ik die tekening vond, dan was er altijd wel een stralend meisje dat zei: “Die mag jij hebben, mama!”
Hoe hun lange verhalen altijd onderbroken werden met een trouwhartig : “ja, hè, mama?”. Hoe ik voor het slapen gaan moest voorlezen (Pluk van de Petteflet en Pinkeltje) en daarna liedjes uit Disneyfilms moest zingen of “treintje naar dromenland”. Voor allemaal apart, zodat ik na afloop compleet schor was. Hoe ik ook schor was als we uit de bibliotheek kwamen, want dan moest ik alle prentenboeken meteen voorlezen. Eén keer maar, trouwens, want daarna “lazen” ze zelf aan de hand van de plaatjes. Hoe de oudsten toen ze eenmaal zelf konden lezen om de beurten beneden mochten lezen, omdat allebei hardop gegarandeerd voor ergernis zorgde. Hoe je een pijntje nog kon troosten met een kusje (“over!”) en een verdrietje met wat aandacht en een knuffel. Hoe schattig en knuffelig ze waren als ze net uit bad kwamen en in hun ochtendjasjes nog even naar beneden mochten. Hoe vuil ze werden van buitenspelen omdat er altijd van alles opgeraapt en opgegraven moest. Honderden stokjes van het vuurwerk slingerden er door het huis, want daar kon je dingen van maken (maar dat deden ze zelden). Hoe ze emmers vol slakken verzamelden die ze dan in onze tuin lieten staan als ze ze zat waren. Hoe Miriam toen ze bijna vier was, maar zo klein als een amper driejarige, als we samen de andere twee dochters opgingen halen bij school het altijd voor elkaar kreeg dat ik haar optilde. Dat deed ze heel stiekem, ze trok zichzelf omhoog aan mijn handen en meestal tilde ik haar dan gedachtenloos op mijn heup. Hoe fijn dat voelde, die kriebelhaartjes tegen mijn wang en die magere armpjes om mijn hals geklemd. Hoe ik soms met vier kinderen op mijn fiets balanceerde (ik er naast, hoor!) als er vriendinnetjes kwamen eten tussen de middag. Hoe ik er vaak zelfs zes had tussen de middag, omdat het bij mij nu eenmaal mocht. Hoe er altijd als ik met de dochters buitenliep minstens één klein handje in de mijne gelegd werd…
Maar dat was vroeger. Als je schattige kleine meisjes uitgegroeid zijn tot bijna volwassen vrouwen, verandert het allemaal. Dan moet je als moeder knokken voor je eigen plekje in huis. Letterlijk, want overal waar je zelf wil zitten, liggen boeken, laptops en schrijfmappen. Ook als ze allemaal twee kilometer verderop aan het zwemmen zijn. En als je dan vraagt of ze in het vervolg de boel op willen ruimen voor ze weggaan, kun je nog een snauw verwachten ook.
Verder is het nog steeds belangrijk om je niet druk te maken. Maar dat is een stuk minder makkelijk. Want kleuterverdrietjes zijn gemakkelijk te troosten en die raken je ook niet zo erg als moeder. Van een schaafwondje op de knie of een speelgoedje dat kapot is, word je zelf niet treurig en daarvan lig je ‘s nachts niet wakker. Maar als je dochter compleet in paniek raakt omdat ze een dossier niet kan vinden dat ze in moet leveren, dan vraag je je af hoe dat nu toch moet met dat kind. Die paniek-genen heeft ze wel van mij, maar bij haar is het veel erger. Ik kan me niet herinneren dat ik op haar leeftijd ooit zo vaak heb lopen gillen van de stress. Nu was ik ook een stuk minder slordig dan mijn dochters. En een stuk minder vaag. Dat dossier lag namelijk netjes in het kastje met de schoolspullen. Ze dacht alleen dat het in een geel mapje zat en was niet zo bijdehand geweest toch ook de blauwe mapjes eens te bekijken.
En een andere dochter moest ik vanochtend drie keer terug naar boven sturen omdat ze niet alles in haar tas gedaan had. Wel een gymbroek en shirt, maar geen schoenen bijvoorbeeld. Na vijf minuten kwam ze beneden en stopte kalm één gymschoen in de tas. Waarschijnlijk hoopte ze dat ik het niet goed zag of het er bij zou laten zitten. Na nog eens vijf minuten vond ze de andere. Ondertussen had ik die tas maar eens helemaal doorzocht om de boel te controleren en toen kwam ik erachter dat ze hem de hele meivakantie niet leeggehaald had. Het pakje brood dat ze die laatste dag niet gegeten had, was veranderd in een spannend groen scheikundeproject.
“Ja, ” zei ze schouderophalend “ik vond al dat mijn tas zo plantachtig rook.”
Bedankjes en enthousiasme is er ook niet echt meer bij trouwens. Dat dossier werd zwijgend aangepakt en toen ben ik maar zwijgend weggelopen (die driftige reacties slijten er wel uit in de loop der jaren). En men vind het ook maar niets dat ik die tas controleer. Andere kinderen bewaren al hun boeken in een kluisje op school. Dat vinden ze gemakkelijker, heb je altijd alles bij je. Ik vind dat raar, want dan kun je dus geen huiswerk maken omdat je je boeken op school hebt liggen (dat is dus ook een standaardsmoes). Voor diezelfde dochter zou dat trouwens toch niet werken, want toen ik vanochtend de vuile was uit haar kamer verzamelde (laat ik daar maar niet over beginnen), vond ik daartussen haar kluissleutel. Dat gebeurt ook wekelijks. En je kunt maar beter af en toe een boek vergeten, dan alles op school hebben, maar nergens bij kunnen. Vind ik.
Maar daar lig ik dus wel eens van wakker, ‘s nachts. Vraag ik me af hoe dat allemaal moet, later als ze voor zichzelf moeten zorgen. En vraag ik me af of ik de dingen dan toch anders had moeten doen vroeger.
Misschien waren de dochters wel minder slordig geweest als ik het vroeger niet goed had gevonden dat ze al het speelgoed over de vloer verspreidden.
Maar dan bedenk ik meestal nog wel meer. Dat ze alledrie ook heel goed in staat zijn om die puinhoop, waar ze zich blijkbaar in thuis voelen, weer op te ruimen. Dat ze alledrie een goed ontwikkelde fantasie hebben. Dat ze alledrie, ook de jongste met haar dyslexie en haar leerproblemen, graag lezen en ook zelf verhalen schrijven.
Misschien waren de dochters wel minder emotioneel en gestressd als ik kalmer en gelijkmatiger was geweest. Ik legde altijd wel uit waarom ik boos was, of een beetje heftig reageerde, maar ik had misschien gewoon veel meer zelfbeheersing op moeten brengen.
Maar dan bedenk ik dat mijn dochters door de meeste mensen worden beschouwd als lief, rustig en goed opgevoed. Dat ze alledrie hun emoties goed kunnen verwoorden. Dat ze elkaar en mij heel goed kunnen opvangen, als dat nodig is. En dat ze in echte noodsituaties heel kalm blijven (“toen heb ik net zo als jij gewiebeld met die knie en toen schoot de knieschijf weer terug”).
En als ik dan zo lig te denken, klaar wakker, midden in de nacht, dan bedenk ik ineens ook van die kleine dingen. Dingen zoals ik ze me maar vaag herinner van vroeger en waar ik tranen van in mijn ogen krijg als een ander ze beschrijft van haar nog kleine kinderen. Maar dan van diezelfde lastige puberdochters en heel recent.
Hoe een dochter na het lezen van mijn boek zei: “Ik heb een nieuwe favoriete schrijfster en dat ben jij.” Hoe ze met zorg een door mij gemaakt tasje uit kiezen voor speciale gelegenheden en er nog in het openbaar trots op zijn dat die door hun moeder gemaakt zijn ook. Hoe ze in volmaakte harmonie tien(!) theemokken voor me uitzoeken voor moederdag en ze allemaal apart inpakken zodat ik “lekker veel” cadeautjes hebt. Hoe ze soms ineens vragen of ze kunnen helpen (en echt niet expres als ik al bijna klaar bent). Hoe ze nog steeds graag met me gaan winkelen, want “met jou kan ik altijd wel iets leuks vinden”. Hoe ze als ik “auw” roept, bezorgd opkijken, zelfs van hun computer, en vragen: “Gaat het?”
Hoe ze ondanks het vele gekibbel zo’n echte zusterband hebben met z’n drieën. Hoe de één bezorgd opbelt in de pauze om te vragen waar de ander is (ze zitten op dezelfde school, maar hebben andere roosters, dus ze wist nog niet dat Es ziek thuis gebleven was). Hoe een dochter bij navraag niet kon bedenken of haar zusje iets mankeerde (ja dus, oogafwijking, dyslexie, concentratieproblemen), want “voor mij is ze gewoon mijn zusje”. Hoe jongste soms ineens bij me komt zitten en zegt dat ze zich zorgen maakt om één van haar zussen omdat die zo chagrijnig tegen haar is .
Hoe ze af en toe (liefst als je met een blad vol kopjes in de keuken staat of als je midden in een moeilijke zin in een artikel zit) hun armen om me heen slaan en zeggen: “Je bent lief.”
Zo. Dat is nog best een hele lijst geworden. En als over tien jaar Amanda weer zo prachtig beschrijft hoe leuk en lief en geweldig haar pubers zijn, heb ik mijn herinneringen aan deze tijd tenminste ook zwart op wit staan!
Rimpelig
Nu we de verjaardagen van de oudste dochters met succes gevierd hebben, is het weer tijd om naar mijn eigen verjaardag uit te kijken.
De verjaardag van de dochters was fijn, trouwens. Heerlijk weer, dus we hebben de hele dag buiten gezeten. De dochters met vriendinnen op het dakterras en wij op een geïmproviseerd terras bij de deur (om dat goed uit te leggen moet ik een plattegrond van het huis tekenen. In het kort: onze enige deur zit aan de zijkant van het huis, we hebben containers en fietsen verplaatst om een terras op de oprit te maken). De twee neefjes waarvan ik bang was dat ze elkaar gezellig stoeiend van het dak zouden duwen (en waarvoor ik dus het hele dakterras verboden toegang had moeten verklaren) kwamen niet, dus dat kwam eigenlijk wel goed uit. De bijbehorende tante kwam onder schooltijd, dus de dochters waren toch tevreden.
Maar goed, nu mijn eigen verjaardag. Eigenlijk kijk ik daar helemaal niet naar uit. Ik vind het maar niets, dat ouder worden. Nou ja, dat gaat natuurlijk vanzelf, daar merk je eigenlijk niet veel van. Maar dat je er ieder jaar zo bij stil moet staan en dan alweer een jaartje toe moet voegen aan je leeftijd. Verschrikkelijk vind ik dat.
De dochters niet. Die vinden het geweldig. Zeventien. Dat klinkt ook wel goed. Bijna volwassen. Met de voordelen van nog net kind zijn. Zoiets.
Ik heb nooit echt moeite gehad met mijn leeftijd tot ik de dertig bereikte. Verschrikkelijk vond ik dat. Ik heb er zo over gezeurd dat ik van mijn zusje een speciaal pakket cadeau kreeg. Allemaal kleine pakjes met briefjes erop. Een spiegel “om je rimpels in de gaten te houden”, pillen tegen vergeetachtigheid, een kam “voor de grijze haren” en anti-rimpelcreme. Heel grappig, dat wel.
Maar sinds mijn dertigste heb ik er toch serieus moeite mee. Vooral met die rimpels. Grijze haren kun je verven, dat is gemakkelijker. Maar die lijntjes rond mijn ogen…
Ik krijg nog steeds te horen dat mensen me jonger schatten, maar als ik in de spiegel kijk krijg ik toch het vermoeden dat die mensen een tikje bijziend zijn. Want die kraaienpootjes zijn echt wel zichtbaar. Ik probeer er wel rustig onder te blijven, hoor. Dan zeg ik, net als Maria Oomkens: “Kijk, het zakt” en probeer dat maar gewoon te accepteren. Maar leuk is het niet. Er zakt trouwens nog wel meer dan die huid rond mijn ogen en daar baal ik helemaal van. Maar dat zien die mensen van “ik zou je veel jonger schatten” natuurlijk sowieso niet.
Op de foto boven mijn website zijn de rimpeltjes trouwens ook goed te zien. Dat komt omdat ik echtgenoot foto’s van mij laat maken. En die wacht met afdrukken tot ik echt lach. Niet alleen mondhoeken omhoog, maar voluit. Dat vind hij mooi. Ik niet, maar hij is onvermurwbaar. Lachende foto’s of geen foto’s. Er hangt of ligt bij mijn ouders ergens een fotolijst met foto’s van jaren terug. Geen idee hoe lang, maar ik was zeker nog geen dertig. Toch zijn daar ook rimpeltjes zichtbaar. Want als ik lach, knijp ik niet alleen mijn ogen iets dicht, en gaat mijn mond zo wijd open dat er van alles omvouwt. Nee, ik trek ook nog eens mijn neus op. Waardoor ik dan aan elke kant een rij rimpeltjes krijg. Vreselijk.
Echtgenoot zegt dat ik trots moet zijn op mijn lachrimpels. Dat kleine vouwtje tussen mijn wenkbrauwen, gevolg van hoofdpijn en dat streepje naast mijn mond, gevolg van een cynisch gezicht trekken, vind hij veel lelijker, maar die zijn gelukkig (nog) bijna niet zichtbaar.
Hij zal wel gelijk hebben. En het is ook onvermijdelijk. Maar ieder jaar als ik jarig ben, zie ik ze extra goed en dat vind ik niet leuk. Weer een jaar erbij en de rimpels om het te bewijzen, denk ik dan.
Toch dit jaar maar eens op een andere manier in de spiegel kijken. Controleren of de lachrimpeltjes nog in de meerderheid zijn. En anders daar maar eens serieus aan gaan werken!
Kan dat? Serieus meer lachen? Nou ja, jullie begrijpen wel wat ik bedoel…
Oranje boven
Koninginnedag. Ik ben er dol op. Eigenlijk ben ik helemaal niet koningsgezind, maar dat maakt niet uit. Ik vind het toch gezellig.
Mijn vroegste herinneringen aan die dag zijn wel heel koningsgezind trouwens. Want wij gingen met de basisschool (toen nog de lagere school) altijd eerst verkleed in optocht het dorp door en daarna zingen voor de bejaarden. “In een blauw geruite kiel, stond hij aan het grote wiel” en “In naam van Oranje doe open de poort”. Die laatste is een van mijn favorieten, omdat ik het ritme in de melodie zo pakkend vond. En natuurlijk de zilvervloot (“Piet Hein! Piet Hein! Piet Hein zijn naam is klein), dat kon je zo heerlijk hard zingen. De bejaarden vonden het toch wel prachtig. En na het zingen weer terug naar school en spelletjes doen. Dan was de ochtend nog niet eens om, want we begonnen vroeg. Volgende stop was opa en oma, want dan konden die zien hoe we verkleed waren. Bij opa en oma stond altijd de televisie aan en dan konden we nog net een stukje van het defilé (in de Juliana-jaren) of het bezoek van de koningin aan altijd andere dorpen dan het onze (Beatrix) zien. Dan thuis wat eten en naar de rommelmarkt en de kermis.
Van latere jaren herinner ik me vooral de rommelmarkt. Honderden boeken heb ik daar gekocht. En dan ‘s avonds naar de Taptoe. Ik hield helemaal niet van dat soort muziek, maar op koninginnedag vond ik het voor één dagje mooi. En meestal overwoog ik dan ook majorette te worden. Al hadden de dames van onze dorpsgroep meestal niet de leukste pakjes, dus dat was dan weer jammer.
In onze Goudse jaren gingen we meestal eerst naar de grote rommelmarkt aan het Raam. Verder was er voor gezinnen met jonge kinderen niet veel te beleven in die stad. We gingen dus vaak naar mijn ouders of een gewoon een stukje rijden.
Eenmaal verhuist naar het geboortedorp van echtgenoot werd koninginnedag vooral iets voor de kinderen. Want wij vinden er hier niet zo heel veel aan. Linedancing heeft blijkbaar niet de sfeer van die taptoe. Het is allebei mijn smaak niet, maar het traditionele linedancen hier in het dorp doet me helemaal niets. De kinderen vonden alles wat er georganiseerd werd geweldig. Van de basisschool kregen ze bonnen voor gratis ranja, gratis ritjes op pony’s en rodeostier en gratis rondje in de draaimolen. Toen ze eenmaal oud genoeg waren om alleen naar het dorp te gaan, gaf ik ze een portemonneetje met wat geld erin en dan zag ik ze de hele dag niet.
De lawaaioptocht hebben we gelukkig maar één jaar gedaan. Dat was een ramp. Jongste kon nog niet zo heel goed fietsen, en ik heb de hele route mee moeten rennen, omdat ze iedere keer als de optocht weer vastliep omviel. Verder is er een kleine rommelmarkt, die heb je zo gezien en wat kinderkraampjes, maar daar kun je vooral goedkoop aan speelgoed komen, wat bij ons niet meer van toepassing is. Dat hebben die-van-mij ook een keer gedaan. Vreselijk vond ik dat. Ik ben tegenwoordig wel wat gemakkelijker met dingen wegdoen, omdat we simpelweg geen ruimte hebben, maar het stond me enorm tegen speelgoed dat ze van familieleden gekregen hadden voor een paar euro op die kraam te zien liggen. Maar ja, “iedereen deed het” en ik wilde geen spelbreker zijn. Bovendien hadden ze die kraam samen met een vriendinnetje en stak onze initiële verkoopwaar (dingen die echt wel weg mochten) nogal af tegen dat van haar. En aangezien ze de opbrengst eerlijk zouden delen, kon ik dat ook niet maken. Ja, zo laat je je erin luizen…
Vorig jaar hebben we het anders gedaan. Ik wilde graag naar Gouda, naar die grote rommelmarkt. Het jaar daarvoor hadden echtgenoot en ik dat samen gedaan, maar nu wilden de dochters wel mee. We gingen dus met zijn allen. Op de markt splitsten we in twee groepen (echtgenoot en ik samen en de kinderen met zijn drieën) en spraken een verzameltijd af. Daarna dumpten we de buit in de auto en wandelden naar de Markt om een patatje te eten. Aan de andere kant van de Markt stond een groot podium, dus we besloten te wachten wat daar op zou komen. Dat bleek ontzettend goede muziek te zijn en we hebben de rest van de middag staan swingen en zingen in het heerlijke zonnetje dat we vorig jaar dus wel hadden rond deze tijd..
Dat niet alleen wij daarvan genoten hadden, bleek afgelopen week. Om eerlijk te zijn was het bij ons behoorlijk weggezakt, maar de dochters hadden alle pogingen tot afspraken van anderen afgewezen “want misschien gaan we wel weer naar Gouda”.
Dat doen we dus maar. En nu maar hopen dat het weer een beetje meewerkt. Het is zo jammer als de boel verregend. Maar ach, ook dat is een koninginnedag traditie…
Tuinieren
Ergens in de warrige hoofd van mij wordt het woord tuinieren nog steeds geassocieerd met hele romantische dingen. U kent dat wel. Strohoedje op, gebloemde handschoentjes en dan hier en daar een sprietje onkruid weg halen. Of met zo’n platte mand bloemen en kruiden gaan knippen.
Nu weet ik niet of dat wel bestaat, maar in mijn leven in ieder geval niet.
De tuin is bij ons altijd het sluitstuk van het hele huizengebeuren. Niet dat het ons niet interesseert, maar op de een of andere manier komt het er nooit van.
Ons allereerste tuintje bij ons allereerste huisje was volledig betegeld en volledig verzakt. De kinderen speelden er in de zandbak of in het badje en ik hing er de was op, maar daar was het ook wel mee gebeurd. Pas toen we de tuin ophoogden en een paar smalle borders met plantjes maakten, begon het ergens op te lijken. Maar dat was kort voor onze verhuizing.
We verhuisden naar een groter huis met een grotere tuin. Achter was niet veel te doen. Alweer totaal betegeld. En er was een vervelende buurman die dreigde benzine over mijn planten te gooien als ik het waagde die tegen zijn (oerlelijke) schutting te planten. Dus hield ik het maar weer bij een klein bordertje in de hoek. De voortuin was wel beplant, maar ook vergeven van het onkruid. Ik was vooral bezig met wieden. Maar ik begon toen wel de smaak van het tuinieren te pakken te krijgen. Ik zaaide mijn eigen goudsbloemen en maakte plannen voor een complete cottagetuin. Maar we verhuisden weer en deze keer naar een huis met een compleet ingerichte tuin. Gemaakt voor mensen die niet van tuinieren houden. Die tuin was altijd groen, maar ‘s zomers en ‘s winters hetzelfde. Het enige wat er moest gebeuren was het snoeien van de klimop dat over de schuttingen groeide. Dat groeide zo hard dat ik eigenlijk zelden ergens anders aan toe kwam. Ik heb wel een eigen planten kasje gehad, waar ik kruiden kweekte, maar die verschroeiden dan altijd in de zomer als we op vakantie gingen. Dat werkte ook niet echt.
Het huis dat we nu hebben had eigenlijk alleen een voortuintje. Er was wel ruimte voor een klein terras, dus we vonden dat het het waard was. Vanuit dat voortuintje kijk je namelijk wel een paar kilometer de polder in. Het voortuintje was zwaar verwaarloosd. En de zijtuin ook. Ik bleef onkruid trekken. Vorig jaar knapten we de voortuin op, een paar struiken erin en houtsnippers eromheen. Dat zag er veel verzorgder uit. De zijtuin is grotendeels weg nu, doordat we de oprit verbreed hebben.
Maar gelukkig hebben we nu ook een achtertuin. Die konden we van de buren kopen, die grond achter ons huis hadden. Het eerste jaar deden we er niet veel. Dat hoefde ook niet, want de buren hadden het al helemaal opgeknapt. Bovendien hadden we het te druk met het opknappen van het huis zelf. Ook de twee zomers daarna was het voldoende wat onkruid te wieden. Maar dat echte romantische tuinieren zat er nog niet in. De borders stonden namelijk vol met rozemarijn en rozenstruiken. Omdat die nu toch zwaar aan het verwilderen waren, begon ik vorig jaar met het grotendeels leeg maken van de border. Met ergens in mijn achterhoofd het idee dat ik dan deze zomer die cottagetuin uit mijn dromen zou gaan aanleggen.
Tja. En toen kochten wij een zwembad. Een vrij groot zwembad ook nog. En om dat in onze toch niet kleine achtertuin kwijt te kunnen, moet de border weg. En moeten de tegels eruit.
Dus sta ik deze mooie lente dagen niet romantisch bloemen te zaaien en rozen te knippen. Nee, ik sjouw tegels en ga met een breekijzer de rand van de border te lijf. Het is blijkbaar gewoon niet voor mij weggelegd…
Maar ik heb wel een kleine troost. Wat zeg ik, een vrij grote troost zelfs. Over een maand hebben wij een zwembad in de tuin. En dan heb ik niet eens meer tijd om met een strohoedje door de tuin te zweven. Baantjes trekken en dobberen moet ik!
Schoonmaak
Het is nu toch echt lente aan het worden. En dat merk ik dan niet alleen aan de vogels die me wakker fluiten of de bomen die groen aan het worden zijn, maar aan mijn huishoudelijke kriebels. Want hoe ouderwets het ook moge zijn, ik ben aan de voorjaarsschoonmaak. Niet zoals het toen hoorde, overigens. Vrouwen van een halve eeuw of langer geleden trokken daar een week voor uit en werkten het hele huis van boven naar beneden af. Nu heb ik maar heel weinig boven, dus dat scheelt, maar ik doe het op mijn eigen chaotische manier. Ik heb dit weekend de kast in de huiskamer opgeruimd en onze slaapkamer. Die slaapkamer is wel boven, dus dat is goed. Verder heb ik ook de rest van de huiskamer een goede beurt gegeven. Dat was hard nodig.
De slaapkamer was nog harder nodig. De kasten puilden uit en er lag een belachelijke hoeveelheid stof onder het bed. Maar nu is alles keurig schoon. Het kamertje ernaast is niet zo netjes. Daar slaapt jongste, die nog steeds in afwachting is van haar nieuwe kamer achter in het huis. Zij is nu ook aan de “schoonmaak”. Wat in theorie geweldig klinkt, maar in de praktijk betekent dat ze alle rommel op de grond gooit en dan niet meer weet hoe ze verder moet met opruimen. Tot ik het maar weer doe.
Het gaat wel elk jaar beter, dus ik heb goede hoop.
Zelf ren ik nu heen en weer tussen het onderhouden van de huiskamer en de slaapkamer (want nu wil ik ze graag zo schoon en netjes houden) en de klussen die nog op me wachten.
De tuin bijvoorbeeld. Tuinen moet ik eigenlijk zeggen, want we hebben drie stukken. De voortuin is het belangrijkst, dat zie je als je langsrijdt. Ik heb er nu twee keer een uur onkruid getrokken en je gaat het eindelijk zien. De zijtuin is gemakkelijk. Die is nu een stuk kleiner en er staan drie grote struiken en een boom, meer niet. Nou ja, meer moet er niet staan, ik moet dus ook daar onkruid gaan trekken. En dan de achtertuin. Veel te veel tegels naar mijn zin en toch bijna niet te onderhouden. Omdat we vanuit huis eigenlijk nauwelijks zicht hebben op de achtertuin (alleen vanuit een slaapkamer) verandert het daar ‘s winters vaak in een enorme puinhoop.
De stoelen zijn door de stormen door de hele tuin geblazen, er ligt hout dat nog verzaagd moet worden (voor het vuurtje, maar we hebben nu ook een enorme berg van mijn ouders gehad, dus we kunnen voorlopig branden) en mijn potten staan kriskras door de tuin. Met onkruid erin.
Ik moet dus buiten nog een hoop doen. En binnen eigenlijk ook. De keuken moet nog een grote beurt. Kastjes leeghalen en soppen en de oven boenen, dat soort dingen. Leuke dingen. Ik wil ook meteen “even” de muren witten eigenlijk. Want er zit een vreselijk lelijke plek boven de koelkast. We kregen lekkage.door de verbouwing van de buren. De lekkage is opgelost, maar de plek zit er nog.
Ik denk verder maar even niet aan dat kamertje van jongste en verdere verbouwingsachtige activiteiten, want dan heb ik tien dagen in een week en dertig uren in een dag nodig. Ik merk het nu al: ben ik een stuk actiever op huishoudelijk gebied, dan liggen een hoop andere bezigheden stil. Wat ook niet handig is. Ik moet een interview uitwerken, een jurk afmaken, kastjes die we vorige week voor een dochter bij Ikea gekocht hebben in elkaar zetten en haar sprei afmaken, de boekhouding doen en nog veel meer. Eigenlijk is het niet anders dan van de winter, ik heb het druk en mijn lijstjes worden steeds langer. Maar toch… als de was buiten hangt, als ik in het zonnetje in de tuin onkruid sta te trekken, als de kat zich behaaglijk uitstrekt in een streepje zon op de vloer, dan zie ik het allemaal niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk een stuk zonniger in.
Pubers en geld
Puber met geldproblemen zijn knap lastig. Ik heb het nu niet over de schrijnende geldproblemen en schulden die tot mijn verbijstering ook al bij zulke jonge kinderen voor blijken te komen, maar het standaard pubergedoe. Aan het begin van de maand al door zak- en kleedgeld heen zijn, dat soort geldgebrek.
Onze dochters krijgen de laatste jaren zakgeld en kleedgeld per maand en op de bank. Dat doen we om ze te leren om te gaan met pinnen en overmaken. Toen ze kleiner waren kregen ze gewoon wat kleingeld in een potje, dat was overzichtelijker. En ik heb zelfs een tijdje kleedgeld contant in portemonnees gedaan om ze te leren budgetteren.
Maar nu zijn ze al bijna volwassen en zullen ze het toch moeten leren op de manier die normaal is tegenwoordig. Dus stort ik maandelijks een bedrag op de rekeningen en houd verder alleen maar van een afstandje toezicht. Die schrijnende schulden hopen we te voorkomen door ze alleen prepaid telefoons toe te staan en voortdurend er op te hameren dat het kopen van ringtones een belachelijke berg geld kost.
In de ogen van klasgenootjes krijgen ze trouwens idioot weinig kleedgeld. En dat gaat niet meer worden ook. Ze werken namelijk ook alledrie, dus kunnen ze zelf beslissen of ze daarmee het kleedgeld aanvullen of andere aankopen doen.
Ze begonnen hun werkende leven alledrie met het bij elkaar sparen van een laptop. Dat vind ik een mooi begin, want dan moet je toch heel wat maanden je salaris netjes op je spaarrekening storten, zonder je te buiten te gaan aan je ineens verruimde budget. En daarna… tja. Dat varieert. Eén wil er heel graag zo vroeg mogelijk een rijbewijs en een auto, dus die pot alles op. Er is nu wat geld af voor kastjes en een opklaptafel in haar kamer, maar de rest blijft netjes staan. Jongste is net klaar met sparen voor haar nieuwe laptop. Dat was nodig ook, want de oude had het opgegeven. Ze had nog geld over en eigenlijk moest dat gewoon op. Dus kocht ze zondag een (goedkope) MP3 speler en een cd. En toen was er nog meer geld over. Dus wilde ze nog iets kopen. Daar heb ik toen maar een stokje voorgestoken. Want mei en juni zijn bij ons dure maanden voor de dochters. De tweeling is jarig, ik ben jarig, echtgenoot is jarig en dan heb je ook nog moederdag en vaderdag. Meestal mats ik ze een beetje met wat extra zakgeld, maar natuurlijk niet als ze alles er expres doorheen jagen.
Andere dochter is een twijfelgevalletje op geldgebied. Zij is namelijk een beetje zielig. Ik ga deze week met haar zussen allebei een dagje winkelen. Met oudste ben ik gisteren geweest. Heel gezellig, lekker wat gegeten samen en een hoop gekocht. Met jongste ga ik donderdag. En met middelste ga ik niet. Want die heeft geen geld en een hekel aan zinloos winkels kijken. Dus nam ik haar gisteren mee toen ik mijn schoonmoeder ging bezoeken in het ziekenhuis. Niet dat dat een vergelijkbaar uitje is, maar dan had ik tenminste ook met haar wat één-op-één-tijd in de auto. En omdat zij onze slechte gewoonte van samen iets eten (slecht, want natuurlijk wel bij een fastfoodtent – zij mogen kiezen) mis liep, dacht ik op de terugweg (bezoekuur om zes uur, heel handige tijd) dan voor ons allemaal maar iets te halen bij haar favoriete hamburgerketen. Want mee naar een zieke oma is natuurlijk ook niet echt een uitje.
En toen er per ongeluk één extra grote hamburger bij zat, kreeg zij die, want zij ging niet met mij winkelen en kreeg dus niet nog een keer wat lekkers, en oudste had dat vandaag al gehad en jongste kreeg dat donderdag nog (ja, ik schaam me dood – vandaag eten we sla). Het arme kind.
Maar waarom ging ze ook al niet mee winkelen? Omdat ze toch geen geld heeft om iets te kopen. En waarom heeft ze dat geld niet? Hoge kosten, grote problemen?
Wel nee! Dit kind moest en zou op balletles. Dit naast de musicalgroep die wij voor haar betalen, dus dat moest uit eigen middelen. Ze heeft daardoor inderdaad behoorlijke maandelijkse kosten, maar dat valt goed te doen en is haar eigen keuze. Ze houdt nog genoeg over, Maar de rest van haar geld is op omdat ze over anderhalve week een heel weekend naar een fantasybeurs gaat. Dat geld zit in stoffen voor een kostuum en treingeld om die stoffen met een paar anderen in Maastricht te gaan kopen, in campinggeld, want de dames gaan gezellig kamperen met z’n vieren en in dubbele entree, want 1 dagje was echt te kort. En dan moet er nog wat gereserveerd worden om leuke dingetjes te kopen en lekker te eten.
Dat wist ik allemaal. En toch kreeg dat “arme” kind dus de grootste hamburger. Na de laatste hap zei ze met een flinke dosis zelfkennis: “Eigenlijk ben ik de boel wel een beetje aan het manipuleren, hè?”
Ja, dat kun je wel zeggen!
