Geertrude blogt

Menu
  • Contact
  • Over mij
  • Privacy
Menu

Rommeltje

Geplaatst op 17/03/2009 door Geertrude Verweij

Ik moet van alles vandaag, maar ik zit met mijn hoofd heel ergens anders. Ik moet een telefoontje plegen, een paar boeken versturen, naar een prijsuitreiking voor de krant en ook nog even mee naar de stad met één van de dochters. Die werkt bij een modezaak en heeft wat dingen apart laten hangen. Het is natuurlijk wel heel lief dat ze nog steeds mijn mening wil, maar het komt zo lastig uit.
Want behalve dat ik het dus best druk heb, zit ik met mijn hoofd bij een nieuw boek. Ik was er al mee bezig, maar liep vast toen de presentatie dichterbij kwam. Logisch, een mens kan niet alles tegelijk. Dus richtte ik me op mijn presentatie en op Tamara en Hugo uit “Huis vol verleden”. Mijn eerste boek ging de wijde wereld in. Tijdens de presentatie verkocht ik er al tientallen en verder is het afwachten wat men ervan vindt. Erg spannend. Sofie, de hoofdpersoon uit mijn nieuwe verhaal, verdween dus de afgelopen weken naar de achtergrond.
Maar nog geen dag na de presentatie dook ze alweer op en nu zit ik weer tot over mijn oren in haar problemen. Het wordt een heel ander verhaal, maar dat maakt het juist boeiend. Ook schrijf ik dit verhaal op een heel andere manier. Waar ik bij Huis vol verleden gewoon bij het begin begon en aan één stuk doorschreef, heb ik nu een situatie in mijn hoofd die iedere keer om net iets inleiding vraagt. Dus ben ik nu voor de derde keer het begin aan het herschrijven. Leuk, maar ook lastig.
Daarnaast opperde mijn gezin dat ik op basis van mijn eerste boek wel een trilogie kon schrijven, met als tweede en derde deel Huis vol heden en Huis vol toekomst. Het was een grapje, maar eigenlijk is het niet eens zo’n slecht idee. Dus duiken nu ook Tamara en Hugo, die ik een heerlijk happy end gegeven had, weer op in mijn hoofd. En ineens blijkt er over hen toch ook nog meer te vertellen te zijn. Heel fijn, maar ik zit nog met Sofie. Die wil niet nog eens aan de kant geschoven worden en komt voor haar rechten op. Dat verhaal moet er dus nu uit. Ongeacht opdrachten voor de krant, boeken die verstuurd moeten worden, telefoontjes en kledingaankopen dus.
Ik vraag me weleens af of het in het hoofd van iedere schrijver zo’n rommeltje is…

Gastblog op Trouw Schrijf! – Het einde van het begin

Geplaatst op 13/03/2009 door Geertrude Verweij

Toen ik na mijn boekpresentatie, afgelopen woensdag, thuis kwam, besefte ik ineens dat het nu voorbij was. Alles waar ik in die twee jaar naar toegeleefd had, de mededeling dat mijn boek werd uitgegeven, het proces van redigeren en vormgeven, de eerste keer dat je je eigen boek tastbaar in handen hebt, en de presentatie ervan aan het publiek. Voorbij. Alsof er een periode afgesloten wordt. Dit komt nooit meer terug.
Natuurlijk is het niet echt voorbij. Eigenlijk breekt nu de spannendste periode aan. Wordt mijn boek ook echt verkocht? Vinden mensen het een goed, leuk, mooi boek?
Een goed begin is het halve werk, zegt men. Dit was het begin en ik hoop maar dat het goed was. Aan de presentatie zal het niet liggen. Er waren een stuk of veertig mensen, die allemaal erg positief waren. Over mijn lezing, maar ook over de fragmenten die ik voorlas. Dat bleek in ieder geval uit het feit dat er heel wat boeken verkocht zijn die avond.
Tot mijn grote verbazing vond ik het ook ontzettend leuk om te doen. Zo’n lezing geeft je de mogelijkheid om direct de reacties van de lezers te peilen. Schrijven is een eenzaam beroep. Je weet nooit zeker of mensen dingen opvatten zoals jij dat bedoelde. Het geeft echt een enorme kick als er gelachen wordt om stukjes die je zelf erg grappig vind.
Na lang twijfelen heb ik er voor gekozen om mijn lezing toch maar op papier uit te werken. Ik kan tenslotte best goed schrijven, dus dan zou het op die manier in ieder geval niet aan de tekst liggen. Ik zocht op internet naar de gemiddelde spreeksnelheid en kwam ergens tegen dat je bij een toespraak of lezing ongeveer op 140 woorden per minuut uitkomt. Een kleine rekensom leerde me dat ik dus 4200 woorden moest schrijven. Dat is nog wel te doen.
Ik besloot toch het thema van de boekenweek maar als uitgangspunt te nemen. Dat was een beetje lastig, want er komt helemaal geen dier in mijn boek voor. Er staat alleen ergens dat de hoofdpersoon een late wandelaar ziet, maar denkt dat het iemand is die zijn hond uitlaat. Tot ze ziet dat de man helemaal geen hond bij zich heeft.
Dat stukje heb ik toch maar voorgelezen, want het is wel een vrij spannend stukje. Al brainstormend kwam ik er wel achter dat ik als tiener ooit de derde prijs in een gedichtenwedstrijd gewonnen had,
met een gedichtje over een mus. Tjielp, tjielp! Dat heb ik er dus ook in verwerkt. En stapte vervolgens over naar mijn allereerste pogingen om schrijfsels te verkopen. Dat was een column, maar het ging wel over onze kat. En vandaar uit kon ik toch de ontwikkeling van mijn “beginnend schrijverschap” (dat was wat de bibliotheek als onderwerp van mijn lezing naar buiten gebracht had) verder uitwerken,
tot ik belandde bij de manier waarop mijn boek tot stand kwam. Weer voelde ik het contact met het publiek, toen ik een fragment voorlas, dat één van de onderliggende verhaallijnen illustreerde. Mijn hoofdpersoon had zo’n avontuurlijk leven geleid, dat ze helemaal niets van het huishouden wist. Dus toen ze vrij onverwacht een huwelijk met haar jeugdliefde inrolde, moest ze alles nog leren, tot aan koffiezetten toe. Er werd een beetje verwachtingsvol gegniffeld toen ze zes schepjes in het apparaat deed, om zes kleine kopjes te zetten. En er werd gegrinnikt toen ze vertwijfeld vroeg: “Waarom maken ze die schepjes dan zo groot?” (Dat heb ik me ook altijd afgevraagd, zelfs mijn man en ik, die hele sterke koffie drinken, krijgen het niet weg met 1 schep per kopje).
En ook het tweede fragment, waarin we kennismaken met de rare gedachtenkronkels van de moeder van de overleden vrouw van de mannelijke hoofdpersoon, riep reacties op. Toen deze mevrouw de nieuwe moeder van haar kleinkinderen een volledig uitgewerkt huishoudschema in haar handen drukte, met de mededeling dat ze iedere dag zou komen controleren, hoorde ik verontwaardige geluiden uit het publiek komen.
Dat is zo leuk! Als je zelf je teksten al een keer of tien hebt doorgewerkt op zoek naar spel- en stijlfouten, en vervolgens die fragmenten een keer of acht hardop hebt voorgelezen (om te oefenen voor de lezing), dan worden het losse woorden, in plaats van een verhaal. Tenminste, dat gevoel had ik een beetje. De emotie en de spanning verdwenen en het werd een technisch geheel. Dat is jammer. Maar misschien hoort het ook wel bij het proces. Het wordt tijd om het los te laten. Dit boek is nu van het publiek en niet meer van mij.
Dit is het einde van het begin.

Fifteen minutes…

Geplaatst op 12/03/2009 door Geertrude Verweij

Wat doet een normaal mens als zij zenuwachtig is voor haar allereerste lezing? Geen idee. Ik heb dan ook nooit beweerd dat ik een normaal mens ben. Mij kon je die dag in de keuken vinden, waar ik brownies, een cake en een boterkoek gebakken heb. En een grote puinhoop in de keuken maakte, die ik natuurlijk ook weer braaf heb opgeruimd. Toen was de dag voor meer dan de helft om en dat was nou net de bedoeling.
Natuurlijk heb ik ook nog mijn lezing een keer helemaal hardop doorgewerkt. Maar toen was ik het zelf al zo zat, dat ik even geneigd was het hele ding te deleten en opnieuw te beginnen. Toch maar niet gedaan, want dat had ik nooit meer gered.
Om kwart over zeven liep ik, met gezin, aarzelend de bibliotheek binnen. Er stonden al rijen stoelen klaar en het duurde even voor het tot me doordrong dat die straks vol zouden zitten met mensen die kwamen om naar mij te luisteren. Ik haalde nog maar eens een paar keer diep adem en besloot het maar gewoon over me heen te laten komen. Tenslotte had ik hier zelf voor gekozen. Ik wilde dit in ieder geval één keer meegemaakt hebben. Was het niets, of kon ik het echt niet, dan zou ik het nooit meer doen. Maar er zijn zoveel schrijvers die regelmatig lezingen geven, dat ik toch het idee had, dat het er een beetje bij hoorde.
Ik had mijn grote voorbeeld, Maria Oomkens, er van te voren nog even bijgehaald. In haar boek “Klein beginnen” vertelt ze over haar lezingen en alles wat daar bij komt kijken. Ergens aan het begin schrijft ze: “Als je van nature een zenuwachtig type bent, moet je niet aan dit soort dingen beginnen.” Ja, dat was nou net niet wat ik nodig had…
Hoewel, ben ik wel een zenuwachtig type? Valt eigenlijk wel mee. Want anders kun je natuurlijk niet zoveel jaren voor een krant werken. Ik moet altijd heel even acclimatiseren, maar dan red ik me over het algemeen prima.
Nee, bij nader inzien sloeg dat niet op mij. Hoopte ik. Alle twijfels die ik de weken ervoor gehad had, spookten dat eerste kwartier door mijn hoofd. Maar ja, ik kon echt niet meer terug…
Toen eenmaal de eerste gasten kwamen binnendruppelen, ontspande ik. Het was een raar gevoel om al die mensen te begroeten en met hen te praten. Iedereen was vol verwachting. En ook vol begrip voor mijn eventuele zenuwen. Dat was wel fijn.
De dames van de boekhandel kwamen ook binnen en voor het eerst zag ik stapels van mijn eigen boek liggen. Ook weer zo’n onwerkelijk gevoel.
Na een gezellig halfuurtje was het tijd om te beginnen. Ik kreeg het nu toch wel heel benauwd, maar luisterde zo rustig mogelijk naar de inleiding van Hettie Kolijn (de manager van de bibliotheek). En toen was het mijn beurt. Natuurlijk stond de microfoon niet goed, dus moet ik na een paar zinnen stoppen om hem hoger te zetten. Dat hielp ook niet erg tegen de zenuwen en dat zei ik dus ook. Er werd gelachen en ineens voelde ik dat contact met de zaal waar ik over gehoord had. Na een klein stukje lezen, merkte ik dat ik te snel ging. Ik nam een slokje water en schakelde een versnelling lager. En vanaf dat moment ging het eigenlijk gewoon lekker. Het is bijna niet uit te leggen hoe het voelt als mensen lachen om iets dat je zelf erg grappig vind. Schrijven is een eenzaam vak, je ziet en hoort maar heel weinig reactie op wat je doet. Als er dan zo’n hele groep mensen reageert zoals je hoopt dat er gereageerd zal worden… geweldig is dat!
Voor ik het wist was ik er doorheen. Ik overhandigde de bibliotheek zes exemplaren van mijn boek (voor elke vestiging één) en toen mocht ik nog een lootje trekken uit een hoge hoed. De mensen hadden bij binnenkomst een briefje gehad, met de voorkant van mijn boek en een nummer erop en één van hen won mijn boek. Laat dat nu net een collega van de krant en een neerlandicus zijn! Hij beloofde me een recensie en ik weet eigenlijk niet of ik daar blij mee moet zijn. Toen we aankwamen bij de bibliotheek zagen we grote portretten hangen van Midas Dekkers en Tim Krabbé en ik had al tegen mijn man gezegd dat ik met die jongens natuurlijk niet kon concurreren. Waarop hij antwoordde dat dat ook niet hoefde. En dat is ook zo.
Mijn uitgever hield nog een praatje en vertelde me dat ik een fout gemaakt had. Ik had namelijk beweerd dat er geen dieren in mijn boek voorkwamen, wat wel jammer was vanwege het thema van de boekenweek, die ik geacht werd te openen. Hij zei dat er wel degelijk een dier in mijn eerste manuscript voorkwam. Hij had dat manuscript namelijk zitten lezen tijdens zijn vakantie in Griekenland en toen de mug, die irritant om zijn hoofd zoemde op de bladzijden ging zitten, had hij het snel dichtgeslagen. En zo zat er in dat manuscript wel degelijk een dier… Van hem kreeg ik behalve een bos bloemen ook een vergrote en ingelijste afdruk van de omslag van mijn boek. Heel leuk om te hebben!
Ja, en toen was het spannendste gedeelte van de avond voorbij en was het tijd om boeken te signeren. Dat valt niet mee als je handen nog natrillen, maar het lukte. Ik heb er heel veel getekend, want mijn voormalige bazen waren er en zij besloten ter plekke om mijn boek weg te geven aan al mijn ex-collega’s! En of ik dan dus ook maar even vijfentwintig keer mijn handtekening wilde zetten. Dat kostte even tijd, maar leuk vond ik het wel.
Ook de meeste andere aanwezigen kochten mijn boek. Alweer zo’n rare gewaarwording, als je ziet dat mensen geld uitgeven om jouw hersenkronkels te lezen!  Er werd nog wat nageborreld en langzaam vertrokken alle aanwezigen weer. We sjouwden drie bossen bloemen, een schattig vaasje en een grote plantenbak naar de auto en ik had de dochters dringend nodig als pakezel, want ik moest ook die ingelijste omslag en een doos met boeken meenemen. Van de afleid-koek was weinig over, dat scheelde dan weer.
En dat was het eind van mijn “fifteen minutes (nou ja, iets meer) of fame”.
Nu is het  afwachten wat mensen ervan vinden. Dat is enorm spannend. Maar daar ga ik lekker niet aan denken. Ik ga eerst maar eens heerlijk ontspannen, een uitgebreide voorjaarsschoonmaak houden en dan… op naar het volgende boek!

Foto's boekpresentatie

Geplaatst op 12/03/2009 door Geertrude Verweij

Bulldozer

Geplaatst op 10/03/2009 door Geertrude Verweij

De dochters lachen me uit. Want het is natuurlijk heel grappig als je moeder precies datgene doet, waar ze jou altijd voor op de kop geeft.
Ik bulldozer. Ja, dat is een werkwoord. Wie dat niet kent, heeft vast geen pubers meer. Bulldozeren betekent werk voor je uitschuiven. En dat is niet slim, want dan moet je vlak voor de toetsweek ineens nog heel veel oefeningen maken. Of de dag voor de inleverdatum toch nog best veel aan je werkstuk doen. Of na een week vakantie de hele zondag wiskundesommen doen. U snapt het, bulldozeren dus.
Ik weet al een week of zes dat ik een lezing over mijn boek moet houden. Dat was ruim op tijd. En ik heb er ook echt wel over nagedacht, hoor.  Ik heb ook een hele tijd gedacht dat ik niets wilde voorbereiden. Ja, dat was een goede smoes, niet waar? Ik dacht, ik doe het gewoon spontaan en ik zie wel waar het schip strandt. Maar na wat ervaringen met microfoons en camera’s, waar ik elke keer spontaan en totaal dichtklapte, begon ik te beseffen dat er een grote kans was dat het schip al zou stranden voor het de haven uit was. Toch maar wat op papier zetten dan?
En toen bleek dat helemaal niet zo gemakkelijk te gaan als ik verwacht had. Ik heb ergens op internet gevonden dat een mens gemiddeld 140 woorden per minuut spreekt, dus voor 30 minuten moet ik er 4200 hebben. Nou schud ik dat meestal gewoon uit mijn mouw. Ik verzin een onderwerp en klets een paar A4-tjes vol. Het is veel lastiger om me te beperken tot weinig woorden.
Maar toen ik mijn eerste versie door las, zag ik dat schrijven en praten toch twee verschillende dingen zijn. Want ik schrijf met veel bijzinnen en kronkels en zet ook wel eens opmerkingen tussen haakjes. Geen probleem op papier, maar als je het opleest, klinkt het belachelijk en saai. Dus moest ik helemaal overnieuw beginnen. En toen nog een keer. En nu heb ik wel wat op papier staan, maar dat moet ik nog wel hardop oefenen.  Ook zoiets geks, tegen jezelf zitten praten. Maar het moet, want dan heb ik nog tijd om dingen te veranderen, die toch niet goed klinken.
Ik ga het dus straks doen. Eerst wil ik nog brownies bakken en vierkantjes haken en mijn nieuwe dvd kijken en boodschappen doen en …
Weet iemand waar ik mijn bulldozer kan parkeren?

Gastblog op Trouw Schrijf! – En dan wil je natuurlijk ook nog gelezen worden

Geplaatst op 06/03/2009 door Geertrude Verweij

Toen bij mij de eerste feestvreugde over de aankondiging dat mijn boek zou worden uitgegeven was gezakt, begon ik langzaam te beseffen dat dit nog maar het begin was.
Dat je verhaal gedrukt wordt is één ding, maar het zou ook leuk zijn als het gelezen wordt. Omdat ik bij een reguliere uitgever zit, ben ik niet verplicht om aan promotie te doen. Er zijn PODuitgevers waar je tientallen emailadressen in moet leveren of zelf bij de boekhandels moet gaan leuren. Dat wordt voor mij allemaal geregeld. Ik had ervoor kunnen kiezen om gewoon verder te leven en af te wachten. Het zou vanzelf wel bij boekhandels en bibliotheken terecht komen.
Ik ging me echter via fora en hyves een beetje verdiepen in het schrijversgebeuren en zag dat de meeste mensen toch wat voortvarender te werk gaan. Om gelezen te worden is het ook handig als mensen je naam herkennen. Gedeeltelijk had ik op dat gebied al wat openingen. Want ik was al vrij actief in het reageren (onder mijn echte naam) op de site van een groot damesblad. En ik schrijf natuurlijk ook onder mijn eigen naam in het streekkrantje.
Toch besloot ik er iets meer aan te doen. Ik zette mijn internetsite onder een eigen en dus herkenbare domeinnaam (www.geertrude.nl), verhuisde mijn weblog naar een even herkenbare naam (geertrude.blogspot.com) en werd lid van hyves.
Dat was toch wel even anders dan het anonieme bloggen dat ik al (met onderbrekingen) sinds 2001 deed. Ik besefte ineens dat het zomaar zou kunnen dat mijn site door honderden onbekenden gelezen zou worden. Gelukkig had ik al eerder (door schade en schande) geleerd niet te veel echt persoonlijke dingen op internet te zetten. Ik vertel wel veel over mijn priveleven en ik denk dat mensen ook het gevoel hebben dat ze me echt kennen. Maar ik zal het nooit (meer) heel uitgebreid gaan vertellen als ik even een dipje heb. Dan ga ik juist op zoek naar een gezelliger onderwerp om over te schrijven, of een leuk onderwerp voor de doordeweekse foto.
Op het schrijversforum las ik ook over het houden van een boekpresentatie. Hoewel je dat meer moet beschouwen als een gezellige bijeenkomst met vrienden en familie om het uitkomen van je boek te vieren, vestigt het wel weer even de aandacht op de schrijver en zijn boek.
Dus trok ik de stoute schoenen aan en ging met mijn bladzijde uit de fondslijst naar de bibliotheek. In ons dorp worden alle schrijversbezoeken geregeld door de bibliotheek, in samenwerking met de plaatselijke boekhandel. Bovendien kende ik de mensen in de bibliotheek goed, omdat ik daar heel regelmatig kom om boeken te lenen.
Na wat geschuif met datums vroegen ze me of ik het uitkomen van mijn boek nog iets langer kon uitstellen. Ze wilden me namelijk wel graag hebben als activiteit om de boekenweek te openen. Dat vond ik natuurlijk een hele eer! Ik moest dan wel een lezing houden, zodat het ook voor buitenstaanders interessant zou zijn. Oh… ach, dat kan ik wel. Dacht ik toen opgewekt, want het duurde immers nog twee maanden voor het zover zou zijn.
Terwijl ik het besef dat ik een half uur voor publiek zou moeten praten voor me uit schoof, regelde ik de dingen die nodig waren. De bibliotheek maakte een persbericht en ik stuurde uitnodigingen naar al mijn familie, vrienden en kennissen. Ik vroeg mijn redactie of ze er aandacht aan wilden besteden en
die stemden grif toe. De persberichten werden uitgebreid geplaatst en er kwam een interview van een halve pagina.
Dat laatste was heel raar. Ik doe zelf regelmatig interviews, maar dan draait het gesprek altijd om de andere persoon. Dat is gemakkelijk. Ik laat hen praten en klets als het nodig is gezellig mee, om het gesprek op gang te houden. Meestal is het erg gezellig. Maar nu zat ik dus aan de andere kant van het schrijfblok. Dat was wel even wennen. Ik was na afloop ontzettend bang dat ik er heel domme dingen had uitgeflapt, maar het eindresultaat viel honderd procent mee en het roept toch een hoop reacties op bij mensen die ineens de link leggen tussen mijn naam onder de stukjes en het interview.
Nu die lezing nog. Aanstaande woensdag. Wat ik wil zeggen begint eindelijk een beetje vorm te krijgen in mijn hoofd. Maar er staat nog geen zinnig woord op papier. Ik moet dus dringend aan het werk. Werk, ja. Zo voelt het nu wel een beetje. Gezellig rommelen met woorden tot er een verhaal uitrolt is ineens niet zo vanzelfsprekend meer. Men noemt mij nu schrijfster en ik plak daar vooral zelf verhoogde verwachtingen aan vast. Ik heb geen idee hoe ik daar in de toekomst mee om zal gaan eigenlijk. Maar daar ga ik nog even niet over nadenken.
Eerst die lezing…

Hok van het slot

Geplaatst op 05/03/2009 door Geertrude Verweij

Vier maart: Boekpresentatie Wieke Biesheuvel. Het stond al een paar weken in mijn agenda en ik had er echt zin in. Zomaar persoonlijk uitgenodigd worden door iemand die zeer hoog op mijn lijstje Grote Schrijf Voorbeelden staat, was echt een geweldige verrassing.

De dag begon chaotisch. Dus eigenlijk volkomen normaal. Het was alleen jammer dat ik van te voren bedacht had dat ik van iedere minuut wilde gaan genieten. Zo vaak ga ik niet in mijn eentje een hele dag op stap. Ik wilde dus heel rustig de dag beginnen, zonder stress. Dat lukte totdat echtgenoot ontdekte dat hij een dubbele afspraak had gemaakt en eigenlijk een kwartier geleden al weg had moeten gaan. Terwijl hij heen en weer rende voor zijn laptop, telefoon en aanverwanten, liet een dochter een glas kapot vallen.
Ik zag niet hoe het gebeurde, maar een van de andere dochters zei later: “Tja, ik zou dat glas ook hebben laten vallen als ik mijn bord met dat glas erop op één hand liet balanceren en ondertussen de kat ging aaien.”
Ja, ik ook. Het was een goedkoop glas, dus erg was het niet. Alleen hebben goedkope glazen de neiging heel erg te splinteren. Dus moest de stofzuiger er aan te pas komen.
Toen ik meteen de hele huiskamer en de keuken maar even (met de franse slag) gezogen had, was ik niet geheel kalm meer. En ik had ook nog een glassplinter in mijn duim. Dus besloot ik maar weg te gaan voor er nog meer gebeurde.

Omdat ik zelden meer met de trein reis, wist ik niet zeker hoe lang ik erover zou doen om een kaartje te kopen en het juiste perron te vinden. Ik was ook nog nooit op station Nieuwerkerk geweest. Anders had ik wel geweten dat daar maar twee perrons zijn en keurige automaten die ook pinpassen aanneemt (en niet zoals mijn dochters beweerden alleen muntgeld).
Ik was dus zo vroeg dat ik een trein eerder kon nemen dan de trein die eigenlijk ook al een trein eerder was. Of om het duidelijker te zeggen: ik was om tien uur al in Amsterdam, terwijl ik daar om elf uur afgesproken had met een paar dames die ik ken van de Libellewebsite en Hyves.
“Mama heeft een forummeet” lachten de dochters, die dat soort ontmoetingen vaak hebben. Maar als je moeder zoiets doet is het ineens gek.
Ik liep dus om tien uur in het Centraal Station en besloot eerst maar een broodje te kopen. Want ik had wel een bakje yoghurt op, maar ik kreeg al weer trek. En ik wilde de dag niet bederven door lage bloedsuikerklachten. Ik kocht een broodje oude kaas en kreeg daar gratis een klodder mosterd bij. Niet lekker. Maar het vulde wel.

Daarna wandelde ik op mijn gemak in de richting van het hotel waar we elkaar zouden ontmoeten. Toen ik mijn telefoon pakte om te kijken hoe laat het was, zag ik dat Hermien me al gesmst had. Ik had wel zo’n piepje gehoord in de trein en ik dacht nog: “Wat gek, die man tegenover me kijkt niet eens wat voor berichtje hij krijgt.”. Maar het was dus niet tot me doorgedrongen dat het mijn eigen piepje was geweest.
Ik smste terug dat ik er al was en kreeg bericht dat zij ook bijna aankwam. Daarom besloot ik alvast in de serre van het hotel te gaan zitten. Ik vertelde de man bij de ingang dat ik had afgesproken met vier andere dames en dat ik dus graag een grote tafel wilde inpikken. Dat was geen probleem. Ik bestelde alvast een kopje thee en wachtte daarna op het binnendruppelen van de andere dames. Wat de beste man gedacht heeft, weet ik niet, maar hij vroeg keurig aan iedere nieuwe binnenkomer wat ze wilde drinken en serveerde dat even keurig. En ondertussen werd het gekakel steeds erger, Want vijf dames die elkaar half kennen, die kunnen er wat van. Natuurlijk hadden we het over Libelle, en verder over lijnen, schrijven en nog veel meer. Meer dan genoeg gespreksstof.

Na een uurtje besloten we maar eens op te stappen. Op aanraden van Wieke wilden we de Negen Straatjes in de Jordaan bekijken. Hermien had een kaartje uitgeprint en we besloten heel doelgericht de grachten over te steken en dan was “daar ergens de Jordaan en dus ook die straatjes”.
Al kletsend liepen we in een straf tempo (of mijn conditie is gewoon slechter dan die van de rest, wat mij het schaamrood op de kaken brengt, want ik was veruit de jongste en ik hield het slechter vol dan Monica die een knieblessure heeft) over de grachten. Hier en daar wierpen we een blik in een grappige etalage. Doreth zag een ontzettend leuke tas (we hebben expres niet naar de prijs gekeken) en ik constateerde tot mijn spijt dat men wist wat die leuke pastelkleurige kopjes uit de jaren zestig waard waren. Dus kocht ik ze niet, want mijn budget is alleen berekend op gelukkige vondsten.

We babbelden en wandelden en babbelden en wandelden en vonden de Jordaan eigenlijk wel tegenvallen. We zagen geen leuke winkeltjes meer en de geveltjes waren ineens ook minder leuk. We tuurden op het kaartje, maar daar werden we niet wijzer van. Uiteindelijk hield ik een mevrouw met twee zoontjes aan en vroeg of zij wist waar de toeristische straatjes waren. En een eetgelegenheid, want inmiddels waren we allemaal toe aan een lunch. De mevrouw wist het gelukkig. We waren de Jordaan inmiddels bijna helemaal door.
Het oudste jongetje wees naar de overkant van de gracht waar we op uitkeken.
“Daar is het geen Jordaan meer, hier nog wel.”
Gelukkig hoefden we alleen maar rechtsaf en dan de tweede brug links en daar zou het weer echt Jordaan worden. En warempel: na de tweede brug links zagen we ineens weer winkels en uithangborden. En, vooral tot grote vreugde van Doreth, een restaurantje waar we konden lunchen. Ondanks ons gesprek over Sonja en het kies-bewust-label, kozen drie van de vijf dames voor een BLTC-sandwich. Dat is dus bacon, sla, tomaat en kip. Als er bacon op zit, ben ik verkocht. Daarvoor kies ik dan weer bewust. Al had ik daar later op de dag ineens een heel ander gevoel bij. Want je wil er natuurlijk niet opgewezen worden, waar die bacon vandaan komt. Zo jammer dat dat spul niet gewoon aan een boom groeit!

Het smaakte in ieder geval heerlijk. De ham van de andere dames was ook lekker en natuurlijk werd er gezellig gekletst. Er waren geen andere gasten, dus dat kon vrijuit. Al zal het personeel zich wel stiekem afgevraagd hebben wat het verband tussen ons vijven waren. We hadden het over kinderen met het Down-syndroom, over Shanghai, over kinderboeken en romans, over cabaretiers en kinderen en over van alles. Ik probeerde een paar foto’s te maken, maar dat lukte niet erg. En voor ik bedacht had even iemand te vragen om een groepsfoto te maken, stonden we al weer op straat. Ik heb wel één leuke foto van Hermien en Doreth. Kletsend natuurlijk.
We vertrouwden deze keer maar niet op het kaartje en vroegen aan de serveerster waar we de tram naar Artis konden vinden. Dan moesten we naar het Damrak. Ongeveer de zelfde weg terug als we gekomen waren. Toen we weer langs de leuke tas en de dure kopjes liepen, viel ons ineens het straatnaambordje op. Onder de straatnaam (waar ik nu even niet op kan komen) stond: de negen straatjes. We waren dus al kletsend vrolijk de negen straatjes doorgewandeld! Geen wonder dat we ze, toen we er naar op zoek gingen, niet meer konden vinden!

Het tramstation was gemakkelijker te vinden, gelukkig. Toen lijn 9 stopte, vroeg Olga aan de chauffeur of hij naar Artis ging.
“Nee,” antwoordde deze grapjas, “ik moet werken.”
Maar hij kwam er wel langs, zei hij, dus stapten we in. Ook in de tram vielen we op door ons onafgebroken gebabbel. Mensen wierpen ons en elkaar van die verbaasde en lichtelijk geamuseerde blikken toe. Een aardige meneer waarschuwde ons gelukkig dat we bij de halte van Artis waren, want anders waren we al kletsend rustig heel Amsterdam doorgetramd.
Wij vroegen deze aardige meneer ook nog even waar Artis dan precies was en hij was zelfs zo aardig om niet hard te lachen toen hij naar het enorme bord “Welkom in Artis” wees. Oh. Daar dus.
Bij de kassa kregen we te horen dat we in een ander gebouw moesten zijn en bij het andere gebouw waren we een half uur te vroeg. Dus doken we voor de verandering maar een cafeetje in. Waar we koffie en thee bestelden en nog steeds niet zonder gespreksstof zaten.
Even na vieren mochten we de zaal in, waar ik Wieke voor het eerst in levende lijve ontmoette. Dat was ontzettend leuk en helemaal niet zo eng als ik dacht, want ze is in het echt net zo leuk als in haar columns en boeken. We hadden allemaal een cadeautje meegebracht, dus het arme mens moest niet alleen vijf babbelende dames begroeten, maar ook nog eens proberen om vijf pakjes aan te pakken. Op dat moment bedacht ik dat ik geen kaartje of briefje bij mijn cadeautje gedaan had. Heel bijdehand. Het anonieme cadeautje was dus van mij, Wieke…

Omdat Wieke natuurlijk meer gasten had, gingen we op zoek naar andere bekende gezichten. En raakten aan de praat met Merel, die mij kent van mijn vrij schaarse reacties op haar Gesprek van de Dag, terwijl ik haar al jaren ken van haar weblog. Dat blijft een heel rare gewaarwording, maar gezellig was het wel. Ondertussen maakten we ook kennis met Els die ik stiekem ook al jaren ken via haar weblog, maar bij beide dames ben ik een zogenaamde lurker. Ik reageer dus eigenlijk nooit. Dat voelde nu ineens een beetje fout…
Ebru heb ik ook begroet, maar bij haar ging geen lampje branden bij mijn naam. Misschien had ik vorige week toch even moeten vertellen hoe vaak ik mijn beha’s in de was gooi. Maar ik vond dat een beetje een genant onderwerp. Ik maakte ook eindelijk kennis met Xandra en met haar was het groepje Libelle-gesprek-dames compleet. Hermien sloeg aan het filmen en ik sloeg dicht toen ik spontaan iets moest zeggen (sorry Rebecca en Luz!). Toen werd er geroepen dat we een plekje moesten gaan zoeken. In het gangpad liep ik bijna tegen Tineke Beishuizen op. Ik had de neiging om spontaan te zeggen: “Hallo Tineke, wat leuk om je te zien!”, maar bedacht ineens dat zij mij natuurlijk helemaal niet kende, dus klapte ik snel mijn mond weer dicht. Toen ik dat later tegen haar zei, moest ze lachen. Het overkomt haar regelmatig en ze vind het niet erg.
“Het hoort erbij”, zei ze nuchter.

De presentatie begon en ik nam me voor de kunst goed af te kijken. Want volgende week moet ik. Alleen was Wiekes toespraak geen lezing en dus vrij kort. Ik kan echter wel een voorbeeld nemen aan Dennis Kennedy. Eigenijk zou Dafne Westerhof komen. Zij is de eigenaresse van Het Beloofde Varkensland, waaraan Wieke in haar boek een lang hoofdstuk gewijd heeft. Maar vanwege een ziek kalfje, kon ze niet mee. Ik las daarnet op haar website dat Obama (zo heette het zwarte bizonkalfje) helaas overleden is.
Dennis kon echter prima de boodschap overbrengen. Zo prima zelfs, dat zijn toespraak iets langer uitviel dan gepland. Toen hij klaar was, stond hij gespreksleidster Ciska Dresselhuys toe om de geplande discussie met het panel te beginnen. Naast Dennis en Wieke zaten Marjo Hoedemaker, hoofd dierenverzorging van dierenpark Amersfoort en een meneer van het ministerie van Landbouw (maar zijn naam staat niet op de uitnodiging en ik was er niet als verslaggeefster, dus ik heb het niet opgeschreven) in het panel.
Het gesprek ging onder andere over dierenactivisme en hoe ver je gaat met het medisch behandelen van een dier. Ik zat vrij vooraan en moest erge moeite doen om me niet in het gesprek te mengen. Tenminste, zo voelde het, maar ik denk dat ik een spontane blackout gekregen zou hebben als ik ineens mee had mogen praten. Er is iets met een microfoon en een cameralens dat me volledig blokkeert. Daar zal ik toch doorheen moeten, volgende week.
Zonder lens en microfoon gaat het echter prima en dus vermaakte ik me daarna weer best. We kletsten, dronken en snackten. En we kletsten. Nog steeds honderduit.

Het borrelen werd onderbroken door de zoons van Wieke, die een geweldig lied hadden geschreven. Ze beweerden dat hun zus de rol van Wieke had moeten spelen, maar dat betwijfel ik. Wieke moest namelijk steeds het verkeerde antwoord op de vraag wel dier er met een bepaalde letter begon geven en kreeg dan te horen : “Wat dom, wat dom, wat dom.”
Wieke stond daar half geamuseerd, half geërgerd haar tekst op te lezen en die jongens maar lachen. Echt ontzettend leuk om te zien.
Ik voelde ineens de fotograaf in mij opborrelen en schoot als een echte paparazzi wat malle foto’s met een telelens, die ik daarna gegeneerd snel weer opborg. Dat waren meteen de laatste foto’s die ik die dag maakte, maar gelukkig werden er wel met een andere camera nog groepsfoto’s gemaakt. Ik moet toch kunnen bewijzen dat ik echt, heus, aanwezig was bij de boekpresentatie, toch?
Ik had braaf geld opgenomen om Wiekes boek te kopen, maar we kregen er allemaal eentje gratis (eh, sorry mensen, dat kan ik dus niet doen bij mijn eigen presentatie – ze zijn die avond wel te koop).
Wieke schreef er bij mij in: “En nu jij!”. Ik denk dat ik dat boek als mascotte mee ga nemen.
We bleven plakken tot we het echt niet meer konden maken om nog langer te blijven en bleven toen buiten nog een kwartier praten met Alex Verburg. Doreth had me al op hem gewezen en zowel zijn naam als zijn gezicht kwamen me bekend voor. Ik wist alleen niet meer waarvan. Het bleek dat hij tegelijk met Scheherazade voor Libelle werkte en zij heeft zijn naam een aantal keer in haar boeken genoemd.
We hadden het over schrijven en hij deed een uitspraak die ik wil onthouden. “Je bent pas echt tevreden met je boek als je denkt dat je het, als je het niet zelf geschreven had, zelf geschreven had willen hebben.”
Wijze woorden!

We stapten op lijn negen, terug naar het station. De conductrice moest erg om ons lachen en ik kreeg af en toe een knipoog van haar. Wat er precies gezegd werd weet ik niet meer, want ik was erg moe en duizelig. Maar het was nog steeds gezellig.
In het station besloot ik toch maar mee te eten. Ik had eigenlijk de trein van 20.25 willen hebben, maar dat half uurtje extra moest dan maar kunnen. De rest ging ook rond negen uur naar huis.
In de stationsrestauratie vroegen we of we snel eten konden krijgen. Dat was geen probleem, want het was niet erg druk. De ober had ook ruim de tijd voor ons. Hij vroeg wat we gedaan hadden. Winkelen was een voor de hand liggende gok, maar we hadden geen van allen grote tassen bij ons, dus eigenlijk wist hij wel dat het dat niet was. We vertelden dus dat we naar een boekpresentatie geweest waren. En dat we allemaal op de een of andere manier met schrijven bezig zijn.
Hij werd helemaal enthousiast. Hij was ook een schrijver. Maar dan niet met een pen.
“Met de computer?” opperde ik intelligent. Nee, hij sprak gewoon in een “dingetje. Kijk zo!” en hij demonstreerde het met zijn hand dicht bij zijn mond. In de taal die hij op dat moment in zijn hoofd had. Veel talen had hij. En als het klaar was, zou hij iemand zoeken om het op te schrijven en hop! Bestseller!
Oh, had ik maar een tikje van dat soort zelfvertrouwen!
Hoewel hij als ober wel wat bij te leren had. Want omdat Doreth spa rood bestelde, kregen Hermien en Monica rode wijn. Maar die hadden witte wijn besteld.
“Wijn, rood.” beweerde hij.
“Nee, witte wijn en spa rood!” corrigeerden wij. En we waren blij dat er geen blauwe wijn bestaat, want anders had mijn spa blauw voor nog meer problemen gezorgd.
De ober maakte gezellig een paar foto’s van ons en veranderde van een potentiele bestsellerschrijver ineens in een hyperactieve modefotograaf. Hij beheerste zich net op tijd (ik vermoed door een strenge blik van zijn baas) maar anders was hij gaan roepen dat we moesten flirten met de camera. Toen het eten gebracht was, wilde hij per se nog een foto maken. En hij zette de menukaart overeind, zodat we de naam van het restaurant goed in beeld hadden. Misschien hoopte hij op die manier zijn blunders van die avond goed te maken met zijn baas. Al met al was het erg gezellig. En als de ober even geen tijd voor ons had, kletsten we nog steeds vrolijk verder.
Ineens was het tien voor negen en moest ik weg om mijn trein te halen. Ik nam snel afscheid en begon vaart te maken om naar het juiste perron te rennen. Ik had in mijn hoofd dat ik naar perron vier moest. Maar gelukkig zag ik op tijd het bord boven perron twee (waar het restaurant zat). Ik hoefde dus helemaal niet te rennen. Ik stond net te overwegen om nog even terug te lopen naar het restaurant, toen de trein kwam. Op tijd. Ja, dat verwacht je niet.

Toen ben ik toch maar gewoon in de trein gaan zitten. Met mijn nieuwe boek. Toen we Gouda voorbij waren, had ik het half uit. Ik heb hardop zitten lachen om de russische dwerghamsters en kreeg tranen in mijn ogen toen ik het verhaal las over het overlijden van Wiekes hond. Veel van die eerste verhalen, die over huis-, tuin- en keukendieren gingen, waren ontzettend herkenbaar, hoewel wij geen hamsterexplosies gehad hebben. En allemaal even vlot en leesbaar geschreven, ik vloog er echt doorheen. Eigenlijk vond ik het jammer dat de treinreis maar een uurtje was. Eenmaal thuis begroette ik echtgenoot, vertelde hoe leuk het was geweest, en toen hij zich weer op zijn computer richtte, ging ik gauw verder met lezen. Het hoofdstuk over het Beloofde Varkensland was boeiend en goed beschreven. Ik heb altijd wat moeite met mensen die anti bio-industrie zijn (niet omdat ik erachter sta, maar omdat ik denk dat er geen goed alternatief is – scharreldieren zijn nog steeds niet echt vrij en vegetarisch eten wil ik ook niet), maar zoals Wieke het verhaal van Dafne neerzet, zou je spontaan ook varkentjes van de slachtdood gaan redden. Het derde deel van het boek gaat over de dieren die Wieke tegengekomen is tijdens haar reizen, en die verhalen zijn weer even hilarisch als het eerste deel. Ik vind deze indeling echt een geweldige vondst!
Het boek is nergens belerend of betogend en toch zit er een duidelijke boodschap in: “Dieren zijn geweldige wezens en verdienen een dierwaardig bestaan.”
En daar ben ik het voor de volle honderd procent mee eens!

Interview

Geplaatst op 03/03/2009 door Geertrude Verweij

Gisteren zat ik ineens aan de andere kant van de krant. Normaal gesproken zit ik met mijn schrijfblok tegenover iemand die iets bijzonders te vertellen heeft. Dat vond ik in het begin eng, maar dat went. Ik zal me vast niet aan de regels houden, want het wordt meestal erg gezellig. Het loopt ook vaak uit. Ik laat mensen fijn vertellen, vraag af en toe iets en soms ben ik heel onprofessioneel en vertel ik zelf ook van alles. Het draait echter om de persoon die ik interview en dat maakt het gemakkelijk.
Gisteren was ik degene om wie het draaide. En dat was helemaal niet gemakkelijk! Want ik kan wel gezellig babbelen, maar antwoord geven op vragen is dan toch weer een stuk lastiger.
Ik schreef al eerder dat ik het lastig vind om te beschrijven waar het boek over gaat. En ik vind het nog lastiger om antwoord te geven op de vraag hoe ik zover gekomen ben. Tja, ik weet het niet. Nou ja, eigenlijk wel. Maar dat is een lang en warrig verhaal. Het schrijven van een boek werd vooraf gegaan door het schrijven van dit soort stukjes. Ik stuurde ze naar Libelle, maar daar hadden ze geen nieuwe columniste nodig. Ik las dat Maria Oomkens ooit begonnen was met het schrijven van korte verhalen. Dus probeerde ik dat ook. Ik stuurde ze naar een aantal bladen, maar kreeg steeds hetzelfde antwoord. Er is geen markt voor korte verhalen, zeker niet van onbekende schrijfsters. En toen dacht ik: “dan schrijf ik gewoon een boek.”
Tja. Zo simpel was dat. Maar dat is nog maar de helft van het verhaal. Ik zei al, warrig en lang.
Ik heb trouwens een lastig talent. Ik kan heel goed op zijn kop lezen. Dus ben ik op een gegeven moment maar naar mijn koffiekopje gaan staren, want ik zat gezellig te mee te lezen met wat de verslaggeefster schreef. Ze had een heel net handschrift, dus dat ging prima. Bij mij kijken mensen ook wel eens mee en dan zeggen ze tactvol: “Je schrijft heel snel, zeg…”
Ze bedoelen onleesbaar. En daar hebben ze gelijk in. Soms moet ik er zelf ook op puzzelen, maar het komt eigenlijk altijd goed. Ik heb nog nooit heel domme dingen geschreven.
En ik ga er maar vanuit dat deze collega dat ook niet doet. Ik hoop alleen dat ik dan ook geen domme dingen heb gezegd!

Duf

Geplaatst op 03/03/2009 door Geertrude Verweij

Ik ben zo ontzettend duf vandaag, het is echt triest. Ik heb wel een tasje genaaid, dus het was niet hopeloos (we vergeten maar even dat ik een naald brak en bijna de punt in mijn oog kreeg), maar verder was het een ramp. Ik gooide vanochtend al mijn bakje yoghurt-met-muesli over het aanrecht en ik heb twee koppen koffie, mijn sleutels, drie bitterballen en de groene container laten vallen. Oh en ik heb ook nog ontwormingspasta naast de kat gespoten. En op zijn kop. Dat vond hij niet leuk. Gelukkig kwam het grootste gedeelte wel in zijn bek terecht, dat scheelt dan weer. Maar dat vond de kat ook niet leuk. Die is de hele avond al kwaad op me.
Ik ga dus vandaag mijn haar niet verven, al was ik dat wel van plan. Normaal gesproken vind ik na afloop altijd wel ergens een vlek, maar ik ben bang dat ik vandaag zou moeten zoeken naar een plekje zonder vlekje. Dan nog maar even doorgaan met die grijze haren die weer opduiken.
Dat vind ik wel jammer, want morgen ga ik een dagje naar Amsterdam. Ik zal daar een paar libelle/hyves-vriendinnetjes ontmoeten, die ik nog nooit eerder gezien heb. Dat had ik dus graag gedaan met glanzende bruine haren, niet met dit hoofd.
Maar ja, het wordt even goed wel leuk. We gaan eerst een paar uur de stad onveilig maken en daarna mogen we de boekpresentatie van Wieke Biesheuvel bijwonen. Het dringt nu pas tot me door dat ik daar voortdurend over opschep (ik ben door haar zelf uitgenodigd), terwijl ik het nog steeds lastig vind om over mijn eigen boek en presentatie te praten. Laat staan dat ik daar over opschep. Ik heb wel heel dapper die uitnodigingen verstuurd, maar iedere keer als iemand zegt dat hij of zij komt, moet het even tot me doordringen dat het toch echt gaat gebeuren.
Maar daar had ik het niet over.
Ik ben dus erg duf en ik moet morgen Amsterdam in. Eerst dacht ik met de auto te gaan, maar de trein kost de helft van wat ik aan parkeergeld kwijt ben. En bovendien mag ik geen druppel drinken als ik daarna ga rijden, want ik heb nog een beginnersrijbewijs. Nu ga ik ook geen druppel drinken als ik me morgen nog zo voel, maar wie weet hoe het gaat na een dagje slapen. En als ik me wel zo voel, kan ik maar beter niet achter het stuur stappen. Het wordt dus de trein en ik weet ongeveer hoe laat ik op het station moet zijn. Dat moet ik dus nog even precies op zoeken.
Ik moet ook nog steeds de telefoonnummers die we elkaar gemaild hebben opschrijven, een cadeautje inpakken en de zoom van de broek die ik eigenlijk aan wil vast zetten. Maar misschien trek ik gewoon een andere aan, want ik weet niet of ik mezelf vertrouw met een strijkijzer (plakvlieseline – die niet goed plakt, want dit is de derde keer dat het loslaat). En ik moet ook nog een artikel over een rozenkweker schrijven. Ik begin bang te worden dat ik anders alles vergeet wat ik met die man besproken heb, want er lijkt wel een soort zeef in mijn hoofd te zitten vandaag.
Maar ik denk eigenlijk dat ik de dochters van de bank stuur, het dikke kussen in mijn rug leg en heerlijk een gezellig boek ga lezen. Misschien mijn eigen boek wel, want als ik een lezing moet houden over dat boek, is het wel handig als ik het kort daarvoor nog gelezen heb.
Wat zegt u? Ben ik niet duf maar doodgewoon gespannen? Hoe komt u daar nou bij? Mijn boekpresentatie is pas over eh… een week!

Gastblog op Trouw Schrijf! – Wanneer is het goed genoeg?

Geplaatst op 27/02/2009 door Geertrude Verweij

Dan heb je dus een enorme vlaag inspiratie achter de rug, je hebt er wat transpiratie aan toegevoegd en alle letters die je getypt hebt, vormen zowaar een afgerond verhaal. En dan?
Er zijn duizenden mensen die tienduizenden manuscripten geschreven hebbben. Wanneer besluit je dat jouw manuscript goed genoeg is?
Dat blijft een lastige vraag. Want wat is goed genoeg? Hoe hoog leg je de lat? Ik zal de eerste zijn die toegeeft dat er nog best gesleuteld had kunnen worden aan mijn manuscript. Maar ik denk ook dat je nooit uitgesleuteld bent. Je blijft dingen zien, die anders zouden kunnen. Ik merk dat met mijn artikelen voor de krant ook. Die schrijf ik vrij vlot, dan laat ik ze even liggen, herlees ze, verander nog wat kleine dingen en stuur ze in. Maar dat betekent niet dat ik er dan van overtuigd ben dat het een briljant stukje is geworden. Af en toe ben ik er erg tevreden over, maar ik zit ook weleens hardop te schelden achter mijn laptop. “Het is echt een stukje van niets! Het lijkt nergens op!” Dan moet ik mezelf even flink beetpakken en een objectieve bril opzetten. Staat alles wat belangrijk is er in? Geen stijlfouten, geen spelfouten? Is het antwoord op deze vragen ja, dan stuur ik het naar de redactie. En ik heb nog nooit een stukje teruggekregen.
Ik schrijf voor een streekkrant, dus ik hoef ook geen hoog wetenschappelijk niveau te halen. Het zijn eenvoudige onderwerpen; de opening van een jeugdhonk of een evenement op een basisschool . De mensen die ik interview zijn dertig jaar koster geweest of ze zijn voorzitter van de plaatselijke tennisvereniging. Dat past bij mijn schrijfstijl. Ik schrijf niet eens over plaatselijke politiek, omdat ik denk dat ik daar niet de juiste insteek voor heb.
Mijn boek was nooit bedoeld als een hoogstaand literair werk. Dat is mijn stijl niet. Ik wilde gewoon een boek schrijven zoals ik ze zelf graag lees. Eenvoudige romans over echte mensen in herkenbare situaties. Niet te ingewikkeld, maar wel met een klein beetje diepgang. En een schrijfstijl die prettig leest, maar niet te kinderachtig is.
Het voldeed dus aan mijn eigen normen. Niet briljant, maar goed genoeg. En dat oordeel werd bevestigd door mijn destijds vijftienjarige dochters. Ze vielen niet binnen de doelgroep, want het is een boek voor volwassenen, maar ik hecht veel waarde aan hun oordeel. Ze lazen overigens wel meer boeken voor volwassenen, voor hun literatuurlijst, maar ook voor de lol. Deze twee boekenwurmen hebben heel verschillende voorkeuren. De één leest het liefst romans en chicklit, de ander houdt van fantasy en thrillers. Hun reacties vielen me honderd procent mee. Ze grinnikten als iets grappig bedoeld was, vonden de gesprekken tussen mijn hoofdpersoon en haar stiefkinderen vertederend en maakten zich boos over de inmenging van de moeder van de overleden vrouw van de mannelijke hoofdpersoon. En allebei vonden ze het een leuk boek. Dat gaf me net het beetje extra zelfvertrouwen dat ik nodig had. Het vinden van een uitgever valt niet altijd mee. Mijn eerste boek, dat ik in 1999 schreef, was een combinatie tussen een thriller en een roman. Ik stuurde het eerst op naar de uitgever van Leni Saris. Het werd afgewezen omdat het “niet commercieel aantrekkelijk” was. Ik vermoedde dat het thrilleraspect dan toch te sterk was en ging op zoek naar een uitgever in dit genre. Het kostte me een paar uur zoeken in de bibliotheek voor ik een aantal thrillers gevonden had die door Nederlanders geschreven waren (het zijn er nu meer, denk ik) en ik stuurde mijn manuscript naar de uitgever van Jacob Vis en Jan Kremer. Hoe dat afliep heb ik al verteld, het werd afgewezen, maar ik kreeg wel een uitgebreide brief met veel aanwijzingen.
Bij deze tweede roman was de keuze minder moeilijk. Ik had toevallig kort daarvoor gezien dat diezelfde uitgever (Ellessy) nu ook liefdesromans uitgaf. Ik had er een paar gelezen en vond dat ik dat niveau wel ongeveer bereikt had. Dus zocht ik de website van de uitgever op en keek hoe hij zijn manuscripten aangeleverd wilde hebben.
(Dat is echt heel belangrijk. Mocht je dat soort informatie niet kunnen vinden, bel dan de uitgever even en vraag hoe ze hun manuscripten het liefst ontvangen. Het voorkomt dat je ergernis werkt door verkeerd aanleveren. Sommige uitgevers (inclusief de mijne) hebben het liefst geprinte manuscripten om de simpele reden dat ze anders enorme kosten moeten maken om alles wat ze toegestuurd krijgen door te lezen. Je hebt dan dus kans dat een worddocument niet eens gelezen wordt. Andere uitgevers hebben een andere manier van werken en ontvangen juist liever digitale manuscripten.)
Ik stuurde dus een geprinte versie en een nette brief met een synopsis. Binnen twee weken lag er een brief in de brievenbus met het verzoek of ik een optie wilde verlenen en na een aantal maanden gespannen wachten kwam het verlossende woord: “We gaan het uitgeven.”
En ja, dat voelt geweldig. Als ik langs de plek rijdt waar ik dat hoorde (ik zat op dat moment in de auto), voel ik het nog steeds!

  • Previous
  • 1
  • …
  • 39
  • 40
  • 41
  • 42
  • 43
  • 44
  • 45
  • …
  • 48
  • Next

Welkom!

Ik ben Geertrude, echtgenote van 1, (schoon)moeder van 5 en oma van 2.
Ik ben boekhouder, redacteur en schrijfster van beroep en hou van lezen, fotograferen, breien, naaien, tuinieren, kruidengeneeskunde en nog veel meer.
Hier schrijf ik over alles wat me bezighoudt en soms ook over mijn pogingen eens wat rustiger aan te doen.
Meer over mij vind je hier.

Archief

© 2026 Geertrude blogt | Aangedreven door Minimalist Blog WordPress thema