Mijn leven op dit moment
Steeds als ik denk dat het leven niet hectischer kan worden, blijk ik dat verkeerd te hebben gezien. Ons leven op dit moment is een mix van leuke dingen (ja, toch ook wel) en heel veel gedoe. Echtgenoot is afwisselend ziek en zo vol energie dat hij niet bij te houden is (voor mij dan). Het huis gaat waarschijnlijk volgende week in de verkoop (als ik de laatste dingen opgeruimd, schoongemaakt en gewied heb) en daar heb ik zeer gemengde gevoelens over, maar geen tijd om daarbij stil te staan. We hebben weer een paar weken op Curaçao gepland staan, en het zou zomaar kunnen dat we daarvoor of vlak daarna moeten verhuizen naar een tijdelijk plekje ergens in Nederland (dat hebben we dus nog niet geregeld, want dat weten we nog niet). Verder heb ik regelmatig een redactieklusje (waar ik erg blij mee ben!) en eigenlijk nog een berg schrijf- en blogplannen. Maar ik denk dat het nog even duurt voor ik aan dat laatste toe kom.
Wat ik hiermee wil zeggen? Dat ik echt wel regelmatig wil bloggen. Dat ik elke dag wel iets bedenk wat ik zou willen schrijven/fotograferen/bespreken. Maar dat het er simpelweg even niet van komt. Breien doe ik trouwens ook vooral op de Spoedeisende Hulp. Het opgewonden stukje dat ik daarover wil schrijven zit ook nog in de pijplijn, maar in ieder geval kun je gemakkelijk een hele muts breien als je daar vijf uur (!) doorbrengt zonder dat er echt iets gedaan wordt.
Nou ja. In ieder geval. Het loopt zoals het loopt en het komt vast wel goed. En zodra het weer een beetje goed komt, zal ik dat hier weer melden. Maar ik kan niet beloven dat dat volgende week al is…
Gedachten
‘Zal ik Dave vermoorden? Of is het beter als ik Willem laat verdwijnen? Misschien is moord wel erg heftig. Een ontvoering? Is dat beter?’
Je ziet niets bijzonders aan mij. Een magere, vrij lange vrouw van middelbare leeftijd, bruin haar in een piekerige vlecht, meestal gekleed in een simpel jurkje of een spijkerbroek met t-shirt, die regelmatig dromerig voor zich uit zit te kijken. Je zou verwachten dat zo iemand peinst over wat ze vanavond zal gaan koken, of droomt over een leuke jurk die ze wil kopen of nadenkt over nieuwe plantjes in de tuin… nou ja, iets simpels.
…lees verder op Hebban.nl
foto van Pexels.com
Een selfiegezicht
Er zijn weinig foto’s waar ik op sta, want meestal ben ik degene die de camera vasthoudt. En dat komt me eigenlijk wel goed uit, want ik ben zelden tevreden met hoe ik op een foto sta.
Een van de dochters heeft een jaar in Engeland gestudeerd en had daar een paar Chinese vriendinnetjes. Die gaan graag en dus ook veelvuldig op de foto, met iedereen waar ze mee omgaan. Dochter vond dat in eerste instantie een ramp, maar leerde van een van die dames hoe je zorgt dat je er altijd goed op staat. Uitproberen voor de spiegel tot je de juiste houding en gezichtsuitdrukking gevonden hebt en dat blijven oefenen. Sindsdien staat deze dochter altijd leuk op de foto. Wel altijd op dezelfde manier, maar dat is normaal tegenwoordig.
Ik besefte dat ineens toen ik laatst een vrouw zat te observeren. Ze zat een terrasje verderop, bij het hippe zaakje waar je heerlijke smoothies kunt krijgen. Zegt men. Wij zijn daar niet zo van.
Zij duidelijk wel. Lekker generaliserend, ja. Maar toch. Ik vond haar echt zo’n smoothietype. En die zijn meestal ook goed in selfies. Echt waar. Ze keek al geroutineerd rond voor ze ging zitten en zat toen voor de perfecte achtergrond. Want natuurlijk moest ze een foto maken.
Het was heel fascinerend om te zien hoe ze dat deed. Zodra ze met die stok en de daarop bevestigde telefoon in de weer ging, veranderde ze totaal. Ging rechterop zitten, draaide haar bovenlichaam, strekte haar nek, sperde haar ogen open en vertrok geroutineerd haar mond in een stralende lach. Best mooi eigenlijk. Maar niet zichzelf. Ze drukte af en veranderde weer in haar eigen ik. Controleerde het resultaat. Daar was iets niet helemaal goed aan, dus deed ze het hele riedeltje nog een keer. En werd toen definitief zichzelf.
Later die dag zag ik een ouder echtpaar, bezig met het maken van een spontane foto met de zonsondergang op de achtergrond. Het duurde een half uur voordat de vrouw tevreden was. Maar dat kwam vooral door hem, want zij zette gewoon haar selfiegezicht op. Hij had er geen, dus deed hij aandoenlijk zijn best te blijven lachen. En dat viel niet mee. Ik begreep hem helemaal, want zo voel ik me ook als ik op de foto ga.
Misschien moet ik toch eens voor de spiegel mijn selfiegezicht gaan oefenen?
Foto van pexels.com
Relatief
Tijd is relatief. Dat wist ik al en dat besefte ik weer toen bleek dat een ritje naar het ziekenhuis met de ambulance véél langer leek te duren dan hetzelfde ritje met onze eigen auto. En dat was vreemd, want met onze eigen auto reed ik géén honderdzestig over de snelweg en stopte ik wél netjes bij alle stoplichten in plaats van met loeiende sirenes om de wachtende auto’s heen te rijden.
Dat het zo lang leek te duren had natuurlijk te maken met het feit dat echtgenoot achter in die ambulance lag met een hart dat rare dingen deed.
Vanuit zo’n bijrijdersstoel heb je goed zicht op de onhandige manier waarop automobilisten reageren als ze een sirene horen. Sommigen hebben er lak aan en doen gewoon wat ze van plan waren. Anderen raken min of meer in paniek en doen dan vreemde dingen.
Als ik zelf achter het stuur zit, behoor ik tot de laatste categorie. Ik vind autorijden best leuk, maar we wonen in een zeer drukke omgeving, dus je moet er je hoofd bij houden. En dan ineens, een sirene. Eerst rondkijken. Waar? Achter me? Voor me? Zijweg? Moet hij erlangs waar ik ben?
Dan inschatten wat het handigst is. Opzij gaan? Of juist blijven rijden zodat hij over de vluchtstrook kan? Moet ik bij het stoplicht doorrijden zodat ik de weg niet blokkeer? Of juist zorgen dat het kruispunt vrij blijft?* En wat doen de mensen voor mij? Want als zij een andere beslissing nemen, blokkeer ik de boel alsnog. Enzovoorts.
Pas als de ambulance voorbij is, vraag ik me af wat er aan de hand is en hoop ik dat alles goed komt met de patiënt. Dat hoort er ook bij. Als ik thuis een sirene hoor – en dat is eigenlijk best vaak, want we wonen vlakbij een rondweg – krijg ik er toch altijd even een naar gevoel bij. Het zou je kind of je vader of je moeder maar zijn.
Of je man.
In het ziekenhuis bleek het geen hartaanval te zijn, maar een aangeboren probleempje dat zich een halve eeuw verborgen heeft weten te houden en op zich niet dodelijk is.
Er moet wel geopereerd worden.
Tijd is relatief. Uit ervaring weet ik dat de tijd héél langzaam lijkt te gaan als je op een wachtlijst staat…
* voor mensen die ook twijfelen over regels en gedrag in deze situatie: hier wordt het duidelijk uitgelegd
foto van Pexels.com
Een dramatisch afscheid
‘Curaçao huilt omdat wij weggaan,’ deed echtgenoot dramatisch toen het op onze laatste dag ‘s ochtends al begon te regenen.
‘Het was vast eerder andersom,’ dacht een dochter die we dit verhaal vertelden. Maar dat viel mee. We hadden geen zin om weg te gaan, maar echt een probleem was het deze keer niet. We wisten dat we snel weer terug zouden zijn en dat we steeds dichter bij het moment kwamen dat ‘naar Curaçao’ officieel en legaal ‘naar huis’ betekent, terwijl ‘naar Nederland’ dan een vakantiemomentje is.
Curaçao vond het echter verschrikkelijk dat we weggingen en bleef de hele ochtend huilen. We besloten dan maar niet te gaan zwemmen. Onze geleende auto hadden we laten wassen, maar werd stiekem toch weer vuil. De laatste schoonmaakronde van ons appartement werd er ook een beetje lastig door, want we bléven modder naar binnen lopen. Maar het lukte allemaal.
Op Hato leverden we de koffers in en besloten het laatste uurtje buiten door te brengen, want het was inmiddels droog. Al een half uur zelfs. Blijkbaar had het eiland zich ermee verzoend dat we weggingen, wilde ik net tegen echtgenoot beweren toen het weer begon te spetteren.
We bleven nog even zitten, maar toen het ophield met zachtjes regenen zijn we toch maar naar binnen gegaan.
Door het raam bij de gate zagen we dat het daarna zelfs ophield met ietsjes harder regenen. Het begon namelijk tropisch te storten en dat duurde langer dan normaal. Veel langer zelfs.
De Curaçaose vlag zag het niet meer zitten. Die hing nat en zielig naar beneden. De Nederlandse vlag daarentegen deed oer-Hollands van ‘je bent toch niet van suiker!’ en wapperde vrolijk in de steeds sterkere wind.
Als we echtgenoots ideeën serieus nemen, moeten we melden dat het eiland zich daarna pas echt op ging winden over ons dreigende vertrek. Onweer. En niet zo’n klein beetje ook.
Het hielp. Eventjes. Ruim een half uur vertraging omdat we niet mochten vertrekken. Sterker nog, we mochten niet eens aan boord. Maar uiteindelijk gaf het eiland het op. Het onweer rommelde langzaam steeds verder weg, de regen stopte. De Curaçaose vlag ging weer wapperen.
En wij stapten in het vliegtuig. Huilen deden we niet toen we eindelijk opstegen (meestal moeten we toch wel een traantje wegpinken), want het was maar een afscheid voor tien weken.
Dachten we.
Vergeten
Begin juni. Schiphol.
Echtgenoot schrikt op uit de apathie die ons altijd overvalt tijdens het wachten tot we eindelijk het vliegtuig in mogen. ‘Waar is mijn portemonnee?’
Niet in zijn zak. Niet in mijn tas. Vergeten. We bellen een dochter die hem voor ons vindt. In de auto, naast de stoel. Uit zijn zak gevallen.
Een maand later, vlak voor we naar Hato (het vliegveld op Curaçao) vertrekken voor de terugreis naar Nederland.
‘Heb je alles?’ vraag ik.
‘Portemonnee heb jij,’ zegt echtgenoot.
‘Nee, die heb ik niet,’ antwoord ik en voeg eraan toe: ‘Geen grapje.’
‘Van mij ook niet,’ is zijn reactie.
Heel serieus zoeken we in de badkamer, bij de keuken, onder het bed, tussen de bagage en overal tot we de portemonnee vinden. In de auto, naast de stoel. Uit zijn zak gevallen.
Een halve dag later komen we doodmoe en op een tijdstip dat voor ons voelt als midden in de nacht aan op Schiphol. En daarom ontdekken we pas dat we ineens een koffer minder hebben als we op het plein bij de hoofdingang op een bankje zitten te wachten op onze ophalers die vreselijk in de file staan.
Ik begin te rennen en realiseer me pas als ik halverwege ben dat ik misschien beter mijn handtas mee had kunnen nemen. Die staat nog bij echtgenoot en de andere koffers, maar ik was vergeten dat ik mijn telefoon nodig zou kunnen hebben.
Mijn koffer had ik even naast de vuilnisbak bij de zijingang geparkeerd terwijl echtgenoot een sigaretje rookte. En daar staat hij nog steeds. Eenzaam en dus zeer verdacht. Met een marechaussee ernaast, die streng vraagt waarom mijn koffer daar is achtergebleven.
‘Vergeten,’ leg ik uit. ‘Nachtvlucht gehad, niet geslapen. Zo moe.’
Hij begrijpt het, maar wil wel even mijn paspoort zien. Dat kan niet want die zit in de vergeten handtas. En echtgenoot bellen dat hij hierheen moet komen gaat ook niet. Gelukkig heeft de man een beter geheugen dan ik. Hij heeft ons zien lopen toen we nog wel alle koffers hadden en durft me daarom te geloven zonder te verifiëren of deze echt van mij is.
En daar ben ik blij om, want ik kan hem ook niet veel vertellen over de inhoud van de koffer. We hebben heel veel achtergelaten in het appartement, dus hij is half leeg. Dat weet ik wel. Maar wat er precies in zit? Dat ben ik vergeten.
(foto van Pexels.com)
Dan maar geen beroeps
‘Send!’ Ik druk op de knop en zucht van opluchting. De laatste paar mailtjes zijn eruit, mijn todo-lijst is bijna leeg en we zijn nog ruim twee weken op Curaçao, waar ik het verder niet echt druk heb. Ik zou zomaar een boek kunnen gaan schrijven.
‘Nu moet ik nieuwe smoesjes gaan verzinnen,’ verzucht ik gekscherend tegen echtgenoot. Ik lach erbij om te benadrukken dat het een grapje is, maar eigenlijk is het de waarheid. De laatste tijd blijf ik maar beweren dat ik geen tijd heb om te schrijven. Te druk met dit, te druk met dat.
lees verder op Hebban.nl
Moederinstinct
Het meisje was eigenlijk heel gewoon. Lief gezichtje, rossig blond paardenstaartje, geen tatoeages of piercings, simpele kleding. Maar wel zwarte lippenstift. Alsof ze graag anders wilde zijn, maar dan wel zonder dat ze teveel aandacht trok.
Ze ging aan een tafeltje zitten, bestelde iets te drinken en sloeg de menukaart open. Stond op, keek om zich heen, ging aan het tafeltje ernaast zitten. Stond weer op en verhuisde met drankje, kaart en tas naar een tafeltje aan de andere kant van het terras. Toen de ober kwam vragen wat ze wilde eten, verhuisde ze -met zijn hulp- weer terug naar het eerste tafeltje.
Ze confereerde omstandig met de ober over haar bestelling. Wat uiteindelijk arriveerde was een pizza, waarschijnlijk met iets er niet op wat er eigenlijk wel op hoorde. Of andersom. En met een bakje ketchup ernaast.
Ondertussen had ze het druk met haar telefoon. Berichtjes typen, bellen. De pizza met ketchup smaakte blijkbaar best, maar wel naast die telefoon. Nog een gesprek en weer berichtjes. En toen, ineens, begon ze te huilen. Haar lip bibberde en ze veegde nijdig een paar tranen weg. Ik wendde mijn blik af, maar vroeg me af of ik moest gaan vragen of het wel goed ging. Ik weet en begrijp dat ongevraagde vriendelijkheid van wildvreemden lang niet altijd gewaardeerd wordt, maar mijn moederinstinct deed heftige pogingen mijn verstand uit te schakelen.
‘Ze lijkt zo op jongste dochter,’ zei ik tegen echtgenoot. Ik voelde ineens die 8000 kilometer afstand heel erg.
‘Ja, maar ze is het niet,’ was zijn antwoord. Hij kon haar niet zien, dus zijn vaderinstinct hield zich kalm.
Ik at mijn hamburger en probeerde het meisje te negeren, maar dat lukte niet erg. Het leek even alsof ze zichzelf weer onder controle had, maar toen begon ze weer te huilen. Ze wapperde met haar hand, alsof ze zo de tranen tegen kon houden. Daarna riep ze de ober, rekende af en verliet het terras. Wat voor mij wel prettig was, want mijn moederinstinct was nu toch echt aan de winnende hand.
Toen we terugliepen naar de auto zagen we haar op een bankje zitten. Weer met die telefoon. Geen tranen meer. Zelfs een klein lachje. Gelukkig maar.
De volgende ochtend heb ik jongste dochter gebeld. Met haar ging alles goed.
(foto van pexels.com)
Jan-met-de-pet
Ondanks de hitte droeg hij een lange broek, een overhemd met lange mouwen èn een pet op zijn hoofd. Maar hij viel vooral op doordat hij luidkeels aan het telefoneren was. En daarbij keek hij in onze richting en ging steeds harder praten.
‘En dan zitten hier al die Nederlanders zuinig achter één drankje tijdens het happy hour. Het lijkt wel een Nederlandse kolonie hier. Allemaal Nederlanders op een terras dat eigendom is van een Nederlander.’
Er werd niet echt heftig op hem gereageerd, want het grootste deel van de mensen om hem heen was hoorbaar Amerikaans en verstond er dus niets van.
‘Ze komen maar en zitten maar en dragen niets bij aan de economie,’ vervolgde hij, nog iets harder en ons recht aankijkend.
Echtgenoot besloot olie op het vuur te gooien en zei: ‘Ik ben het met je eens, hoor!’
Dat bracht de man met de pet (ik beslooot hem Jan te noemen) even van zijn stuk, maar gelukkig voor hem was het Nederlandse stel naast ons een andere mening toegedaan.
Jan-met-de-pet ging daar niet verder op in en vervolgde zijn tirade tegen zijn – volgens mij denkbeeldige – gesprekspartner aan de telefoon. En vroeg vervolgens aan de man naast ons waar hij vandaan kwam.
‘Uit Den Haag’ was het antwoord , maar hij drong aan: ‘Nee, waar kom je vandáán?’
‘Ik ben geboren op Curaçao,’ gaf de man zichtbaar geïrriteerd toe, ‘maar ik woon mijn hele leven al in Nederland.’
‘En je bent je prachtige accent verloren.’ zei Jan beschuldigend, terwijl hij zijn eigen bijna onhoorbare accent voor de gelegenheid even aandikte. ‘Ik woon al tweeënveertig jaar in Nederland, maar ik spreek nog steeds als de mensen van hier.’
De man naast ons haalde zijn schouders op en negeerde hem verder. Jan-met-de-pet deed toen maar alsof wij hem verschrikkelijk gestoord hadden in zijn telefoongesprek. Opstandig riep hij: ‘Wij gaan dat varkentje wel wassen!’ en sloot het gesprek af omdat er een andere man aan zijn tafeltje kwam zitten. Toen bleek hij ineens wel zachtjes te kunnen praten.
De mensen naast ons aten een vroeg diner, met een goed glas wijn erbij. Wij namen nog een drankje en besloten nog heel even te wachten met eten bestellen.
Jan-met-de-pet verliet een half uurtje later het terras, nadat hij één glaasje frisdrank had afgerekend. Voor de helft van de prijs, want het was tenslotte happy hour…




