Natuurlijk is het al oktober. De meteorologische herfst is al ruim een maand geleden begonnen. En ook de Equinox, de dag waarop de herfst volgens de zonnekalender echt begint, ligt al een paar weken achter ons.
Toch begint het nu pas langzaam tot me door te dringen. Mijn kersenboom begint blad te verliezen en de struik waarvan ik de naam niet kan onthouden begint mooi donkerrood te worden. In het bos zijn vast de paddenstoelen al weer volop te vinden.
Klinkt heel romantisch allemaal. Maar eigenlijk is er maar een ding waardoor ik zeker weet dat de zomer voorbij is en de herfst weer begonnen. Nee, wacht. Het zijn er twee.
Het eerste is het feit dat er hier in huis al weken gekucht, gesnuft, gesnotterd en geniest wordt. Geen Mexicaanse griep, hoor. Tenminste, dat denk ik niet. Want het is precies zoals ieder jaar. Snipverkouden, beetje grieperig, lichte koorts. Af en toe blijft er iemand thuis uit school, als het heel erg is. Ook dat gebeurt ieder jaar. Ik maak me daar geen zorgen over, want dan blijf ik aan de gang. In oktober en november draait men hier toerbeurten op dat gebied.
Nu is er eentje thuis waarbij de verkoudheid is op haar ogen geslagen. Ze kijkt me met kleine waterige oogjes aan en ik moet ze regelmatig schoonmaken omdat anders die mooie lange wimpers van haar aan elkaar vast plakken. Aan haar rode wangen kan ik zien dat ze nog steeds een beetje koorts heeft. Ik vind haar erg zielig, maar zelf twijfelt ze alweer of ze morgen naar school zal gaan, want ze heeft een toets. En ze vraagt of ze op de computer mag, want ze verveelt zich.
Die stapt dus morgen weer gewoon op de fiets. En dat brengt me bij het tweede punt waaraan ik kan zien dat de herfst begonnen is. De eeuwige strijd over de regenpakken. Die ze het liefst niet dragen (want het zit niet lekker en het staat ook niet erg modieus natuurlijk) en altijd vergeten mee te nemen, maar die wel hard nodig zijn. Die, als ze wel gebruikt worden, overal rondslingeren of op de gekste plaatsen druppelend opgehangen worden. Wat ik dan weer liever zie dan een keurig opgevouwen regenpak aan de kapstok, terwijl het bijbehorende kind met druipende kleren thuiskomt. Want dat zou wel eens een reden kunnen zijn voor al dat gesnotter…
In plaats van breien
Stroomstoring
Niets zet me zo aan het nadenken over de voor- en nadelen van de moderne tijd als een stroomstoring. Ik kwam thuis van een afspraak en wilde even mijn mail lezen. Geen verbinding met internet. Ik ben niet zo heel technisch, maar weet wel dat ik dan naar de router moet kijken, of alle lampjes branden. Daar brandde geen enkel lampje. Stekker zat er wel in. Toen het lichtknopje geprobeerd. Geen licht. Stoppen nagekeken. Die waren goed. Een telefoontje naar de energiemaatschappij leerde me dat ons hele dorp en een stuk van de nabijgelegen stad zonder stroom zaten.
Daar zat ik. Geen mail, geen internet. Ik bedacht dan maar eens iets nuttigs te gaan doen. Stofzuigen, een was draaien, strijken. Oh. Dat ging niet. Ik opende de koelkast en deed hem snel weer dicht, zodat de kou er niet uitviel. Want de koelkast deed het natuurlijk ook niet. Ik zag nog wel dat ik eigenlijk dringend boodschappen moest doen. Maar daarvoor moest ik dan wel een flink eind rijden, want de supermarkt in het dorp is ook dicht als de stroom uitvalt.
Dat was het moment waarop ik me ging afvragen hoe erg we nu eigenlijk afhankelijk zijn van elektriciteit. Het antwoord was verontrustend. Zelfs als ik een houtkachel neerzet, de vloer gewoon met een bezem veeg en ga wassen in een teiltje, is het onmogelijk om zonder stroom te leven. De hele maatschappij raakt dan ontregeld. Winkels moeten sluiten want betalen is onmogelijk. Pinautomaten werken namelijk ook op stroom. En contant geld komt toch eerst uit zo’n automaat. Benzinepompen doen het ook niet zonder elektriciteit, evenals treinen, de metro en de tram. Dus na een tijdje kunnen we geen van allen meer verder reizen dan we kunnen fietsen. En wie heeft er nog een analoge telefoon? Zo kan ik nog veel meer opnoemen. Ik kreeg het er benauwd van.
Gelukkig ging op dat moment spontaan het licht weer aan. Net op tijd om de televisie in te schakelen en te kijken hoe men zich in Het Kleine Huis op de Prairie prima redt zonder stroom.
Ja, ik weet best dat het leven toen absoluut niet gemakkelijk was. We zijn er echt wel op vooruit gegaan en ik hoef ook niet terug in de tijd. Maar het is wel griezelig dat onze maatschappij zo afhankelijk is van iets dat zomaar ineens weg kan zijn. Gelukkig denk ik daar alleen maar over na tijdens een stroomstoring…
Kleine dingen
Een paar dagen geleden keek ik televisie. Nu is dat niet zo verwonderlijk, want dat doe ik regelmatig. Ik doe dat ook regelmatig niet, trouwens, want ik vind het aanbod van programma’s vaak bedroevend slecht. Dan zet ik de televisie dus maar gewoon uit. Maar zo nu en dan vind ik het erg prettig om televisie kijken. Ik vind dat het prettigst met een breiwerkje erbij. Dan heb ik het gevoel dat ik nog iets nuttigs doe, denk ik.
De laatste weken kom ik steeds uit op dezelfde zender en dezelfde programma’s. Zo’n zender met een vaste programmering. Je weet zonder in de gids te kijken al wat er komt. Dat is handig, maar eerlijk gezegd hoeft het van mij niet. Ik heb liever ouderwets eens per week mijn favoriete serie, niet iedere dag.
Er was een aflevering van “Scrubs” over hoe kleine dingen grote invloeden kunnen hebben. In dit geval een vlinder die landde op de flinke boezem van een jongedame in de wachtkamer. Een van de mannelijke hoofdpersonen keek daar naar en kreeg daardoor ruzie met zijn verloofde. Dat veroorzaakte weer andere problemen en uiteindelijk stierf er zelfs een patiënt.
Ik vond dit een mooi uitgangspunt. Want zo is het immers? Kleine dingen kunnen een enorme invloed hebben op je leven. Ik heb mijn man bijvoorbeeld ontmoet omdat ik een tijdschrift dat ik anders nooit zo grondig las, uit verveling nog eens doorbladerde. Ik zag een advertentie van iets waar ik wel naar toe wilde en daar was hij ook. Of ik hem ook ontmoet zou hebben als ik me die dag niet verveeld had, is nog maar de vraag.
Om dit te illustreren begon in de serie het hele verhaal opnieuw, maar nu landde de vlinder ergens anders. Ruzies werden voorkomen en het probleem van de patiënt werd op tijd ontdekt. Alles ging ineens helemaal goed.
Ik zei hardop en een tikje geërgerd dat het zo niet werkte. Zo zit het leven nu eenmaal niet in elkaar, al zou je dat wel willen. Als je heel jong bent, geloof je nog wel dat het kan. Ik wel, in ieder geval. Maar als je wat meer levenservaring hebt, weet je dat geluk en verdriet altijd hand in hand gaan en dat je aan sommige dingen gewoon niets kunt veranderen.
En blijkbaar wisten de schrijvers van de serie dat ook, want uiteindelijk stierf de patiënt toch…
Schrijfster
Als je mij vraagt wat mijn beroep is, noem ik altijd een hele rij bezigheden. Huisvrouw, boekhouder, verslaggeefster, fotografe. En dan ineens denk ik, oh ja, ik ben schrijfster. Dat zeg ik dan meestal maar gewoon niet. Want ik vind het nog steeds gek klinken, ondanks dat van mijn eerste roman inmiddels honderden exemplaren verkocht zijn en mijn tweede eind volgend jaar uit zal komen.
In april was ik op een lezing van Yvonne Keuls. Hoewel ik daar was in opdracht van mijn krant, en er dus een keurig algemeen stukje over geschreven heb, was ik persoonlijk vooral geïnteresseerd in wat ze zei over schrijven. Die dingen heb ik dan ook in een apart bestandje opgeslagen. Ik laat u even meelezen: “Het verhaal hangt in de lucht, in de tijd, net als een uitvinding. Als iets uitgevonden moet worden, dan wordt het ook uitgevonden op verschillende plaatsen in de wereld. Een verhaal zweeft ook in de lucht. Een schrijver moet dat oppakken. Maar het is wel hard werken. Ik ga iedere dag de trap op naar mijn werkkamer. Ik weet dan dat er iets gaat gebeuren, maar ik ben iedere dag weer benieuwd naar de pagina die ik ga schrijven. Ik weet gewoon, als ik ga zitten komt die pagina, maar ik weet niet wat er die dag komt. Dat is het spannende. Als ik eenmaal bezig ben, slaat mijn fantasie op hol.”
Het zou mooi zijn als ik kon zeggen dat het voor mij ook zo werkt. Gedeeltelijk wel. Dat van die fantasie die op hol slaat vooral. Als ik ergens aan begin, heb ik meestal geen idee waar het eindigt.
Zover begreep ik het dus volkomen. Maar die discipline om ook elke dag te gaan zitten en te kijken wat er ontstaat, die mis ik nog. Daarom voel ik me ook geen echte schrijfster, denk ik.
Mijn vaste schrijfplek is de bank in de huiskamer. Laptop op schoot, pot thee binnen handbereik. Soms, nou eigenlijk vaak, iets lekkers erbij, maar dat probeer ik af te leren, want anders groei ik net zo hard als het aantal woorden van mijn boek. Terwijl ik probeer dat verhaal te grijpen, draaien ondertussen de wasmachine en de droger, zie ik ineens dat de planten staan te verdrogen of staat het eten op in de keuken. En als echtgenoot en de dochters thuis zijn, hebben die natuurlijk ook aandacht nodig. Met andere woorden, ik laat me voortdurend afleiden.
Tenminste, zo gaat het op normale dagen. Soms slaat het ineens toe. Dan zit ik erin. Dan kan helemaal niets me meer van mijn verhaal afhouden en schrijf ik iedere minuut die ik vrij kan maken. Dan schieten die was en die planten en de rest er totaal bij in. Wat ook weer lastig is.
Nu vraag ik me af of ik het ooit zal leren, die discipline. Ik werk eraan, dat wel. Maar het valt niet mee. Misschien moet ik op vaste uren een briefje op mijn laptop hangen. Een briefje waarop staat: “Concentreer je, sufferd! Je bent schrijfster!”
Leerzaam
Mijn oudste dochters vinden het nog altijd erg fijn om in de huiskamer huiswerk te maken. Dus leer ik, nu de scholen zijn begonnen, ook meteen een hoop bij.
Vooral van de aanstaande schooljuf. Want die is al ijverig in haar taalboeken gedoken om straks cum laude te slagen voor de taaltoets. En zo word er hardop nagedacht over bijwoordelijke bepalingen, voorzetsel voorwerp en dat soort kreten. Dat is bij mij inmiddels heel ver weg gezakt. Ik gebruik al die dingen vast wel, maar ik had geen idee meer hoe dat allemaal heette.
Ondertussen is de andere dochter bezig een snor te maken voor het vak haarwerk. Want als je allround grimeur wordt moet je dat ook kunnen. Ze vind het maar lastig, want ieder haartje moet met een haakje door de tule getrokken worden en dan door het lusje. Ik riep dus opgewekt: “oh net als het knopen van een kleedje!” Waarop ik het misprijzende antwoord kreeg dat ook nog nooit gedaan had, dus daar had ze niets aan. Ze heeft gelukkig ruim de tijd, maar dat moet ook wel, want zo’n snor maak je niet in een middagje. En daarna mag ze nog bakkebaarden en een baard maken, dus voorlopig zitten we nog wel met die haren.
Inmiddels heeft de talende dochter door dat er bijvoeglijk bepalingen binnen bijvoeglijke bepalingen kunnen zitten. Huh?
Ik geloof dat ik nu maar even afhaak. De snorrende dochter is ook afgehaakt en is nu een kniples aan het voorbereiden. Dat is dus het andere uiteinde van het haarwerk. Jammer genoeg beginnen ze niet met deel waar de dochter en ik het meest naar uitkijken: het opsteken van lang haar. Het is de bedoeling dat ze stijlen en technieken uit verschillende tijden gaat leren. Lijkt mij geweldig. Dat is het einde van de uitzakkende vlecht die ik tegenwoordig bijna iedere dag in mijn haar draai. Nee, straks zal mijn hoofd keurig gekapt zijn met kunstige knotten of rollen. Ook is het uit met de slordige mascara die ik eens in de maand (want meestal vergeet ik het) aanbreng. Ze heeft maandag al geoefend met foundation en de rest volgt vanzelf.
Ik zal dus binnen kort een perfect gekapt en geverfd hoofd hebben en ook nog eens in staat zijn mijn schrijfwerk volledig taal- en redekundig te ontleden. Ja ja, zo heb je nog eens wat aan je kroost.
Maal-tijd
Gisteren las ik weer eens hoe iemand iedere week met een stapel kookboeken op schoot de maaltijden voor de komende week inplant. Dat lijkt me zo heerlijk. En diezelfde persoon vertelden ook nog eens hoe belangrijk zij het vind om de maaltijden met het hele gezin te nuttigen.
Tja. Misschien moet ik nog een jaar of tien wachten en dan eens vragen hoe het bij hen is. Want tien jaar geleden ging het hier ook nog zo. Ik had geen strakke planning, maar wel een redelijk goed beeld van wat we die week gingen eten. En dat deden we dan ook bijna altijd samen. Echtgenoot ontbrak natuurlijk aan de lunch, maar daar kreeg ik dan vaak een hele ris vriendinnetjes van de dochters voor in de plaats. Soms was echtgenoot ‘s avonds erg laat, maar dan hield ik zijn eten gewoon apart en warmde het later op in de magnetron.
Die deed ik drie jaar geleden weg, omdat ik hem nooit meer gebruikte. Echtgenoot werkte toen grotendeels thuis en de kinderen waren zo groot, dat we best wat later konden eten als het nodig was.
Ontbijt en lunch zijn hier al jaren individueel. Ik dek de tafel niet eens meer, men maakt gewoon in de keuken een paar boterhammen klaar. Niet echt gezellig, maar ik kan nu eenmaal niet eisen dat iedereen opstaat en ontbijt tegelijk met degene die het vroegst weg moet. Dat speelt al sinds de dochters op de middelbare school begonnen, dus daar ben ik inmiddels aan gewend.
De avondmaaltijden waren me echter min of meer heilig.
Maar tegenwoordig zijn er allerlei factoren die roet in het eten gooien. Het wordt steeds lastiger om iedereen tegelijk aan tafel te krijgen. Balletlessen op de gekste tijden, werk bij klanten op locatie, bijbaantjes op middag- en avond uren. Zelfs in deze enorm lange zomervakantie wordt het een steeds grotere puinhoop. Ik heb er zelden van te voren goed zicht op met hoeveel mensen we om welke tijd aan tafel zitten. Een hele week van te voren inplannen is echt onmogelijk en mijn kookkunsten beperken zich dan tegenwoordig ook tot eenvoudige gerechten met standaardingrediënten. Niet leuk.
Dus hakten we deze week de knoop door. Ik heb weer een magnetron. Later eten is geen probleem meer en eerder ook niet. Dat laatste is een kwestie van voorlopig iets te ruim koken en de restanten invriezen.
Ik heb ineens een stuk meer zin om te koken. Kom nu maar op met die nieuwe schoolroosters!
Oud
Ik heb het vast al eerder gezegd en val dus in herhaling, maar dat moet dan maar, want ik wil het er toch over hebben. Ik voel me af en toe ineens zo oud. Meestal niet, hoor. Ik moet tenslotte nog veertig worden.
Maar zo nu en dan word ik er ineens mee geconfronteerd. Vorige week bijvoorbeeld. Toen ging ik samen met een oude schoolvriendin die ik al een jaar of acht niet had gezien naar de bruiloft van een oude schoolvriendin die al een jaar of achttien niet had gezien. En hoewel ik best wist dat ook zij de veertig naderen en niet zo fris meer zijn als toen, kreeg ik het ineens benauwd.
Want iedere keer als ik in de spiegel keek, schoof het gezichtje van mijn achttienjarige ik ervoor. En dat verschil is toch wel behoorlijk. Normaal kijk ik ook niet zo goed in de spiegel. Als mijn haar niet recht omhoog staat vind ik het al gauw goed. Maar nu zag ik ieder lijntje en iedere rimpel. Het zijn er niet zo heel veel, maar ze zitten er wel. Het zou trouwens ook niet normaal zijn als dat anders was. Want mijn dochters zijn nu achttien en… oh! Mijn dochters zijn nu even oud als wij waren op de foto’s die ik uit een oud album opdook. Drie vriendinnen op vakantie tussen de examens en de diploma uitreiking door. Tegenwoordig schijnen reisorganisaties daarmee te adverteren, maar wij hadden het zelf verzonnen. We zaten dan ook niet in Salou, maar in het vakantiehuisje van mijn ouders in Zeeland. Lol hadden we wel, dat straalt van die foto’s af.
Waar zijn die twintig jaar gebleven? Het lijkt zo kort geleden… Ik zeg het regelmatig tegen de dochters: gisteren waren jullie nog baby’s! Dan lachen ze een beetje en waarschijnlijk snappen ze niet wat ik bedoel. Nog niet, in ieder geval. Want toen ik achttien was snapte ik het ook niet.
Het gekke is dat ik door die bruiloft merkte dat het ook echt allemaal niet zo lang geleden is. Want de bruid zag er helemaal niet zo heel anders uit dan ik me haar herinnerde en zij herkende andere vriendin en mij ook direct. Blijkbaar verandert er niet zo heel veel meer als je eenmaal volwassen bent. Uiterlijk dan. Want in die twintig jaar hebben we wel twintig jaar levenservaring opgedaan en (hopelijk) heel wat bijgeleerd. Meer dan we bij konden kletsen in zo’n korte tijd in ieder geval!
Pretparkpret
Een dagje pretpark is een goede manier om een thuisblijfvakantie op te leuken. Dat vind viervijfde van ons gezin. Aangezien wij regelmatig een jaar overslaan, gaan we ook regelmatig naar een pretpark. Eenvijfde van ons gezin, ik dus, zou eigenlijk liever een bos- of strandwandeling maken, maar de meerderheid wint.
Ach, dat klinkt wel erg negatief. Zo erg is het nu ook weer niet. Vooral de Efteling vind ik wel leuk. Er zijn daar maar drie dingen waar ik niet in durf. Want dat is het grote probleem. Ik heb hoogtevrees. Vooral de achtbanen die je heel langzaam heel erg hoog optakelen voor de rit echt begint, vind ik vreselijk eng.
De dochters en echtgenoot hebben daar geen last van. Die gaan het liefst naar de grote pretparken met de heel erg enge attracties. De allerhoogste achtbaan van Europa vinden ze zo leuk dat ze er het liefst drie keer achter elkaar in zouden gaan. Ik blijf dan liever op een bankje bij de ingang zitten.
Twee weken geleden gingen we weer eens naar de Efteling. Hoera, dacht ik. Daar durf ik bijna alles en dan hoef ik dus niet zo flauw te doen. Vogel Rok, een achtbaan in het donker, vind ik normaal gesproken zelfs leuk. Want dan kun je niet zien hoe hoog je zit. Maar ze hebben daar nu stiekem het licht een beetje aan gezet. Of ik zie ineens beter in het donker, dat kan ook. In ieder geval heb ik volgens de dochter die naast me zat, zo hard gegild dat haar oren er pijn van deden. Tja. Hoogtevrees.
Maandag gingen we naar Movie Park Germany. Daar waren we nog niet eerder geweest. Ik had er van te voren al helemaal geen zin in. Want alles wat je op de reclames voor dat park ziet, zijn hoge achtbanen. En Spongebob natuurlijk, maar dat maakt niet alles goed. Tot mijn opluchting was het echter heel goed te doen. Er was een soort heel hoge zweefmolen waar ik nooit meer in wil en een vrije-val-toren die ik overgeslagen heb en waar de dochters nooit meer in willen, maar verder was het zelfs wel leuk. Al moet ik wel toegeven dat ik in een van de niet zo hoge, maar wel heftige attracties, toen we een paar eeuwigdurende seconden helemaal ondersteboven bleven hangen, even met heel veel verlangen aan een stevige strandwandeling gedacht heb…
Kattenraadsel
Wij hebben een Schrödinger-kat. Dat zegt u waarschijnlijk niet veel, tenzij u een wetenschappelijke achtergrond heeft. De kat van Schrödinger is een theorie die te maken heeft met kwantummechanica. En zonder in al te ingewikkelde details te treden komt het er op neer dat je, wanneer je een kat in een doos stopt, niet zeker kunt weten of dat beest dood is of levend. Als je de doos opendoet zie je dat hij leeft, maar het kan best zijn dat hij dood is als je hem niet ziet.
Dat is precies wat er met onze kat aan de hand was. Toegegeven, we hadden behoorlijk veel reden om aan te nemen dat hij dood was. Er zijn namelijk al drie katten van ons doodgereden bij ons op de dijk. En hij was nog ziekelijk ook.
Eigenlijk mocht hij helemaal niet naar buiten. Vanwege zijn drie voorgangers dus. Maar sinds het voorjaar leek hij wel weg te kwijnen. En als hij even de kans kreeg, ontsnapte hij. Ook niet gezellig. Dus toen het weer verbeterde, lieten we de deur maar gewoon open staan. De eerste week kwam hij ‘s avonds nog terug voor eten, maar al snel zagen we hem bijna nooit meer. En toen hij een week of vier geleden zelfs niet meer kwam opdagen toen we de barbecue aanstaken, begonnen we te vermoeden dat hij dood was. Uiteindelijk ruimde ik de kattenbak en de voerbakjes maar op en begonnen we al voorzichtig te praten over een andere kat uit het asiel halen. Want wij vinden een huis zonder kat zo leeg.
Maar afgelopen zaterdag hoorde ik ineens een dochter die naar haar werk ging heel hard “Heeee!” roepen. En vervolgens naar binnen komen met ons Beest in haar armen. Een heel gezond Beest, dat duidelijk niet geleden had onder zijn avonturen. We hebben geen idee waar hij geweest is. Het zou kunnen dat hij een lange zwerftocht gemaakt heeft in de velden achter ons huis. Maar dan moet hij een betere jager zijn dan we dachten, want hij is zelfs aangekomen. Je zou bijna denken dat hij een ander huis gevonden heeft, maar hij gedraagt zich nog steeds alsof hij bij ons ook thuis is. Het was nooit een schootdier, maar hij komt heel bewust binnen om aangehaald te worden.
Waar hij geweest is, en waar hij uithangt als we hem nergens zien, zullen we nooit weten. Maar onze kat van Schrödinger leeft in ieder geval nog!
