Geertrude blogt

Menu
  • Contact
  • Over mij
  • Privacy
Menu

{schrijftips} plotten of pantsen?

Geplaatst op 16/01/2018 door Geertrude Verweij

Het is een veel voorkomende discussie onder schrijvers en aspirantschrijvers: ben je een plotter of een pantser? Oftewel: werk je het plot van je boek tot in detail uit voor je begint met schrijven of begin je gewoon en zie je wel hoe het loopt? Dat laatste heet in het Engels “flying by the seat of your pants” en daar komt de naam “pantser” dus vandaan.

Ik heb het al vaker toegegeven: ik ben absoluut een pantser. Maar ik weet niet of het echt iets is waar je trots op moet zijn of wat je moet promoten als de enige manier om het te doen. Voor mij werkte het gewoon zo. Ik ging zitten met een vaag idee en dan rolde er een boek uit. Het nadeel is dat je veel meer moeite hebt om toch iets te produceren dan wanneer je volgens een schema werkt. Vandaar dat er afgelopen jaar geen nieuw boek uitkwam. Want er rolde niets uit.

Een paar weken geleden realiseerde ik me dat ik het misschien toch te gemakkelijk heb laten zitten. Ik kan wel degelijk plotten. Voor de doktersromannetjes moest ik van tevoren een samenvatting indienen en dat ging ook prima. Er was binnen die samenvatting wel ruimte om erop los te fantaseren, maar ik had wel houvast. Ik heb ook wel eens met een meer gedetailleerde opzet gewerkt, omdat ik behalve aan mijn ingeleverde samenvatting ook vastzat aan een verplichte hoeveelheid woorden en vaste hoofdpersonen. En dat ging eigenlijk prima.

Ik ben dus nu toch maar bezig met een dergelijke opzet voor mijn volgende boek. Niet te gedetailleerd, want dat vind ik nog steeds geen doen, dan slaat het dood. Maar wel als houvast. En als stok achter de deur.

Mijn manier van opzetten:
1. Brainstorm.
Een nogal verwarde verzameling losse zinnetjes, ideeën en gedachten. Vergelijkbaar met dat vage idee waar ik normaal gesproken mee begin.
2. Plot en hoofdplot
Wat is het hoofdplot? Bijvoorbeeld – uit Incognito: fotomodel gaat undercover om zusje op te vangen en te beschermen tegen roddelpers
Minstens één, liefst meer subplots: Uit Incognito: zusje blijkt zwanger te zijn, problemen op werk, verliefd op baas.
3. Introductie
Bedenk een pakkende scene waarin de hoofdpersoon en/of het hoofdplot geintroduceerd worden.
4. Indeling
Normaal gesproken werk ik met drie delen die je “aktes” zou kunnen noemen – opbouw, climax, ontknoping. Volgens mij is dat ook wel aardig standaard, maar ik ga het niet opzoeken, want ik raak altijd in de war als ik lees hoe anderen vinden dat het zou moeten.

Hoewel ik het niet altijd op papier uitschrijf, verzin ik meestal wel ongeveer hoe ik het hoofdplot en de subplots ga uitwerken om mijn verhaal op de juiste manier op te bouwen. Het kan helpen om meteen te bepalen hoeveel woorden ik per deel gebruik (bij 50.000 woorden is mijn verdeling meestal 25.000, 15.000, 10.000), zodat ik met kleinere deadlines kunt werken. Ook kan ik op deze manier alvast vooruit verzinnen wat er gaat gebeuren.

De opbouw laat zien wat er speelt in het leven van de hoofdpersonen. Ik zet als het ware de stukken neer om het plot te gaan ontwikkelen en zorg dat de lezers (en ikzelf) de hoofdpersonen leren kennen.
De climax komt pas aan het eind van de tweede (middelste) deel, maar na 25.000 woorden begrijpt de lezer wel wat er allemaal speelt en moet er echt iets heftigs gaan gebeuren. Als ik nog niet heb verzonnen wat, is dit een goed moment voor een heftige ruzie, een nieuwe ontwikkeling of iets anders spectaculairs, dat dus uiteindelijk tot de climax leidt. In de laatste 10.000 woorden los ik het probleem op en werk ik losse eindjes af.

Dat klinkt alsof ik toch een plotter ben, zou je denken. Misschien wel. Soms denk ik dat het verschil meer zit in de manier waarop mensen plotten, dan in het wel of niet doen. Bij mij zijn de stappen niet helemaal van elkaar gescheiden.
Ik begin met dat vage idee en een heel los idee over het plot en de subplots.
Het kan zijn dat ik tijdens het schrijven ineens een extra subplot bedenk. Soms moet dat zelfs omdat ik er achter kom dat ik simpelweg te weinig materiaal heb.
Punt 3, de introductie, is voor mij waarmee het staat of valt. Het moet niet alleen voor de lezer pakkend zijn, maar ook voor mij. Als ik die eerste paar duizend woorden heb staan, moet het me grijpen, moet het me bijblijven. Dan moet ik denken : “dáár wil ik mee verder!”
En dan gaat het meestal vanzelf. Het voelt als “ik doe maar wat en het komt vanzelf”, maar ergens in de achtergrond speelt dan nog steeds die indeling in drie aktes mee. Ik ben, min of meer onbewust, toch altijd wel bezig om ergens naar toe te werken en dat dan weer netjes af te sluiten.

Ik ben een plotpantser. Of een pantsplotter. Een plantser. Die benaming heb ik ook al ergens voorbij zien komen.

Maar eigenlijk is het niet zo ingewikkeld. Ik ben een schrijver. En het allerbelangrijkste is dat er uiteindelijk een boek ontstaat.

Kerstwens

Geplaatst op 24/12/2017 door Geertrude Verweij

{schrijftips} Hoe maak je je karakters levensecht?

Geplaatst op 31/10/2017 door Geertrude Verweij

Je kunt nog zo’n goed plot verzonnen hebben, maar als je hoofdpersonen vlak en oninteressant zijn, is de kans groot dat niemand je verhaal uitleest. Lezers moeten zich kunnen inleven en dat kan alleen als je karakters levensecht zijn. Maar hoe doe je dat?
Een paar tips:

1. In de loop van je verhaal moet er iets aan je hoofdpersoon veranderen. Vooral het overwinnen van persoonlijke problemen of zwakke punten is iets waar je lezers zich in kunnen herkennen. Sofie uit Incognito worstelt bijvoorbeeld met haar angst voor de roddelpers en Nina uit Tegenstelling denkt dat ze dom is omdat ze dyslexie heeft. In de meeste schrijfcursussen wordt dit “inner conflict” genoemd.

2. Je hoofdpersoon moet daarnaast minstens één groot probleem met de buitenwereld hebben. Dat is sowieso nodig om een verhaal te kunnen schrijven (er moet tenslotte iets gebeuren), maar het zorgt er ook voor dat je lezers mee gaan leven. Als je hoofdpersoon alleen maar vanaf de zijlijn toekijkt hoe anderen problemen hebben, is dat een stuk lastiger.
Die problemen kunnen natuurlijk alle kanten op. In Erfgoed probeert Donna een moord op te lossen, in  Thuisgekomen wordt Stella gestalkt door iemand die op haar verdwenen man lijkt en in Alleen is maar alleen draait het vooral om het onbegrip tussen de twee zussen die de hoofdrol spelen en de problemen van het zoontje van één van hen.

3. Hoewel mijn boeken er om bekend staan dat er vrij gewone mensen de hoofdrol in spelen, ontkom  ik er ook niet aan: een karakter is toch net iets boeiender als er iets bijzonders met hem of haar aan de hand is. Dat kan uiterlijk zijn (bijvoorbeeld Sofie’s opvallende rode haar) of een talent (Stella’s tekentalent of Nina’s breikunsten), maar ook minder duidelijk aanwezig als karaktereigenschap (bijvoorbeeld de manier waarop Vera in Alles onder controle bezig is met orde en regelmaat). Het geeft je hoofdpersonen diepte en dat maakt ze levensechter.

4. Gun je lezers af en toe een kijkje in het hoofd van je hoofdpersoon. In mijn boeken schrijf ik over het algemeen vanuit het perspectief van de hoofdpersoon en verwoord daarbij ook wat die persoon denkt, maar ook in boeken waarin actie belangrijker is, geeft het net iets meer diepte aan een hoofdpersoon als je af en toe leest wat hij of zij denkt. Ook voor jou als schrijver is het fijn om af en toe echt in je karakters te kruipen. Op die manier heb je het eerder door als een bepaalde reactie onlogisch is.

5. Werk een persoon van te voren niet al te gedetailleerd uit. Ik ga hiermee in tegen een gevestigde mening, daarvan ben ik me bewust. Op schrijversfora circuleren lijsten die je zou moeten invullen om je hoofdpersoon te leren kennen en dat zijn soms boekwerken op zich, met tientallen, soms zelfs honderden, vragen die je moet beantwoorden.
Van mij mag iedereen dat doen als hij of zij dat wil, maar persoonlijk vind ik het onzin. Natuurlijk moet je een beetje een beeld hebben bij je personages en het kan handig zijn om daar wat aantekeningen bij te maken. Maar waarom zou je tijd besteden aan het nadenken over sterrenbeelden, lievelingskleuren, politieke orientatie, favoriete muziek, favoriete windrichting, en weet ik veel wat nog meer zolang dat er in je verhaal helemaal niet toedoet?
Geef jezelf (en je hoofdpersonen) de kans om dat soort dingen in de loop van het schrijfproces toe te voegen. Hoe verder je in je verhaal komt, hoe beter je een persoon leert kennen.
Ik wist van te voren helemaal niet dat Nina breide en zeker niet dat ze er zo goed in was. En het was ook een verrassing voor me dat Donna zo dol was op paardrijden.
Dat maakt schrijven nou juist zo leuk!

{schrijftips} 7 dingen die je niet moet doen als je een boek wilt schrijven

Geplaatst op 10/10/2017 door Geertrude Verweij

1. twijfelen of je het wel kunt
Dat geldt natuurlijk voor alle dingen in het leven, maar als je van tevoren al niet in jezelf gelooft is de kans groot dat het je niet lukt. Ik schreef Huis vol verleden nadat ik een ander boek in hetzelfde genre gelezen had en bij mezelf dacht: “Ja, maar zo kan ik het ook wel.” En dat bleek de waarheid te zijn.

2. de lat te hoog leggen
Er zijn mensen die debuteren met een meesterwerk en ook direct heel hoog in alle bestsellerlijsten terecht komen. Het kan. En (zie boven) als je denkt dat jij dat kunt, moet je er zeker voor gaan. Maar als je weet dat je dat niveau niet haalt, is dat nog geen reden om maar helemaal niet te beginnen. Ik wist toen ik aan Huis vol verleden begon best dat ik geen bestseller schreef, maar geloofde wel dat ik de capaciteiten had om een gezellige, ontspannende roman te schrijven, die de kans had om uitgegeven te worden. En daar is niets mis mee.

3. jezelf een deadline opleggen

Er is niets zo slecht voor je creativiteit als teveel druk. Als je alleen maar bezig bent met zoveel mogelijk woorden produceren, wordt het waarschijnlijk een verhaal van niets. Dan ga je schrijven om maar aan je woordenaantal te komen, in plaats van om het verhaal te vertellen.
Dat doet me denken aan het heel oude mopje over Jantje die een opstel van 500 woorden moest schrijven en het volgende produceerde:
“Op een dag was mijn hondje kwijt.
Ik riep: “Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie!Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! Fikkie! […enzovoort – 489 keer]”
En toen kwam hij.”

Niet doen dus, want het is niet alleen geen verhaal dat ooit gelezen zal worden, maar ook nog eens zonde van je tijd (zelfs met knippen en plakken had ik geen zijn om echt 489 keer Fikkie te typen).

4. jezelf géén deadline opleggen
Lekker tegenstrijdig, hè? Maar wel waar. Als je alleen maar denkt dat je ooit een boek gaat schrijven, komt er nooit iets van. Je zult echt die stap moeten zetten en het ook gaan doen. En dan is het best fijn om een stok achter de deur te hebben, of je jezelf nu een jaar of meer de tijd geeft, of meedoet aan Nanowrimo en probeert 50.000 woorden in een maand te schrijven.
Maar… zie boven: het moet niet ten koste van je creativiteit gaan. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat je een realistische deadline stelt. Als je al een paar keer meegedaan hebt aan Nanowrimo, maar weet dat het voor jou niet haalbaar is om iedere dag 1700 woorden te schrijven waar je dan daarna ook nog iets aan hebt, moet je het niet willen proberen. Maar je kunt bijvoorbeeld wel besluiten dat je iedere zaterdag 1000 woorden gaat schrijven aan je boek. Dan heb je na een jaar ook die 50.000 woorden staan, en dan misschien wel op een manier die misschien een uitgever ook kan waarderen.

5. jezelf vergelijken met anderen
Er zit een dunne grens tussen geinspireerd raken en ontmoedigd worden. Ik heb dat bijvoorbeeld bij Nora Roberts. Zowel haar boeken als de professionele manier waarop ze het schrijven aanpakt, geven me vaak een zetje in de goede richting. Dan lees ik één van haar boeken en denk ik: “ja, ik ga er weer voor!”
Maar het geeft me even vaak het gevoel dat het toch geen zin heeft om het te proberen, want wat zij doet is voor mij onmogelijk. Ik moet mezelf altijd voorhouden dat ik van haar doorzettingsvermogen kan leren, maar niet naar de cijfertjes moet kijken. Als ik zoveel met mijn boeken kon verdienen als zij doet, zou ik er ook voor kunnen kiezen fulltime te schrijven. Nu is dat een utopie en heb ik ook tijd nodig voor andere dingen.
Hetzelfde geldt voor de schrijfstijl van iemand anders. Je kunt geinspireerd raken door de prachtige natuurbeschrijvingen of de spitse dialogen van een bepaalde schrijver en uitproberen of jij dat ook kunt. Dat kan heel goed uitpakken, maar als zo’n beschrijving of dialoog bij jou alleen maar geforceerd overkomt, kun je ze beter overslaan. Dat maakt je niet minder, dat maakt je alleen anders. Zoek je eigen stijl en geloof daarin.

6. schrijftutorials, tips en andere adviezen lezen/kijken
Uh, wat is dit dan? Ik weet het, het klinkt alweer tegenstrijdig…
Er is ook eigenlijk niets mis met informatie op zoeken en proberen te leren van anderen. Maar internet is nu eenmaal verslavend. En voor je het weet heb je weer al je schrijftijd opgemaakt aan lezen, luisteren en/of kijken naar hoe anderen het doen. Zo kom je nooit aan schrijven toe.
Bovendien kan teveel informatie belemmerend werken. Er zijn zoveel technieken, zoveel regeltjes en je moet echt niet proberen om die allemaal te volgen. Soms kun je beter gewoon opschrijven wat er in je opkomt, zonder je af te vragen of je plot wel op de juiste manier opgebouwd is, of je karakters wel genoeg diepte hebben, of je tijdlijn wel klopt enzovoort. Die technieken en adviezen kun je altijd later nog toepassen om je verhaal nog beter te maken, of om door een dood punt in je schrijfwerk heen te komen.
Ik schrijf over het algemeen vanuit een vaag idee en laat de ontwikkelingen gewoon komen terwijl ik schrijf. Achteraf blijkt alles toch te kloppen of gemakkelijk aan te passen. Ik geloof oprecht dat ik dat kan doordat ik voor mijn boeken uitgegeven werden nooit over dat soort dingen nadacht. Ik schreef gewoon verhalen die in mijn hoofd leefden en deed zo heel veel schrijfervaring op zonder me druk te maken over bijzaken. Als ik me nu geblokkeerd voel in mijn schrijven komt dat meestal omdat ik (al dan niet onbewust) te veel bezig ben met vorm en regels.

7. teveel luisteren naar wat anderen zeggen
Proeflezers en schrijfforums kunnen heel nuttig zijn. Het is fijn als mensen meeleven met je schrijfproces en het kan heel zinvol zijn om ideeën en meningen van anderen ter harte te nemen. Maar blijf wel goed beseffen dat het jóuw verhaal is, niet het hunne. Verander geen complete plotontwikkelingen om iemand anders tevreden te stellen. Het is sowieso niet mogelijk om het iedereen naar de zin te maken. Er zullen altijd mensen zijn die jouw verhaal niet leuk vinden en daar kun je maar beter vroeg genoeg aan wennen.
Let wel: ik heb het hier niet over uitgevers en redacteurs. Als je boek eenmaal zover is dat er professionals met adviezen komen, moet je natuurlijk niet al te eigenwijs zijn.
Hoewel… ik heb zelf toch heel duidelijke grenzen. Ik ben best bereid adviezen te overwegen, maar ik wil wel honderd procent achter de veranderingen staan. Als het niet goed voelt, of tegen mijn principes indruist, accepteer ik liever dat een boek niet uitgegeven wordt. Om het dramatisch uit te drukken: ik wil graag leren van ervaren mensen zodat mijn boeken ook verkoopbaar zijn, maar ik verkoop mijn ziel niet. Dan maar geen bestseller.

Was getekend, Annie M.G. Schmidt

Geplaatst op 03/10/2017 door Geertrude Verweij
 (artwork via de website van Stage Entertainment)

Toen mijn dochter liet vallen dat ze (achter de schermen – ze is grimeur) bij de musical “Was getekend, Annie M.G. Schmidt” ging werken, riep ik spontaan: “Daar wil ik heel graag heen!”

In de loop van de jaren heb ik heel producties gezien waaraan zij heeft meegewerkt. Om eerlijk te zijn (dat weet ze, hoor) ging ik er meestal naar toe met het gevoel van “ik hou eigenlijk niet echt van musicals, maar ik vind het leuk om te zien waar mijn dochter werkt”. Toch waren Woef Side Story (die draait nu overigens weer), Soldaat van Oranje (draait nog steeds) en De Tweeling echt enorm de moeite waard.

Maar Annie M.G. Schmidt… tja, dat is iets anders. Daar wilde ik dus echt graag heen.
Waarom? Ik had willen schrijven: “Wie is er niet mee opgegroeid?” Maar toen meldde echtgenoot dat hij haar kinderboeken niet of nauwelijks kent en zeker niet uit zijn jeugd. Hij kende haar daarentegen van alles wat ze voor televisie geschreven heeft en dat is bij mij allemaal vrij vaag.

Ik ken haar dus vooral als het creatieve brein achter Jip en Janneke, Pluk van de Petteflet, Ibbeltje, Minoes, Floddertje en Abeltje. Abeltje heb ik als kind tientallen keren van de bibliotheek geleend (vraag me niet waarom ik het boek niet bezat, ik heb geen idee), de andere boeken herinner ik me vooral van het voorlezen aan mijn eigen kinderen, maar las ik als kind ook. Ik weet nog dat ik het zo zonde van Aagje Helderders mooie roze jurkje vond toen ze eindelijk een keer echt ging spelen. Niet dat ik haar dat niet gunde, ik klom zelf ook in bomen en was zelden schoon, maar ik droeg dan ook niet van die mooie jurkjes.
Och, en Otje… Dat keken de dochters en ik op televisie en we zingen hier nog regelmatig: “De computer doet het niet, hij doet alleen delete, delete” (maar ik weet niet of die tekst van haar was, eigenlijk).
Aan haar versjes heb ik ook goede herinneringen, vooral aan “Ik ben lekker stout”, voorgedragen door mijn neefje dat destijds heel toepasselijk niet bepaald een toonbeeld van braafheid was. En natuurlijk Beertje Pippeloentje, zonder das en zonder schoentje. En… nou ja, het is duidelijk. De kinderschrijfster Annie M.G. Schmidt maakt een groot deel uit van mijn jeugd en die van mijn dochters.

Haar werk voor volwassenen kende ik niet zo goed. Ooit had ik een boekje met columns van haar hand waar ik wel erg van genoten heb, maar ik heb het niet meer en ik kan me niet meer herinneren hoe dat heette. Ja Zuster, Nee zuster en de familie Doorsnee zijn van voor mijn tijd en ik heb niet zo heel veel meegekregen van haar andere producties. Maar ik weet nu dat er toch heel wat liedjes en teksten zijn die ik wel kende, maar waarvan ik niet wist dat ze van haar waren.

Mijn dochter kreeg vrijkaartjes voor de premiere en dus zaten wij zondag 24 september tussen bekende en onbekende nederlanders in het Delamartheater. We hadden een enorm drukke week achter de rug (we zijn bezig met twee verhuizingen in de familie – niet de onze, maar wel met hulp van ons) en schoven dus in galakleding (nou ja, het zat er dicht genoeg bij), maar met spierpijn van het sjouwen op de gelukkig comfortabele stoelen. En beleefden een paar heerlijke uren.

 (foto ®Roy Beusker Fotografie en Annemieke van der Togt 
via de website van Stage Entertainment)

De musical is gebaseerd op de biografie “Anna” van Annejet van der Zijl en vertelt het verhaal over het leven van Annie.
Annie’s zoon Flip (William Spaaij) vindt op zolder een koffertje met brieven. Als hij zich vertwijfeld afvraagt wat hij met de inhoud aan moet, duikt Annie zelf (Simone Kleinsma) op om met hem te praten. In het begin ontwijkt ze Flips vragen, maar langzaam krijg je een heel duidelijk inzicht in haar roerige leven. Van haar jeugd (“Mijn vader hield van me, mijn moeder hield van me. En toch was ik doodongelukkig”) tot haar relatie met een getrouwde man en haar verdriet over zijn dood.
Simone speelt een duidelijk herkenbare oudere Annie, maar daarnaast huppelt er nog een kleine Annie (afwisselend gespeeld door acht meisjes) rond en komt er ook regelmatig een jonge Annie (gespeeld door Jeske van de Staak) tevoorschijn. De drie Annies praten regelmatig met elkaar en met Flip. Dat klinkt verwarrend, maar het komt heel natuurlijk over. Het voegt zelfs echt iets toe aan het hele verhaal, omdat ze alledrie een ander deel van de persoonlijkheid van Annie M.G. Schmidt vertegenwoordigen.

 (foto ®Roy Beusker Fotografie en Annemieke van der Togt
 via de website van Stage Entertainment)

Ik vond het mooi om inzicht te krijgen in hoe Annie werd gevormd als mens en schrijfster, maar het is geen zwaar, biografisch toneelstuk. Het is vooral een echte onderhoudende musical. In de hele voorstelling zitten tientallen liedjes en versjes van Annie M.G. Schmidt verwerkt, waarvan sommige nieuw voor me waren (Laatste dans en Sorry dat ik besta – helaas beiden nog steeds zo actueel) en sommige een feest van herkenning (Vluchten kan niet meer – blijft prachtig, ik wist niet dat zij dat had geschreven en Margootje). Er wordt enorm veel gerefereerd aan haar bekendste figuren (o.a. Pluk en Abeltje). Jip en Janneke hebben hun eigen hilarische scene, waarin stiekem een heel belangrijke boodschap zit.

Eén van mijn favoriete quotes (want die vraag krijgt iedere schrijver, ik dus ook) is deze (niet letterlijk – dit is hoe ik het onthouden heb):
“Dan vragen ze: ‘is alles wat u schrijft autobiografisch?’
Zeg ik: ‘Tuurlijk. Ik rijd alle dagen rond in een klein rood kraanwagentje en eigenlijk ben ik een poes.’ “

Annie blijft volhouden dat ze alles verzint en niets op haar eigen leven gebaseerd is, maar in de voorstelling wordt het steeds duidelijker dat ze wel veel van de gebeurtenissen in haar eigen leven verwerkt door verhaaltjes te schrijven. Haar voortdurende verlangen naar échte vrijheid en haar opstandigheid tegenover de gevestigde orde is dan ook duidelijk terug te zien in bijna al haar boeken en liedjes.

Ik ben geen theaterrecensent, maar ik vond Simone kleinsma geweldig. Natuurlijk weten we allemaal dat ze een vakvrouw is en dat bewees ze in deze voorstelling weer. Maar ook de andere spelers waren heel erg goed. Alles klopte gewoon, de timing, de stemmen, de emoties. Ik was na afloop echt enorm onder de indruk. Echtgenoot en ik willen het zelfs allebei graag nog een keer zien.
Wat ons betreft is deze voorstelling dus zeker een aanrader.

(foto ®Roy Beusker Fotografie en Annemieke van der Togt 
via de website van Stage Entertainment)

Meer informatie, het speelschema en verkoop van kaartjes vind je hier.

(p.s. deze blogpost is niet gesponsord, ik deel dit omdat ik oprecht enthousiast ben).

(link naar bol.com is een partnerlink
= kleine vergoeding voor mij als je via die link bestelt, geen extra kosten voor jou)

over een bakkie pleur, kroten en peen

Geplaatst op 19/09/2017 door Geertrude Verweij
peen

Als je als Gooise trouwt met een reserve-Rotterdammer (laat hij het maar niet horen, maar het is een feit dat echtgenoot is opgegroeid in een dorpje dat steeds dichter bij Rotterdam komt te liggen), is het op taalkundig gebied wel even aanpassen geblazen.
Vooral natuurlijk (niet boos worden als jij andere ervaringen hebt, ik weet dat dit generaliserend is) omdat Rotterdammers een beetje directer zijn dan mensen uit het Gooi. En dat is dus op z’n Goois uitgedrukt. Die zijn namelijk geneigd alles af te zwakken. Als je iets vervelend vind zeg je “niet zo leuk” en als je iets echt niet wilt zeg je “ik weet niet zeker of ik dat wil” .
Een Rotterdammer zegt gewoon waar het op staat. “Dat vind ik stom” of “Daar heb ik geen zin in” (meestal gebruiken ze trouwens nog wat sterkere uitdrukkingen, maar ik ben nog Goois genoeg om het lastig te vinden die zwart op wit op mijn blog te zetten).
Het was even wennen, maar eigenlijk is het wel zo duidelijk. Je weet tenminste waar je aan toe bent. De dochter die in Engeland studeerde vertelde dat ze daar nog minder direct zijn dan ik gewend was in het Gooi. Altijd vreselijk beleefd en voorkomend (wat op zich natuurlijk wel prettig is), maar achter je rug… (en dat is het vervelende eraan). Deze dochter was nooit zo dol op de Rotterdamse manier, maar die Britten hebben ervoor gezorgd dat ze dat nu toch liever heeft. Het grappige is dat zij inmiddels in het Gooi woont, waar ze dus precies op haar plaats zou moeten zijn.

Het verschil zit hem niet alleen in de manier waarop taal gebruikt wordt, maar ook in specifieke woorden. Ik (inmiddels helemaal ingeburgerd in omgeving Rotterdam) had geen idee dat er mensen waren die niet wisten wat “een bakkie pleur” betekent, maar realiseerde me na heel lang nadenken dat ik dat voor ik hierheen verhuisde waarschijnlijk niet wist.

Met echtgenoot kan ik na bijna dertig jaar nog steeds discussies voeren over kroten en peen.
Want ik zeg nog steeds bietjes en wortels (en heb dat mijn dochters ook aangeleerd). Maar hij argumenteert dat bieten een soortnaam is waarvan vooral suikerbieten bekend zijn. Die rode dingen die we gekookt eten heten kroten en zijn alleen rode bietjes genoemd door mensen die deftig willen lijken. Tja. Internet geeft hem gelijk: kijk maar hier en hier. 
Over peen heeft hij hetzelfde soort argument: wortels zijn de dingen die in de grond zitten om planten van voeding te voorzien. Een peen is een eetbare penwortel. Geen speld tussen te krijgen. En hij is echt niet de enige die dat vindt.

Laatst vonden we een nieuwe. De dochter die nu in het Gooi woont (en voor wie het dus handig is dat haar moeder haar de verkeerde woorden heeft geleerd) gaat samenwonen met een Limburger en verweet hem dus dialect toen hij “dorpel” zei, in plaats van drempel. Ik glimlachte superieur, want ik ken het woord wel, maar dat komt dus omdat echtgenoot Zuid-Hollands dialect spreekt. Wij (de dochters en ik) zeggen altijd drempel, want zo heb ik het geleerd. Maar ze hebben het opgezocht (ze zijn allebei beroepsmatig bezig met taal) en het blijkt dat de mannen gelijk hebben. Dorpel is de vakterm en wijst dus inderdaad op dat ding dat in deuropeningen ligt. Een drempel is alles waar je overheen moet stappen of rijden. Zo leer je nog eens wat.

Het is dan ook echt geen eigenwijsheid van mij dat ik nog steeds bietjes en worteltjes zeg, maar dat zit er bij mij net zo ingebakken als bij hem de (blijkbaar toch) juiste benamingen. Het nare is alleen dat ik onder de indruk was dat hij dialect sprak en ik ABN. Maar bij mij blijkt het vooral Algemeen Bekakt Nederlands te zijn in plaats van Beschaafd. Tja.

Foute dingen leer je blijkbaar gemakkelijker aan. In deze omgeving (Gouda/Rotterdam) wordt er nog wel eens gerommeld met t-tjes. Die gebruiken ze niet waar het wel moet, maar vooral wel waar het niet moet. En helaas hoor ik mezelf heel af en toe zeggen “ik gaat”. Oei. Maar soms is het gewoon een fijne manier van uitdrukken. Vooral in gebiedende wijs: “Pleurt op!”
Als je erover nadenkt is “pleur” trouwens een erg veelzijdig woord. Het kan koffie betekenen (dat bakkie pleur van hierboven), het kan duiden op weggaan en het kan ook “gooien” betekenen. “Dat is zomaar neergepleurd”. Mijn man noemt het “drag and drop” systeem van bepaalde programma’s (waarmee je iconen kunt verschuiven naar de plaats waar je ze wilt hebben): “sleur en pleur”. Wat ik echt een prachtige vertaling vind.

Wat mij vooral zo boeit is dat er in een piepklein landje als dit al zoveel verschillen in taalgebruik zijn. En dan heb ik het niet eens gehad over de echte dialecten. Dat zijn talen op zich en daar hebben we er toch ook nog heel wat van.
Ik mag dan in het Gooi opgegroeid zijn, waarbij iedereen aan de bekakte R denkt, maar in Huizen hebben ze een prachtig eigen dialect. Als ik vroeger oudere familieleden plat Huizers hoorde praten, kon ik het amper volgen, maar sommige woorden en  uitdrukkingen werden bij ons thuis ook gebruikt.

“Bol ân Taatje!” en “Neit mekke, kauwe!” zitten zo in mijn geheugen gebakken dat ik het zelf heel af en toe zelf ook nog zeg.
Ik nam altijd aan dat de vertalingen daarvan voor de hand lagen (“Rustig aan, man”en “Niet kletsen, eten”), maar de meeste mensen begrijpen absoluut niet wat ik bedoel.
Meer over Huizers vind je in dit artikel (o ja! boketor!) en in dit artikel. De Haindruk van ‘t Noorderainde die in het tweede artikel genoemd wordt is een oudoom van mij, die bij iedere speciale gelegenheid voordrachten in het Huizers hield, wat ik destijds niet echt kon waarderen, maar nu nog wel eens zou willen horen.

Over Fries begin ik maar helemaal niet, mijn kennis daarvan reikt niet verder dan wat ik van Piet Paulusma geleerd heb. En ik weet wel zeker dat ik mijn aanstaande schoonzoon helemaal niet kan verstaan als die in het Limburgs aan de gang gaat…

Zonnebloemen

Geplaatst op 22/08/2017 door Geertrude Verweij

Ik had een schrijfsabbatical. Eigenlijk een writersblock, maar zoals ik een paar weken geleden tegen iemand zei: als ik het een sabbatical noem lijkt het alsof ik er controle over heb en dat voelt beter. Je moet het tenslotte niet dramatischer maken dan het is. Gaat wel weer over.
Het was wel lekker rustig in mijn hoofd. Tenminste, dat zou het geweest zijn als er niet allerlei andere dingen speelden. Maar het schrijfdeel van mijn hoofd was in ieder geval even helemaal rustig. De eerste paar maanden vond ik dat prima. Na een half jaar begon ik het wel te missen. En na acht maanden ben ik blijkbaar klaar om weer te beginnen.
Dat dacht ik in ieder geval. Want toen ik een paar weken geleden een weekendje in Zuid-Frankrijk doorbracht en wat gemakkelijker al die andere dingen kon loslaten gingen er ineens allerlei lampjes weer aan in dat schrijversbrein van mij.
Een beetje vreemd is het wel. Ik zeg het wel vaker: het is maar goed dat mensen geen gedachten kunnen lezen. Nu zagen de weinige medeweggebruikers alleen maar een onopvallend vrouwtje van middelbare leeftijd in een sportautootje met open dak zitten. Als ze heel goed keken, hadden ze misschien gezien dat dat vrouwtje nogal dromerig naar een veld vol zonnebloemen keek, maar dat komt wel vaker voor daar, vooral bij mensen uit ons bewolkte landje. Als je zonnebloemen hoogstens kent als van een kluitje ergens in je tuin, is zo’n veld vol iets om van te genieten tenslotte.
Dat die dromerige blik kan omdat dit specifieke vrouwtje zich afvroeg of het mogelijk was een lijk te verbergen in zo’n veld en hoe lang het dan zo duren voor het gevonden werd, zal niemand vermoed hebben.
Tja.
Ik betwijfel ook of iemand van de andere gasten in ons chambre d’hôtes kom vermoeden dat ik die avond op het terras zo nadenkend van mijn water dronk omdat ik me afvroeg wie van hen model kon staan voor degene die vermoord werd en wat dan de reden was voor die moord. Spontane antipathie? In de boeken van Stephen King zijn het vaak de gewone, lieve mensen die uiteindelijk iets doen wat wel verklaarbaar, maar toch eigenlijk heel slecht is. Aan de andere kant heb ik een zwak voor de verhalen van Agatha Christie waarin bijna elke moord het resultaat is van een heel ingewikkeld vooropgezet plan. Maar waarom zou je iemand helemaal naar Zuid-Frankrijk volgen om hem daar vervolgens te vermoorden? Dat moet toch eenvoudiger kunnen. Tenzij die zonnebloemen ergens symbolisch voor zijn. Maar het kan ook zijn dat de moord wel gepland was en dat die zonnebloemen een handig plekje bleken te zijn om het lijk te verbergen.
In die paar dagen spon ik een compleet verhaal rond dat lijk tussen die zonnebloemen. Ik maakte wat aantekeningen in een notitieboekje dat ik bij me had en verheugde me erop thuis te gaan schrijven.
En daar eindigt het verhaal van de zonnebloemen. In ieder geval voorlopig. Want thuis waren er zoveel andere dingen te doen dat alles wat ik verzonnen had weer op de achtergrond raakte. Ik pakte mijn sabbatical weer op, zullen we maar zeggen.
Maar wie weet, misschien duikt er binnenkort ineens een verhaal of een heel boek van mijn hand op dat “Moord tussen de zonnebloemen” heet (of zoiets).
Jullie weten nu hoe zoiets begint…

Een nachtelijk gesprek

Geplaatst op 15/08/2017 door Geertrude Verweij
Het is niet altijd leuk dat onze slaapzolder (zo betitelde een makelaar wat wij trots ‘de slaapkamer’ noemen) nog niet helemaal geïsoleerd is (staat wel op De Lijst). ‘s Zomers kan de temperatuur namelijk behoorlijk oplopen en dat houdt in dat we moeten slapen met alle ramen open. En dan hoor je van alles.
Normale mensen slapen daar waarschijnlijk doorheen, maar ik dus niet. Het geruis van het verkeer van de provinciale weg kan ik wel filteren, dat hoor ik niet bewust. Maar ons dijkje is ook een doorgangsroute voor fietsers. En die passeren allesbehalve geruisloos.
Dat klinkt raar, maar het is zo. De fietsen zelf maakt meestal geen geluid. Hoewel, soms loopt er iets aan, of rammelt het zo hard dat je verwacht dat het ding elk moment uit elkaar kan vallen, maar meestal valt het wel mee. Het is alleen zo jammer dat de mensen die op die fietsen zitten niet beseffen (of er domweg geen rekening mee houden) dat er mensen wonen en proberen te slapen in de huisjes waar ze langs fietsen. En dat die dus alle gesprekken kunnen horen. Wat heel irritant is, want je hoort maar een paar zinnen en dan zijn ze alweer voorbij.
En dan vraag je je dus af waar dat over ging.
Vannacht had ik er weer eentje.
‘Ik pak iets te eten. Ik eet het op. Ik ga naar boven…’
De rest kon ik niet horen. Maar ik heb er een half uur over na liggen denken.
Het was sowieso een rare opsomming. Waarom die toevoeging ‘Ik eet het op’? Dat is meestal de reden waarom je iets te eten pakt, dus dan hoef je er niet bij te vertellen dat je het opeet. Je vertelt het er juist bij als je dat niet direct deed. Was deze jongen het type dat zeer gedetailleerd denkt en volgde er op ‘Ik ga naar boven’ ook nog de totaal overbodige mededeling ‘via de trap’?
Of was het een voorspel voor wat er boven gebeurde? Volgde daarna een smerig verhaal over hoe dat eten dat hij dus net had opgegeten er direct weer uit kwam? Of wilde hij uitleggen dat hij toen hij boven was meteen weer honger had ondanks het eten dat hij gepakt en zelfs opgegeten had?
Ik vond ook de tegenwoordige tijd boeiend gekozen. Want als het gewoon een anekdote was, had hij het in de verleden tijd verteld. Neem ik aan. Tenzij hij een journalist was, want die schrijven rustig maar volledig grammaticaal incorrect dat ‘iemand gisteren begint te lopen’ of iets dergelijks.
Maar een normaal mens gebruikt dit soort opsommingen alleen om ergens de nadruk op te leggen. Dus er gebeurde iets bijzonders nadat hij naar boven was gegaan.
Of -als deze jongen zijn taal grammaticaal en semantisch helemaal correct gebruikte- er gebeurt altijd iets bijzonders als hij eerst iets te eten pakt, het opeet en dan naar boven gaat.
Maar wat gebeurt er dan? Gaat de koelkast piepen omdat hij hem altijd per ongeluk open laat staan? Komt de kat tevoorschijn en eist die zijn deel? Maar wat eet hij dan voor hij naar boven gaat? Vis?
Of klaagt zijn vrouw dat zijn adem stinkt zodra hij het bed instapt? Maar waarom zou je ‘s nachts uit bed komen om knoflookteentjes, uien of andere stinkende etenswaren te eten?
Of…
Ik kwam er niet uit.
Maar het bezorgde me wel een boeiend halfuurtje nadenken over iets onbelangrijks en dat is (na ontelbare nachten piekeren over persoonlijke problemen) ook wat waard.

van A tot Z :: de F van Fictie

Geplaatst op 24/01/2017 door Geertrude Verweij

 
Ik schrijf fictie. Mijn boeken zijn geen waargebeurde verhalen, maar puur uit mijn duim gezogen. Hoogstens een klein beetje geïnspireerd door het echte leven en dan zeker niet noodzakelijk het mijne.

Hier op het blog schrijf ik af en toe non-fictie, maar meer zal dat niet worden. Toen ik nog heel veel blogte over tuinieren, breien en koken werd me regelmatig gevraagd of ik daar niet eens een boek over wilde schrijven. En mijn antwoord was altijd: misschien wel. Ooit.
Want zo’n vraag zette me aan het denken. Non-fictie verkoopt meestal beter, zeker als je een populair onderwerp kiest. Het zou misschien wel een verstandige zet zijn om daar tijd in te steken en …
Maar ik weet nu dat het echte antwoord een simpel “nee” is. Want ik moet er niet aan denken een heel boek vol te moeten schrijven met feiten.

Dat lijkt me ten eerste verschrikkelijk saai. Het is juist zo leuk om je verbeelding de vrije loop te laten tijdens het schrijven. In een fictief boek kan dat. Je kunt beginnen met een vaag idee van wat je hoofdpersoon gaat meemaken, maar aan het eind van het boek kan de situatie volkomen anders uitgepakt hebben. Bij mij wel in ieder geval, ik doe niet aan vooruitbedachte, schematisch opgezette uitlijningen voor ik ga schrijven. Bij non-fictie zul je wel moeten beginnen met een strak plan en dat zou de lol er flink vanaf halen.

Een ander probleem met non-fictie is dat het allemaal nog waar moet zijn ook. Waar ik in mijn boeken wel eens luchtig over de feiten heen huppel (ik doe wel research, maar ga gewoon niet te diep in op details als ik er niet uitkom), zou ik alles, maar dan ook alles helemaal zeker moeten weten. En daar ben ik niet zo goed in. Dat komt misschien vooral door bovenstaande onderwerpen. Want tuinieren is afhankelijk van zoveel factoren (grond, weer, de kwaliteit van je zaad enz.) dat je er eigenlijk nooit echt een zinnig woord over kunt zeggen. Bij mij werkt “laten groeien en afwachten” meestal het beste, maar daar krijg je geen boek mee vol.
Breien doe ik ook al niet volgens de regels en mijn pogingen om stekenverhoudingen uit te rekenen lopen meestal op een ramp uit. Zomaar beginnen en zien waar het eindigt is mijn normale techniek en dat valt over het algemeen goed uit. Heel af en toe heb ik wel geprobeerd op te schrijven wat ik gedaan had om een bepaald effect te krijgen. Maar patronen waar mensen geld voor willen betalen kun je er niet mee schrijven.
Voor koken geldt hetzelfde. Ik doe maar wat. Gooi ingrediënten bij elkaar en meestal smaakt dat best. Af en toe schrijf ik op wat ik doe (meestal voor de dochters) en ik heb ook wel recepten op mijn blog gezet, maar ik moet er niet aan denken om er een heel boek over te schrijven.
Vandaar dat ik er maar gewoon niet aan begin.

En waargebeurde verhalen? Autobiografische stukjes? Ooit schreef ik ze. Wekelijks zelfs. Maar toen had ik pubers en twee drukke banen. Dan maak je nog wel eens wat mee en daar schreef ik dan een paar honderd woorden over. Heel af en toe doe ik dat nog. Een verslagje over een schrijversuitstapje of het Valentijnfestival bijvoorbeeld. Maar verder? Mijn leven is aan de ene kant vreselijk saai en aan de andere kant “stranger than fiction”, maar dan niet op een manier die leuk is om over te schrijven. Ik weet dat niet iedereen er zo over denkt, maar ik hou de nare dingen in mijn leven liever voor mezelf. Die horen niet op het internet of in een boek.
En bovendien… het is gewoon veel leuker om verhalen te verzinnen. Vind ik wel.

Al moet je daar wel een beetje mee uitkijken. Ik heb ooit een heel teleurgestelde, bijna boze reactie gehad op een kerstverhaal in de ik-vorm. Iemand had heel erg medelijden met me omdat ze dacht dat mijn man weggelopen was en vond het niet zo leuk toen ze erachter kwam dat het “nep” was. Tja. Er stond echt boven dat het fictief was… Ik ben gelukkig in goed gezelschap, want Anne-Wil uit de Libelle krijgt nog steeds soortgelijke reacties (Anne-Wil is een verzinsel van Tineke Beishuizen).
Een paar jaar geleden had ik een blog met een fictieve persoon die op een soort boerderijtje terecht kwam en daar van alles meemaakte, waar ze dan zogenaamd over schreef. Daar ben ik mee gestopt omdat ik er geen tijd meer voor had, maar af en toe kriebelt het weer. Het was namelijk erg leuk om te doen. Nog langer geleden ben ik een paar maanden lang voor de website van iemand anders in de huid gekropen van Samantha, de heks die huisvrouw werd uit de jaren-zestig comedyserie Bewitched. Dat was nóg leuker, want ik toverde er lustig op los in die stukjes en verzon de gekste dingen die toevallig heel erg aansloten bij mijn eigen leven, want ik was ook huisvrouw en moeder. Alleen toverde Samantha gauw het hele huis schoon als haar schoonmoeder onverwacht voor de deur stond en vroeg ze aan de katten in de buurt of ze een verdwenen huisdier gezien hadden. Heerlijk!

Als ik ooit weer zo’n blogproject begin heb je best kans dat het meer die kant opgaat. Geen levensechte realistische narigheid, maar sprookjesachtige kolder.

Ja, het is wel duidelijk waar mijn hart ligt… Laat mij mijn fantasie maar gebruiken 😉

van A tot Z :: de E van Einde

Geplaatst op 10/01/2017 door Geertrude Verweij

Eind goed, al goed. Zou je denken. Simpel.
Maar wist je dat één van de meest voorkomende punten van kritiek die ik krijg op mijn boeken is dat het einde voorspelbaar is?
Persoonlijk vind ik dat eigenlijk geen kritiek, maar gewoon een logisch gevolg van het genre. Je leest immers een liefdesverhaal en dan is het gebruikelijk dat “ze mekaar krijgen”. Heel voorspelbaar, daar lees je zo’n boek dan ook voor. Ik in ieder geval wel.

Een happy end is natuurlijk eigenlijk helemaal niet literair verantwoord. Maar ik schrijf dan ook geen literatuur, dat scheelt. Ik schrijf gewoon levensverhalen en verzin daar een afgerond, positief einde aan.

Wat niet altijd mee valt. Ik vind de laatste zin van een boek of verhaal vaak het allerlastigste om te schrijven. Het zou tenslotte geweldig zijn als die laatste woorden beklijvend waren, bleven hangen in het geheugen van de lezer. Maar dat valt niet mee. Ik merk wel dat ik mijn boeken vaak eindig zoals ze beginnen. Met een geprek en eigenlijk midden in een scene.

‘Liefje, schat, kleintje, mag ik alsjeblieft af en toe in jouw landhuis op bezoek komen?’
Ze grinnikte. ‘Nou nee.’
‘Nee?’
‘Nee, suffie. Hoe wou je een gezin beginnen als je af en toe op bezoek komt? Van mij mag je wel in een van die kamers die ik over heb wonen.’
Hij stond op en trok haar omhoog. ‘En als ik je netjes ten huwelijk vraag?’
Ze sloeg haar armen om zijn nek. Alle twijfels verdwenen en ze antwoordde lachend: ‘Dan mag je in alle kamers.’
(Familiegeheimen)

‘Ik hou van jou en jij houdt van mij. Ik ben…niet goed op school en jij juist wel. Ik ben dyslectisch en jij een boekenwurm. Ik ben lief en jij een hork. Nou en? Dan passen we juist prima bij elkaar. Tegenstellingen trekken elkaar aan. Opposites attract.’
Hij keek haar verbaasd aan en schoot toen in de lach. ‘Had je dat niet eerder kunnen bedenken?’
(Tegenstelling)

Ik weet dat er mensen zijn die vinden dat een liefdesroman altijd met een kus moet eindigen, maar dat doen ze bij mij juist zelden. Alleen die laatste beklijvende zin (sinds in mijn allereerste recensie stond dat mijn boek leuk, maar niet beklijvend was en ik moest op zoeken wat dat betekende, gooi ik dat woord regelmatig in mijn gedachten en gesprekken over schrijven), dat blijft een probleem. Meestal pieker ik er een tijdje over, schrijf tientallen versies, vind ze allemaal te gemaakt en te nep en eindig dan met zoiets als hierboven (ik ga natuurlijk niet de eindes van alle tien mijn boeken verklappen). En vind dat, als ik er een paar jaar later naar kijk om ze in een blogpost te verwerken (ik lees mijn boeken nooit meer nadat ze uitkomen), eigenlijk helemaal zo slecht nog niet.

Ondanks mijn geworstel met die laatste zinnen weet ik meestal wel hoe een boek afloopt terwijl ik er nog mee bezig ben. Meestal, inderdaad. Want het overkomt me ook wel eens dat ik er halverwege achterkom dat een karakter helemaal niet is zoals ik dacht dat hij of zij was of dat een situatie heel anders in elkaar zit. En dan is mijn keurig bedachte einde ineens van de baan en moet ik ploeteren om een ander eind te verzinnen. Maar dat maakt schrijven nu juist zo boeiend.

Hoe mijn nieuwste boek zal eindigen? Voorspelbaar, ben ik bang. Ze krijgen mekaar. Denk ik. Want helemaal zeker weet ik dat pas als ik het af heb.

  • Previous
  • 1
  • …
  • 15
  • 16
  • 17
  • 18
  • 19
  • 20
  • 21
  • …
  • 48
  • Next

Welkom!

Ik ben Geertrude, echtgenote van 1, (schoon)moeder van 5 en oma van 2.
Ik ben boekhouder, redacteur en schrijfster van beroep en hou van lezen, fotograferen, breien, naaien, tuinieren, kruidengeneeskunde en nog veel meer.
Hier schrijf ik over alles wat me bezighoudt en soms ook over mijn pogingen eens wat rustiger aan te doen.
Meer over mij vind je hier.

Archief

© 2026 Geertrude blogt | Aangedreven door Minimalist Blog WordPress thema