Ineens was het nodig. We moesten er even tussen uit. Nou ja, eigenlijk was het niet ineens. Echtgenoot had al eerder de agenda beetgepakt en gekeken of het mogelijk was een weekendje weg te gaan. Maar in de maand november stonden alle zaterdagen al volgeboekt met bezoeken aan open dagen. Dus liet hij het er maar bij.
Maar toen echtgenoot last kreeg van zijn rug, toen ik alleen maar vreselijk moe en chagrijnig was, toen echtgenoots talent om het onmogelijke uit zijn computer te halen zomaar kwijt leek en toen ik alleen maar met tegenzin aan de feestdagen kon denken, was het echt nodig om eens weg te gaan.
Dus klikte ik mijn maagdelijk witte document, waarop ik een gezellig gesprek van de hak op te tak moest zien om te vormen in een degelijk interview dicht en ging op internet zoeken. Dat bleek gemakkelijk te zijn, blijkbaar is “een weekendje weg” iets waar meer mensen naar verlangen. We konden pas zondag weg, dus ik voerde de datum in, bekeek de plaatsnamen en de plaatjes tot ik iets tegenkwam wat me aanstond. Oh, de zegeningen van het internet. Ik klikte op “boeken” en het weekendje was geregeld.
Zondag vertrokken we. We moesten eerst nog naar een verjaardag. Die was me op het moment van boeken eerlijk gezegd heel even ontschoten. Maar het hotel lag op ongeveer drieënhalf uur rijden bij ons vandaan, dus besloten we gewoon vroeg naar de verjaardag te gaan en vroeg weer weg. U denkt misschien aan tien uur koffietijd, en voor de lunch weer weg, maar dat werkt in onze familie iets anders. Op zondag in ieder geval. Verjaardagen en bezoekjes op zondag beginnen “na kerktijd”, ongeveer half twaalf. Dan is er de normale volgorde van koffie met gebak en een drankje met wat lekkers en dan wordt er om een uur of twee, drie, gezamenlijk soep en broodjes gegeten. Wat dan weer gevolgd wordt door koffie, gebak en eventueel hapjes en drankjes voor de laatkomers. Wij gingen dus veel te vroeg weg. Ik had een groot schuldgevoel, maar gelukkig begreep men dat het nodig was. De vorige verjaardag hadden we namelijk ook al vroegtijdig verlaten, maar toen omdat echtgenoot verder moest met zijn werk. Dat begreep men dan weer niet.
In ieder geval, met allerlei goede wensen en met achterlating van onze bloedjes van kinderen gingen we op pad. De bloedjes hadden er wel zin in, er lag pizza en salade en eierkoeken, de vriezer was gevuld en ze konden eindelijk eens zelf beslissen wat er op televisie gekeken werd.
Ik had even tijd nodig om het allemaal los te laten, maar toen we eenmaal de grens over gingen sloeg het vakantiegevoel toe. Ik zag de Duitse plaatsnamen, het landschap veranderde en ik bedacht hoe gemakkelijk het was dat je zomaar de grens over kunt rijden tegenwoordig, zonder controles, zonder geld te wisselen. Een beetje jammer ook wel, want het vakantiegevoel is nog veel sterker als je met vreemd geld moet rommelen. Het eeuwige gereken, er thuis achterkomen dat je toch een beetje scheef zat en tien procent meer uitgegeven hebt dan je dacht (wij waren in 2001 in Italië en rekenden 1000 lire als 1 gulden, terwijl het 1,10 was). Het droeg wel bij aan het vakantiegevoel.
Maria Oomkens schreef ooit een stukje over hoe je soms meer vakantiegevoel (VG) kunt hebben tijdens een weekendje Ardennen, dan tijdens drie weken Gran Canaria. Ik moest daar de hele tijd aan denken.
We stopten voor een kopje koffie en een broodje bij de eerste Raststätte over de grens. Alleen dat woord al staat garant voor een hoog VG. Het klinkt zo rustgevend, zo vakantieachtig. Veel beter dan ons nuchtere “wegrestaurant”. Dat doet me altijd denken aan het mopje over “strand weg, zee weg en toen ik naar huis wou… straat weg”.
We rusten dus wat bij de Raststätte en vervolgden toen onze weg. Om vier uur vonden wij het wat donker worden. “Kijk toch eens, wat een donkere wolken!” zeiden wij. Het regende ook een beetje, maar gelukkig niet hard. Om half vijf schudden wij teleurgesteld onze hoofden. “Het blijft maar zo regenachtig donker, wat jammer toch!” Om kwart over vijf drong het tot ons door dat de zon onder was en dat het gewoon avond werd. Tja. De combinatie van “nog maar net in de wintertijd” en het VG had ervoor gezorgd dat ik er niet bij had stil gestaan dat ook in Duitsland de dagen kort zijn zo half november.
In het donker vervolgden wij dus onze weg. De dorpjes waar we doorheen reden werden kleiner, de stukken onverlichte weg langer. Toen de tomtom aangaf dat we er bijna waren, konden we de omgeving nauwelijks meer onderscheiden. We reden het hotel twee keer voorbij omdat we aan de verkeerde kant van de weg keken, maar uiteindelijk vonden we het.
We werden met open armen ontvangen door de Nederlandse eigenaar, die ons een enorme kamer wees. Met ligbad, dat had ik besteld vanwege die opspelende rug.
We fristen ons een beetje op, namen beneden een drankje en kregen toen een heerlijke maaltijd voorgeschoteld. De vrouw van de eigenaar kwam van de Dominicaanse republiek, dus kregen we Dominicaanse Runderstoofpot. Dat verwacht je niet als je in Duitsland een hotelletje boekt, maar het was heerlijk. En iets onbekends eten is ook altijd goed voor een groot VG.
Na het eten dronken we nog een wijntje en luisterden mee naar het gesprek tussen de hoteleigenaar en een stel Duitse buren die kwamen eten.
Deze mannen wilden de sate wel eens proberen, een typisch Hollands gerecht in hun ogen. Daar hadden wij nog niet eerder over nagedacht. Altijd gedacht dat het chinees of Indonesisch was. De sate die wij als snack eten, met patat, is we van Indonesische oorsprong, maar aangepast aan onze Hollandse smaak. De Duitsers vonden het echter ook goed te eten. Ondertussen vertelden zij ons dat zij in Amsterdam geweest waren. De automatiek vonden zij “sehr cool”, het idee dat je zomaar geld inwerpt en dan meteen een warme snack hebt gaf hen blijkbaar een aardig VG. Het bier vonden ze echter net water en heel duur. Ik vermoed dat ze tijdens een of ander festival evenementenbier gedronken hebben. Liefhebbers van sterk bier waren ze namelijk niet, de een dronk een sneeuwwitje bij het eten en de ander cola-bier.
Al dat Duits gaf ons een heerlijk VG en wij gingen tevreden, na een heet bad naar bed. Dat bed was echt Duits, veel te zacht en met van die “haagse bluf”- kussens. Het lijkt heel wat, maar het is allemaal lucht. Toch sliepen we heerlijk.
We stonden laat op en kregen vers (af)gebakken broodjes bij het ontbijt. Als je normaal gesproken ontbijt met een bakje yoghurt met muesli (ik) of twee bruine boterhammen (hij) geeft zo’n warm broodje een heerlijk VG.
Na het ontbijt stapten we in de auto om de omgeving te verkennen. Dat vinden wij fijn. Gewoon op de gok kleine weggetjes rijden en kijken. De omgeving was een fijne verrassing, mede doordat we in het donker aankwamen. Wij wisten niet dat er op zo’n korte afstand van Nederland zulke serieuze heuvels waren. Heuvels en bergen zijn bij ons essentieel voor het VG. Rode aarde ook en laat de klei in die omgeving nou bruinrood zijn!
We reden leuke weggetjes tot een uur of één en parkeerden toen de auto in Winterberg. Daar schijnt het meestal heel druk te zijn, maar november is een tamelijk dode maand daar. De helft van de restaurants en hotels was dicht. Maar we vonden een gezellig restaurant waar we Bockwurst mit Friten aten. Daarna reden we de andere kant op en volgden weer allerlei kleine weggetjes door leuke dorpjes. Ik werd verliefd op de vele vakwerkhuizen die we zagen en dan vooral op de met die torentjes. We gingen er serieus over denken dat we daar toch wel zouden willen wonen en ik richtte in gedachten dat torentje alvast in als schrijf- en naaikamer voor mezelf. Altijd goed voor een flinke toevoeging aan het VG, zoiets.
Vlakbij het hotel lag de bron van de Ruhr. Je kon daar goed wandelen, maar gelukkig voor ons, met onze zwakke ruggen en slechte conditie, was de bron zelf dicht bij de weg. Je moest er wel een stukje voor lopen. Er stond zelfs een heel nadrukkelijk bord op het parkeerterrein waarop stond: Steige aus und gehe wandern!
Dat deden we en we zagen een piepklein stroompje water. Als je de Ruhr vooral kent als brede rivier in een zwaar vervuild gebied, is zo’n bron een rare gewaarwording. Net zoals alle baby’s schattig zijn bij de geboorte, begint ook zo’n rivier helder en lieflijk. Ik werd er zowaar een tikje beschouwend van. En ja, ook dat hoort bij het VG.
We zorgden deze keer dat we voor donker terug waren. We namen een drankje, praatten wat met de vrouw van de eigenaar, wat niet heel gemakkelijk was. Haar Nederlands is nog niet helemaal soepel en wij spreken geen Spaans. Maar we babbelden wat over haar land en ons land en over het feit dat ik er volgens haar zo helemaal niet Nederlands uit zie. Dat de donkere haren en ogen in mijn familie terug gaan tot de Spaanse tijd was lastig uit te leggen, ik ben bang dat ze nu denkt dat ik een Spaanse oma heb… Maar wat maakt het uit.
We namen weer een heerlijk heet bad. Het bad is het enige wat we missen van ons vorige huis. In dit, verder geweldige, huis hebben we alleen een zeer bescheiden douche. We genoten er dus echt van en ook dit droeg bij aan het VG.
We aten sate, want daar had echtgenoot zo’n trek in na het zien van die Duitsers de dag ervoor en gingen vroeg naar bed.
Thuis krijg ik die man van mij met geen stok voor half twaalf naar boven, maar hier lagen we ruim voor tien uur. En sliepen het klokje rond. Oh ja, we hadden dit weekend dan ook echt nodig…
We ontbeten weer met warme broodjes en toen was het tijd om afscheid te nemen. Omdat wij zeer rusteloze mensen zijn en onze vakanties meestal trektochten zijn, gaf ook dit ons een VG. Op naar de volgende halte. Die was dan thuis, maar we hadden een hele dag de tijd om daar te komen.
We vertelden de tomtom dat we snelwegen wilden vermijden. Het ding was het daar niet echt mee eens, het duurde tien minuten voor hij de route berekend had. Maar toen was het ook een leuke route. We zagen het landschap langzaam weer platter worden en de vakwerkhuizen werden schaarser. We verbaasden ons over de grote hoeveelheid zonnepanelen en hadden een diepzinnig gesprek over de zin en onzin van de energiemaatregelen die onze regering neemt. Daaraan kun je zien dat we uitgerust waren, als echtgenoot de wereld weer wil verbeteren en ik vrolijk meebabbel (en heel af en toe ook nog iets zinnigs te berde breng) gaat het goed met ons. Dat geeft dus een VG van jewelste.
We lunchten onderweg in zo’n uitstervend eethuisje. Piepklein, vier tafeltjes, maar goed eten. Echtgenoot had een schnitzel, die twee centimeter dik was. Het zag er netjes uit. Op alle tafeltjes lag een vrolijk kleedje en op dat kleedje stond bij elk tafeltje een vogelverschrikker met een pompoen, ter vervanging van het standaard vaasje met plastic bloem.
Aan een van de andere tafeltjes zat een oude man. Ik zat met mijn rug naar hem toe en hoorde hem steeds praten. Van dat echte oude mannen gepraat, gemompel en dan weer wat harder en af en toe een hijgend lachje ertussen door. Ik had gezien dat hij alleen zat, dus vroeg ik een beetje angstig aan echtgenoot : “Zit hij tegen jou te praten?”
Echtgenoot grinnikte: “Nee, tegen die pop!”
De eigenaresse van het eethuisje bracht de man zo nu en dan een biertje en zette dan een streepje op het viltje. Blijkbaar was de man dus een bekende en ongevaarlijk. Een beetje zielig vond ik het wel, maar hij leek heel gelukkig met zijn gesprekspartner, die hem in ieder geval niet in de rede viel.
Met uitpuilende magen reden we verder en we besloten nu toch maar de snelweg te nemen. Rechtstreeks naar huis gaan betekende precies op een raar moment thuis komen, vlak voor etenstijd. Met het gevaar dat de verleiding om toch nog even aan het werk te gaan voor echtgenoot wel erg groot was.
We reden dus langs Rotterdam richting Zeeland, waar ons campertje sinds kort logeert in één van de garageboxen van mijn vader. Zolang het campertje onder onze eigen carport stond, had ik hem gebruikt als bergruimte en men had hem meegenomen zonder dat ik de tijd had om hem leeg te ruimen, dus gingen we dat nu nog maar even doen. Het grootste gedeelte van wat erin lag, was namelijk seizoensmateriaal. Ik vond het snoepschaaltje voor Halloween (te laat!) en een sinterklaaszak (op tijd!) en natuurlijk lag ook de kerstboom en alle versiering in dat campertje. Toch wel handig om dat dichter bij huis te hebben in deze tijd van het jaar.
Toen we daarmee klaar waren was het precies etenstijd. We wilden nog even bij mijn ouders langs, maar zes uur is natuurlijk een rare tijd. Zelf hadden we nog niet echt honger, na onze zeer uitgebreide lunch, maar we besloten toch maar wat te gaan eten. We wilden eigenlijk gewoon een patatje of een broodje kroket, maar de snackbar bleek dicht te zijn. De pizzeria was ook dicht. Alleen de chinees was open. Die stond een beetje zielig voor zijn raam te kijken of er nog gasten kwamen. Vooruit dan maar. Dus aten we peking eend en babi pangang. Die natuurlijk geserveerd werden in de standaard ruime chinese hoeveelheden. Het was erg lekker, dus we aten tot we niet meer konden. Mag vast niet van het Voedingscentrum, maar ons gaf al dat heerlijke eten van die twee dagen een geweldig VG.
We dronken nog een kopje koffie bij mijn ouders (een koekje kon er echt niet meer bij!) en reden toen met een auto vol kerstspullen huiswaarts, waar onze dochters blij waren ons te zien, maar het allemaal prima gered hadden zonder ons.
En het feit dat ik meer dan tweeduizend woorden kan typen over een eenvoudig weekendje weg, is wel het beste bewijs dat het voor ons gevoel een echte vakantie was!
Open
Als je kinderen eenmaal op de middelbare school zitten, merk je dat het grote loslaten al aan het beginnen is. Bij de oudste twee kom ik één keer per jaar binnen die muren waar zij dagelijks uren doorbrengen, bij jongste drie keer per jaar. Voorlichtingsavonden en rapport ophalen (dat laatste dus niet op het VWO, maar wel op het VMBO – van mij mag het op beide scholen, ik vind het wel prettig om direct even de mentor te spreken).
Ik verwacht dat ik straks helemaal geen idee meer heb van hoe hun dagelijkse leven eruit ziet. Want hoe vaak bezoek je als ouder de universiteit of hogeschool waar je kinderen studeren?
Maar dat maak je gelukkig goed in het jaar ervoor. Deze maand is open-dagen-maand. En we bezoeken er heel wat. Wisten beide dames vorig jaar nog heel zeker wat ze wilden, dit jaar hebben we er één, die totaal een totaal blanco toekomstbeeld heeft.
Nou ja, niet helemaal. Ze weet in ieder geval voor honderd procent zeker dat ze niet wil wat ze vorig jaar wilde.
Vorig jaar ging ik met dit kind naar Delft. De TU, afdeling lucht- en ruimtevaarttechniek. Ik schepte er graag over op, overigens. Het is heel wat, een dochter te hebben die een dergelijke zware studie gaat doen. Maar na een open dag, een online proefstudie, een dagje meelopen en een project dat door de TU werd georganiseerd was ze het zat.
Huilend kwam na een maand bokken het hoge woord eruit: “Ik wil helemaal geen ingenieur worden!”
Tja. Toen moest er dus opnieuw georiënteerd worden. Ideeën kwamen en gingen, er werden interessetesten gedaan en nagedacht over onhaalbare doelen.
En we maakten een grapje, dat nu de meest serieuze mogelijkheid geworden is. Deze dochter vind het namelijk nogal leuk om mensen op hun fouten te wijzen. Taalfouten, stijlfouten, spelfouten, ze vind ze allemaal en dat zegt ze ook. Geërgerd riep ik: “Jij zou schooljuf moeten worden!”
En dat bleek ze eigenlijk wel leuk te vinden.
Dus gaan we naar een aantal PABO’s in de omgeving. En naar twee universiteiten waar je deze HBO studie met een master onderwijskunde kunt combineren. En als we dan toch bezig zijn, gaan we ook nog naar fysiotherapie en logopedie. Om niet helemaal los te komen van het beta gevoel bekijken we sterrenkunde en wiskunde. Maar ook nederlands, want daarmee kun je tegenwoordig ook heel wat kanten op. U begrijpt… de hele maand zijn we iedere zaterdag en twee vrijdagen onderweg. Van school naar school, van stad naar stad. En overal krijg je proeflessen en voorlichtingsuurtjes.
Het is dus eigenlijk niet zo gek dat mijn hoofd deze week erg vol zit met dingen waar ik niets aan heb.
Afgelopen zaterdag bijvoorbeeld kregen we een zeer boeiend verhaal over wat er allemaal mis kan gaan bij de opvoeding (pedagogie), een zeer saaie voorlichting over op welke manieren bedrijven met elkaar contact kunnen hebben (bedrijfscommunicatie) en een heel overtuigend verhaal over het bestuderen van onze moedertaal (Nederlands).
Ik heb vroeger zelf maar één open dag bezocht. Ik weet het nog precies, HBO-V op de Vijverberg in Ede. Ik wist het al toen ik het eerste klaslokaal bekeek: dit is niets voor mij. Ik was er dan ook eigenlijk omdat ik met een vriendin mee ging, niet omdat ik het zelf wilde doen.
Waarom ik verder nergens geweest ben, weet ik niet. Hadden we geen open dagen of interesseerde het me niet?
Nou ja, in ieder geval haal ik nu de schade ruimschoots in.
Oh ja, die andere dochter die dit jaar examen doet, weet die het wel, vraagt u?
Die weet het nog steeds heel zeker. Heeft zich zelfs al ingeschreven. Maar krijgt het wel spaans benauwd als ik vraag of ze zichzelf in de toekomst als archeoloog ziet. Eigenlijk niet. Dus.
Tja… in februari en maart zijn er weer nieuwe open dagen….
Kleuters
“Ze zijn wel een meter hoger dan toen ze kleuters waren, maar verder is er niets veranderd.” zei ik tegen de fietsenmaker. De dochters stonden te wachten tot ik afgerekend had en zij hun gesmeerde en gerepareerde fietsen weer mee konden nemen, maar dat ging weer eens niet zonder te kibbelen.
Verder zijn ze heel lief en ze worden in hoog tempo volwassen, maar dat gekibbel is om gek van te worden.
Natuurlijk heb ik “boter op mijn hoofd” (vindt u dat ook geen rare uitdrukking? Ik wel), want ik herinner me intense kibbelpartijtjes met broertje en zusje van toen ik zelf die leeftijd had. Blijkbaar hoort dat ook bij volwassen worden.
Het probleem is alleen dat ik er twee van ruim zeventien heb, die dus precies op de grens tussen puber en adolescent zitten. Dubbele emoties, dubbele probleempjes, dubbelen examenstress, dubbel gedoe. En dan heb ik er ook nog een van bijna zestien. Die is dus op het hoogtepunt van haar puberteit. Wat zich vooral uit in boosheid. Ze kan werkelijk overal kwaad om worden. En als ze al de moeite neemt om zich te beheersen (dat moet ik toch wel even vermelden, ze doet haar best), dan heeft ze nog de pech dat ze zo’n elastieken gezicht heeft.
Als ze dat ooit onder controle krijgt, kan ze goud verdienen op het toneel. Nu is het echter alleen maar lastig, want als iets haar niet bevalt, is dat overduidelijk te zien. De wenkbrauwen zakken, de onderlip gaat naar voren en de mondhoeken naar beneden. En meestal doet haar lichaam mee met inzakkende schouders en doorgezakte heupen. Nogmaals, als ze het onder controle krijgt, is het een geweldig talent. Maar nu roept het vooral ergernis op. Bij mij, maar ik heb dus geleerd om het te relativeren, maar in het bijzonder bij haar zussen.
Die worden dan ineens weer volop puber. Of kleuter, want dat verschilt dus alleen in lengte. Echt waar, laat al die boeken over opvoeden maar in de winkel staan. Pubers zijn kleuters met meer lichaam en iets meer levenservaring. Maar verder zijn ze hetzelfde.
Dus zegt er één: “Ja hoor, ze is weer boos!” En reageert onze vrolijke jongste met een kattig: “Ik ben helemaal niet boos.”
En dan wordt er gekibbeld over de vraag of ze boos is en waarom dan wel. Uiteindelijk wordt er dan van alles bij gehaald, van jaren terug soms en totaal ongerelateerd aan de eigenlijke reden van boosheid, die dan inmiddels allang weer vergeten is. Wat dat betreft zijn het dan net weer volwassenen. Maar ja, die gedragen zich op zo’n moment ook als kleuters.
Nu lijkt het net of ze voortdurend kibbelen. Dat valt dan ook wel weer mee. Het is alleen dat ik er zoveel werk aan heb. Want ik heb een hekel aan ruzie en probeer dus altijd zo snel mogelijk al die onderlinge irritaties op te vangen. Wat betekent dat ik eindeloze gesprekken voer met de hoofdpersonen van elk kibbelpartijtje. En die gesprekken gaan dus ook via allerlei omwegen. Want een puber (en dat is dan wel anders dan bij kleuters) heeft de hele wereld op zijn of haar nek. Het heden is zwaar, de toekomst is zwaar en het verleden was ook niet alles.
Voor mij zijn die gesprekken erg vermoeiend. En het helpt ook lang niet altijd. Het helpt nooit eigenlijk.
Dus ga ik een nieuwe regeling invoeren: komen praten over de problemen des pubers mag altijd, maar kibbelpartijtjes worden genegeerd of vriendelijk doch dringend verzocht zich te verplaatsen naar een plek waar ik er geen last van heb.
Ik moet dat alleen wel even duidelijk doorgeven. Want ik heb dit al een keer geprobeerd. Een dochter was vreselijk aan het stressen, met deuren aan het gooien en aan het stampvoeten. En ik negeerde dat volkomen. Ik zat op de bank en breide (gelukkig met dikke naalden, want anders had ik ze waarschijnlijk van emotie verbogen) en reageerde totaal niet. Later gaf deze dochter toe dat ze nog bozer was geworden omdat ik niet op het geraas afkwam. Dat doe ik normaal gesproken dus altijd.
Nee, dat moet veranderen! Wie een probleem heeft komt dat in het vervolg maar rustig vertellen. Andere signalen worden niet meer verwerkt.
Nu nog zorgen dat ik die andere signalen niet meer opvang ook. Maar dat zal niet meevallen. Ik ben ooit gevallen met de brommer, omdat ik van slag was door ruziënde vreemden in de supermarkt. Zo gevoelig ben ik ervoor.
Wat denkt u. Zou zo’n alu-hoedje werken?
Karakter
Onze kat heeft karakter. Van een weblog-vriendinnetje kreeg ik te horen dat haar dierenarts beweert dat zwart-witte katten het leukste karakter hebben. Nu hebben wij ook twee gestreepte katten gehad en een rood-witte, die alledrie ook een heel eigen willetje hadden, dus ik weet niet of ik het daar mee eens ben. Misschien ligt het ook wel aan de manier waarop je zo’n beest behandeld. Bij ons zijn het altijd volwaardige gezinsleden (nou ja, tot op zekere hoogte dan, het blijft een dier) geweest. Daarmee creëer je natuurlijk ook zo’n willetje.
Maar dat onze huidige, zwart-witte kat karakter heeft is in ieder geval een feit. Vanaf het moment dat ik hem een jaar geleden uit het asiel mee nam, heeft hij zijn eigen plaats in dit gezin opgeëist. Eigenlijk beschouwt hij ons als bijkomstigheden. Dit is zijn huis en wij behoren daar te zijn en te doen wat hij wil.
Als wij weg zijn, is het niet goed. Dan gaat hij gillen voor het raam tot we thuiskomen. De dochters mogen overdag weg. Daar is hij aan gewend. Dat vind hij zelfs fijn, want drie maal twee handen die je voortdurend willen aaien en oppakken is best wel veel voor een oude kater. Hij lijkt altijd te herademen als de laatste de deur uit is, maar zit vanaf een uur of drie wel te wachten voor het keukenraam om ze te zien thuiskomen.
De baas mag ook wel weg zijn. Overdag tenminste. Want ‘s avonds hoort de baas er te zijn voor de broodnodige stoeipartijtjes. Met al die vrouwen valt niet te vechten, die zeuren meteen dat het pijn doet als je eens lekker je tanden in zo’n hand zet.
Maar de vrouw… ja, dat is een geval apart. Die mag absoluut niet weg, het is een groot, enorm drama als de vrouw weg gaat.. De vrouw hoort thuis. Die moet meteen met het schepje aan de gang als hij iets in zijn bak gedaan heeft. En die moet het ook niet wagen om daar even geen zin in te hebben, want dan wordt er om de vijf minuten hard tegen de bak geklopt. Als de vrouw heel erg nalatig is, worden er drastischere maatregelen genomen. Meestal is het genoeg om alleen maar te beginnen met de rommel zelf maar uit de bak te schoppen. Daarnaast is de vrouw belangrijk voor het eten. Hoewel de andere vrouwtjes dat ook wel eens doen, gaat hij eerst altijd bij de grote vrouw vragen of het nog geen tijd is. Daar kunnen we het nog niet erg eens over worden. Hij is in de veronderstelling dat drie uur een mooie tijd is voor een eerste schotel blikvoer. Dat is dan om zes uur op en dan mag er nog wel een restje achteraan.
De vrouw vind echter dat hij genoeg heeft aan één keertje blikvoer en dat krijgt hij pas om een uur of vijf. Dus wordt er van drie tot vijf flink gezeurd.
Onze vorige katten schreeuwden letterlijk om eten, deze pakt het subtieler aan. Smekend voor je gaan zitten, zielige piep geluidjes maken, zachtjes tegen je arm tikken, nagels in je mouw slaan en proberen je mee te trekken en natuurlijk enthousiast mee huppelen als je ergens anders voor in de keuken moet zijn. Hij is ook in de volste overtuiging dat zijn aanpak werkt. Het duurt wel even, maar uiteindelijk geven ze toch toe. Om vijf uur dus.
‘s Avonds is hij de aandacht van de dochters wel min of meer zat. hij kan niet wachten tot ze naar bed zijn. Normaal gesproken gaat iedereen hier om half tien naar de eigen kamers. Slapen hoeven ze dan nog niet, maar een uurtje rommelen zonder televisie of computer is wel zo gezond. Bovendien hebben wij dan nog wat privacy. Met “wij” bedoel ik natuurlijk echtgenoot en ik. Maar de kat denkt dat hij daar ook bij hoort. Om half tien wordt het eindelijk rustiger in de huiskamer en dan wil hij graag op de bank of op het voetenbankje liggen, dicht bij ons. Af en toe een aai, een beetje spelen, maar niet te veel drukte. Dat is voor hem het toppunt van gezelligheid.
Maandag was er een goede film op televisie. En voor de verandering mochten de dames die af kijken, ook al duurde hij tot kwart over elf. Twee van de dochters hadden één of meer uren vrij die ochtend en de derde dochter kan goed tegen laat naar bed gaan. Dus wij keken gezellig met zijn allen. De kat vond het echter maar niets. Die kon zijn draai niet vinden. Kwam de huiskamer binnen, keek verwijtend naar de dochters, ging dan maar weer de keuken in. Kwam een kwartier later weer, liep een rondje, keek verwijtend achterom en verdween weer naar de keuken. En dat duurde tot de dochters naar bed gingen. Toen plofte hij zielstevreden op het voetenbankje en ging liggen slapen. Eindelijk had hij ervoor gezorgd dat ze naar bed gingen. Doodop wordt je van al dat geregel. Maar ja, als de kat niet zorgt dat de mensen zich aan hun schema’s houden, wordt het gewoonweg een rommeltje!
Over rommelige dagen en instortende kasten
Daar ben ik weer. Mijn excuses voor het overslaan van twee weken. Het voelt fout, alsof ik gespijbeld heb, maar er zat werkelijk geen enkel zinnig woord in mijn hoofd. Alleen pijn en zware vermoeidheid. Maar daar wilde ik het dus niet over hebben.
Deze week is mijn leven weer normaal. Dat wil zeggen, chaotisch, onvoorspelbaar en druk. Maar dat bevalt me toch een stuk beter dan de voorgaande twee weken.
Maandag wilde ik vol goede moed beginnen aan het huishoudelijk werk, waar ik dus ook al twee weken lichtelijk de pet naar gegooid had. Ik begon voor de verandering maar eens achter aan mijn lijstje, want dat deel schiet er nog al eens bij in. Strijken dus. Twee uur achter elkaar. Tja, dan is je dag gauw om. Maar echtgenoot heeft nu tenminste weer een stapel nette overhemden in de kast en ik hoef niet gauw voor hij naar iets belangrijks toe moet een overhemd uit de mand te vissen om nog even snel te strijken.
Toen dacht ik meteen die kast maar aan te pakken. Daar moesten zomerkleren uit en winterkleren in. Die winterkleren liggen onder ons bed en daar kan je niet gemakkelijk bij. Je moet de matrassen dan op het achterste bed leggen en de voorste bed bodem daar weer op. Snapt u? Zo niet, dan is dat niet erg. Het is gewoon niet gemakkelijk, dat is duidelijk.
Ik stapelde dus de bedden op en begon de kleding uit te zoeken. Na een half uurtje hing alles voor de winter in de kast en lagen de zomerjurkjes en -rokken (oh, wat zal ik die missen!) in de zakken onder het bed.
Toen keek ik naar mijn kast en dacht: “Wat staat dat ding scheef!”
Schever dan normaal dus, onze kamer heeft een scheve vloer, dus een beetje scheef is normaal. Gek woord, scheef. Als je het vaak schrijft, vraag je je af of het wel een normaal woord is. Schuin is misschien beter, Maar als je dat vaak schrijft, krijg je hetzelfde effect. Oh, ik dwaal af.
Ik ga de kast dus een zetje. Maar nu stond hij de andere kant op scheef. Ik gaf hem dus nog maar een zet en bedacht toen pas dat zoiets niet normaal was. Het wees bepaald niet op een stabiele kast. Dus riep ik echtgenoot, die dat bevestigde. Die kast ging instorten.
Dat kon best, want die kast wordt zwaar belast. Dat ding bevat niet alleen zowel mijn kleren als die van echtgenoot, maar er bovenop staan tegenwoordig plastic kratten met mijn voorraad stoffen en wol erin.
Echtgenoot kon die kast wel redden, zei hij, maar dan moest alles eruit. Dus haalde ik alles wat ik er net in gelegd en gehangen had uit, haalde echtgenoots kleding eruit (die heeft geen zomer/winter wisseling) en alle andere inhoud (ondergoed, sokken, beddegoed, mijn laarzen en tassen). De dozen met stoffen en wol moesten er natuurlijk ook af.
En dat in een kamertje van twee bij drieenhalf!
Toen moest de kast gekanteld worden om de achterkant er weer in te zetten. Er moesten blokjes onder om hem recht te houden. En toen vond echtgenoot dat er ook nog blokjes naast moesten. Maar daarvoor hadden we niet de goede (lees heel erg lange) schroeven.
Die moest ik dus maar even halen. Ik had nog meer boodschappen, dus ik maakte mijn rondje door de stad en kwam er toen bij de Praxis achter dat ik het blokje vergeten was. En ik had niet gemeten hoe lang die schroeven moesten zijn.
Dus ging ik eerst maar naar huis en daarna naar het dorp om nog wat andere boodschappen te doen. Nu had ik wel het blokje bij me, maar bij de baas van onze plaatselijke klussenwinkel heb ik een naam op te houden. Op schrijfgebied eigenlijk, maar dan wil je verder ook niet af gaan, dus ik besloot het blokje op te meten (ik heb een meetlint in mijn tas) en niet mee naar binnen te nemen.
Ik kocht schroeven en kwam terug bij mijn auto. Paste voor de zekerheid toch maar even bij het blokje en bleek toen de maten verkeerd onthouden te hebben. Kocht dus nog meer schroeven en reed naar huis. Moest nog een keer naar dezelfde winkel (met postagentschap, klein dorp) om postzegels te kopen voor de facturen die die dag weg moesten. Daar ging mijn reputatie.
Nou ja, die kan wel wat hebben.
Echtgenoot had het druk met klanten en had geen tijd om die blokjes vast te zetten. Ik zag het even niet zitten om het zelf te doen, dus het duurde nog uren voor ik de rommel in onze kamer kon opruimen. En toen was de maandag om en mijn week alweer rommelig en chaotisch begonnen.
En toen ik erover nadacht, besefte ik dat ik dat rommelige nog het meest gemist had in die twee (eigenlijk drie) weken ziek zijn…
Zelfvertrouwen
Er zijn mensen met een hoop zelfvertrouwen. Al weten ze dat ze iets niet zo heel goed gedaan hebben, dan nog zeggen ze: “Ik vond het niet slecht.”
Ik heb een dochter die zo is. Dat is fijn voor haar, maar wat minder prettig voor haar tweelingzusje. Want die lijkt weer op mij.
Wij zijn het andere soort mensen. Het soort mensen dat zichzelf nooit goed genoeg vindt. Het soort mensen dat de lat altijd weer net een stukje hoger legt.
Ik heb daar erge last van. Met fotografie bijvoorbeeld. Ik fotografeer al sinds mijn twaalfde (dat is tegenwoordig niet zo speciaal meer, maar toen best wel) en krijg regelmatig complimentjes. Bij het krantje zijn ze altijd blij met mijn foto’s en ik word nog wel eens ergens heen gestuurd om extra mooie foto’s te maken. Een paar jaar geleden, toen we nog per foto betaald kregen, verdiende ik heel aardig, omdat er van mij altijd meerdere foto’s geplaatst werden.
Je zou zeggen dat ik daar dus heel tevreden mee moet zijn. Maar dat ben ik dus niet. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik binnenkort keihard door de mand ga vallen. Men denkt wel dat ik goed foto’s maak, maar ik doe gewoon alsof. Gedeeltelijk is dat wel waar, trouwens. Ik heb nog steeds de ballen verstand van belichting en sluitertijden. Ik stel handmatig scherp en ik weet welke iso ik wanneer moet gebruiken, maar de rest van de mogelijkheden van mijn camera zijn abracadabra voor me. En dan begin ik nog niet eens over nabewerking in fotoprogrammatuur. Ik zit regelmatig met een stapel boeken voor mijn neus om nu eens echt te leren hoe het allemaal werkt, maar het lukt me niet. Het gaat teveel op wiskunde lijken, denk ik. Daarvan dacht men ook dat ik er wat van snapte trouwens, maar dat viel dus ook tegen. Ik ben nog er nog altijd heel slecht in, vooral als het met ruimtelijk inzicht te maken heeft.
Daarom heb ik ook een hekel aan patronen. Vooral naaipatronen, hoe zorgvuldig ik ook alle lijntjes overtrek, hoe zorgvuldig ik ook knip, het past nooit. Vandaar dat ik meestal zelf maar wat verzin. Dat is dus geen creatief talent, maar domweg een gebrek. Breipatronen lezen gaat gemakkelijker, zolang het maar uitgeschreven staat. Zodra men het visueel gaat maken, met stekenpatronen in van die tekentjes op een kaart, gaat bij mij het licht uit. Als ik het heel graag wil maken, schrijf ik zo’n kaart dan zelf maar uit, maar meestal haak ik gewoon af.
Soms laat ik mezelf door de mand vallen. Dat is eigenlijk niet slim. Maar ja, als mensen mij vertellen dat ze vinden dat ik alles zo goed onder controle heb, voel ik me bezwaard.
“Bij jou gaat altijd alles zo makkelijk.” zeggen ze dan en ik haast me om uit te leggen wat een puinhoop ik er vlak voor mijn visite arriveerde van gemaakt had, waarbij ik dan lichtelijk neig naar overdrijving.
Op dit moment pieker ik regelmatig over mijn schrijfwerk. Want het moment waarop mijn boek echt van de drukker komt en door mensen gelezen gaat worden komt nu toch echt dichterbij. En ik vind dat doodeng. Natuurlijk is het al geweldig als een uitgever je schrijfsels goed genoeg vind om er tijd en geld in te steken. Maar ik heb er vreselijk moeite mee daar gewoon trots op te zijn. Als mensen me vragen wat voor boek ik schrijf, verlies ik me altijd in verontschuldigingen. Het is geen literatuur en geen hoogstaande roman. Het is…. enzovoorts. Ik ben namelijk zo bang dat mensen anders teleurgesteld zijn als ze het lezen. Dat ze me er dan van beschuldigen dat ik flutromannetjes schrijf. Wat net zo goed een kunst is trouwens. Niemand geeft toe die dingen te lezen, maar ze hebben oplages waar ik alleen maar van kan dromen. Maar het is niet wat ik schrijf. Hoewel dat misschien ook al te maken heeft met een gebrek, niet met “te goed” zijn. Ik ben namelijk nogal slecht in het beschrijven van eh… intieme momenten, zeg maar. En die horen er nu eenmaal bij in zo’n boekje. De praktijk lukt me prima, hoor, alleen het omzetten in woorden… Nou ja, ik dwaal af. Een ander aspect van die flutromannetjes is dat de personages vaak zo onrealistisch zijn. De vrouwen zijn altijd slank, knap, stralend, levendig, slim enzovoorts. Als ze al fouten hebben, dan zijn het charmante fouten. Ze zien er zelfs geweldig uit als ze zonder makeup in een oude spijkerbroek en slobbertrui in de tuin werken (ja, ik lees die boekjes dus wel) en die mannen… tja. Die zijn ook knap en gespierd, sterk en geweldig attent. Als ze een keer onredelijk zijn en ruziemaken (altijd ongeveer halverwege zo’n boekje, dat hoort zo) doen ze dat wel heel stijlvol. Ze zijn altijd superromantisch en de hele liefdesrelatie verloopt met een snelheid en een romantiek die net iets te mooi is om waar te zijn.
Natuurlijk schaaf ik mijn personages ook wel wat bij, dat leest nu eenmaal prettiger. Maar ik vind het wel fijn als ik het idee heb dat het mensen zijn die ik zomaar op straat zou kunnen tegenkomen. Niet van die perfecte figuren waar een normaal mens niet aan kan tippen.
De komende tijd kan ik de vraag “wat voor boeken schrijf je?” natuurlijk steeds vaker verwachten. Ik zal er dus echt een omschrijving voor moeten vinden. Mijn uitgever noemt het “relax-romans” en collegaschrijfster Anita Verkerk noemt het “lekker-lui-lezen” en “voel-je-lekker-boeken”. Maar zij is razend populair in dat genre. Ik vraag me dan weer af of mensen zich wel lekker voelen als ze mijn boeken lezen… Of leggen ze het straks zuchtend aan de kant?
Wat natuurlijk ook een kwestie van smaak is. Want ik heb heel wat heel goede boeken van heel goede schrijvers zuchtend aan de kant gelegd omdat het verhaal me simpelweg niet boeide, of omdat ik het veel te expliciet vond allemaal. Niet die intieme momenten, dat sla ik gewoon over als ik niet in de stemming ben, maar al die vreselijke details over vechtpartijen, verkrachtingen, lijken en psychopatische moordenaars. Die hoef ik niet te weten, de echte wereld is al rottig genoeg.
Nu ik erover nadenk… Eigenlijk schrijf ik dus boeken die ik zelf graag lees. Boeken waarmee ik even aan de werkelijkheid kunt ontsnappen, maar die wel gaan over echte mensen, die dingen mee maken waar ik me mee kan identificeren. Verhalen over liefde en romantiek, maar wel op een realistische en tamelijk nuchtere manier. Met een vleugje humor, een tikje spanning en een happy end.
Kijk nou! Dat klinkt toch eigenlijk best als een degelijke èn positieve omschrijving…
Klomp
Als ik niet zo onduidelijk was geweest, had ik een stuk minder gedoe gehad, vorige week. Maar dat is vaak zo. Achteraf weet je wat je anders had kunnen doen.
Het begon met een mailtje van de redactie van het krantje: “Kun jij zaterdag verslag doen van het oogstfeest?”
Ik antwoordde: “Ik zou wel willen, maar ik moet om 1 uur weg (mijn moeder is jarig).”
Ik bedoelde: “Nee, dat gaat niet.”
Maar dat kwam dus niet over. Want ik kreeg een mailtje terug met de mededeling dat ik dan de ochtend maar moest doen. En ik stuurde nog een antwoord dat ik het programma had bekeken en dat ik niet veel zou missen, dus het ging best.
So far, so good, zou je denken. Maar toen kwam er een telefoontje van iemand anders van het krantje. Of ik een aantal kunstenaars waarvan werk tentoongesteld werd tijdens het oogstfeest wilde interviewen. Dat zou dan een apart artikel worden. Tuurlijk. Het zou een beetje krap worden allemaal, maar ik zag het nog best zitten. Kwestie van mijn tijd goed indelen en me vooral niet druk maken, hield ik mezelf voor. Ik kreeg er zelfs een beetje zin in. Er zou een roofvogelshow zijn en een klompenloop. Altijd goed voor leuke foto’s.
Hoewel die klompenloop me een beetje bezwaarde. Acht kilometer is een heel end op die dingen. Stel dat zo’n klomp brak, wat dan? Op de geitewollen sokken verder? Dat zou wel een geweldige foto worden natuurlijk.
Toen kwam er nog een telefoontje. Zelfde krantje, andere verslaggever.
“Ik moet de middag van het oogstfeest doen, maar er is een hoop dat overlapt, dus ik wil even afspreken wie wat doet.”
Oh. Ja, logisch. Tenminste… hoe langer we probeerden een verdeling te maken, hoe lastiger het werd. Want foto’s verdelen gaat nog, maar hoe schrijf je samen een artikel? Twee aparte ging weer niet, want dan zat je weer met die overlappingen. En ik zat natuurlijk ook nog met dat tweede artikel.
Dus stelde ik voor dat ik alleen die tentoonstelling zou doen, dan kon zij op haar gemak de rest nemen, zowel ‘s ochtends als ‘s middags. Ik belde de redactie, werd teruggebeld, belde de andere verslaggever, kreeg een mailtje, belde nog eens met de andere verslaggever en toen was het eindelijk geregeld. Ik hoefde alleen maar de kunstenaars te interviewen, iemand anders zou de foto’s maken.
Zo stond ik zaterdag met mijn schrijfblok in het dorp. En toen bleek geen van de andere twee aanwezigen van ons krantje tijd te hebben om mijn kunstenaars op de foto te zetten. Niet dat dat een ramp was, want ik kon ze toch nog niet interviewen. De kunstenaars zouden namelijk ter plekke gaan schilderen en ze waren nog aan het opbouwen.
Dus fietste ik weer naar huis om mijn camera te halen. (Nee, ik was niet met de auto. U denkt toch niet dat je op zo’n dag in het dorp kunt parkeren? Sterker nog, mijn fiets moest al in een stalling aan de rand van het dorp!) Thuis luchtte ik mijn hart bij echtgenoot, nam een kop koffie en rustte uit (mijn conditie is weer bar slecht tegenwoordig). Daarna fietste ik terug naar het dorp en liep de inmiddels loeidrukke dorpsstraat uit naar de tentoonstelling. Ik maakte gauw een foto van hoogopgestapelde klompen. Ze glommen zo dat ze er breekbaar uit zagen, maar zelfs in de onderste zat geen barstje.
Inmiddels zat ik net zo in tijdnood als wanneer ik ook dat het artikel over het oogstfeest had moeten doen. Dan had ik met mijn camera gezellig door het dorp gewandeld en fotootjes gemaakt van ringstekers, vlasdorsers en klompenmakers, in plaats van heen en weer te fietsen.
Die klompenmaker maakte geroutineerd klompen uit blokken hout. hij hakte en schaafde en schuurde en ik vond het knap, want hij brak er niet één.
Ik kwam bij de tentoonstelling, waar de kunstenaars al weer aan het opbouwen waren. Die waren namelijk buiten weggewaaid en gingen nu maar binnen verder. Gelukkig waren de meesten bijna klaar. Ik interviewde en fotografeerde en zo kwam het allemaal toch nog goed.
Maar als ik nu gewoon duidelijk gezegd had dat ik niet kon, dan had ik al dat gedoe niet gehad…
Wat me echter het duidelijkst bijstaat, is het moment waarop andere verslaggever (die dus eigenlijk was gevraagd om de middaguren te doen) tegen me zei: “Ik blijf maar tot 1 uur, dan heb ik alles wel zo’n beetje gehad.”
Ja, toen brak míjn klomp!
Automatisering
Gisteren was ik in de bibliotheek van Rotterdam. Daar was ik al bijna twee maanden niet geweest. Aan het begin van de vakantie was ik er met de dochters. Toen hebben we een enorme stapel creatieve boeken gehaald, met het idee dat ze daaruit inspiratie op konden doen om de vakantie door te komen met andere bezigheden dan werken en computeren. Dat viel wel een beetje tegen. Sommige boeken zijn niet eens open geweest! Maar de mogelijkheid was er in ieder geval.
Ik moest dus een flinke stapel boeken terugbrengen. Ik heb ze niet precies geteld, maar ik denk zo’n vijfendertig. Twee boodschappentassen zeulde ik over de markt naar de bibliotheek. Dichterbij parkeren kan niet, maar zo’n markt tussen de parkeergarage en de bieb zorgt nog voor enkele tientallen meters extra. Er staan namelijk kramen op de meest rechtstreekse route.
Toch viel het mee. Ik bereikte de bibliotheek zonder kleerscheuren en gelukkig ook zonder gekraakte ruggen of andere lichaamsdelen die het opgaven. Toen ik de hal in liep zag ik dat de verbouwing, waar ze een aantal maanden mee bezig waren geweest, nu klaar was. Dat is fijn voor hen, maar nu was ik de weg een beetje kwijt. Ik zag een bord “Inname” en liep daar naar toe om mijn boeken in te leveren. Dat is altijd wel leuk met zo’n hoop boeken. Je laat ze met een paar tegelijk in die brievenbus glijden en klaar ben je. Dacht ik. Tot ik een automaat zag. Het bordje met instructies was duidelijk genoeg. “Leg de boeken één voor één in de automaat.”
Ik kreunde hardop: “Dat meen je toch niet?”
Een behulpzame bibliotheekmedewerker liep meteen naar me toe.
“Is er iets?”
Ik wees beschuldigend op de automaat: “Eén voor één?”
Ze knikte ijverig. “Ja, dat is ons nieuwe systeem. Heel handig.”
Ik schoof mijn tassen naar voren.
“Niet als je meer dan dertig boeken terug moet brengen!”
Er waren maar twee automaten en één daarvan was kapot. Daar was iemand ingewikkelde dingen mee aan het doen. Dus schoof ik achter de rij van de andere automaat. Dat viel wel mee. De twee personen voor mij waren zo klaar. Ik hees mijn tassen op het tafeltje ervoor en keek om. Een student met twee boeken in handen.
“Ga maar even voor, hoor.” zei ik. En terwijl ik mijn boeken alvast uit de tassen haalde en opstapelde, liet ik nog iemand voorgaan. En daarna nog iemand, terwijl ik de boeken die van hun wiebelige stapel afgeschoven waren en nu een mooie rij van twee meter lang op de grond vormden, nog maar een keer opstapelde.
Toen vonden de bibliotheekmedewerkster en haar mannelijke collega het welletjes. Ze begonnen mijn boeken netjes, één voor één, in de automaat te schuiven. Terwijl ik toekeek, drong het pas tot me door dat de wand doorzichtig was. Zo kon ik dus mijn boeken over een lopende band zien schuiven, de gereedstaande karren in.
“Ze hoeven nu niet meer uitgescand te worden en ze worden ook automatisch gesorteerd.” vertelde men trots.
Dat kan best, maar het duurde wel erg lang. De rij achter mij groeide en groeide. En die andere automaat bleef maar kapot. Ik zei verontschuldigend tegen de wachtenden: “Het spijt me, ik heb al een paar mensen voor laten gaan, maar als ik dat bij iedereen doe, sta ik hier vanavond nog!”
Ik kreeg begrijpende knikjes en iemand merkte op dat het handig zou zijn als de bibliotheek evaluatieformulieren uit zou delen. Dan zou zij die lui wel even vertellen wat ze van dat volautomatische systeem vond!
Gelukkig besloot de tweede automaat het ineens te doen. Dat scheelde al weer wat wachttijd. En ondertussen waren ook al mijn boeken automatisch uitgescand en gesorteerd.
Men drukte op een knop en ik kreeg een keurige bon waarop alle boeken stonden die ik had ingeleverd. Nieuwsgierig keek ik onderaan, om te kijken hoeveel boeken het nu precies waren geweeest. En zag toen dat de bon stopte bij 27. Dat was in ieder geval niet het laatste boek, dat wist ik zeker, en bovendien was de regel maar half afgedrukt. De automaat was niet voorbereid op het inleveren van meer dan vijfentwintig boeken.
Dat werd direct aan monteur of programmeur die met de andere automaat bezig geweest was meegedeeld. Die vond blijkbaar dat mensen dan maar niet zoveel tegelijk moesten inleveren, maar het zou genoteerd worden.
Ik vond eigenlijk dat al die vooruitgang maar een matige stap vooruit was. Het kostte verschrikkelijk veel tijd en ergernis. Een mens zou bang zijn om meer dan twee boeken tegelijk te lenen…
Een uurtje later stond ik met tien boeken bij de uitleen automaat. Die was ook veranderd. Normaal gesproken moest je je boeken heel precies onder een scannertje positioneren, die dan een stickertje met een streepjescode moest lezen. Ik zag geen scannertje en legde mijn eerste boek neer om te zien wat er zou gebeuren. En de automaat zag hem direct! Boek aan de kant, volgende boek erop en ook dat werkte geweldig. En het bleek dat ik ook nog direct de boeken die ik nog thuis had (ja, werkelijk, ik was er nog een paar vergeten!) kon verlengen, zodat alles op dezelfde dag terug moet (werkt veel prettiger voor een warhoofd als ik), was ik toch wel weer een beetje verzoend met al die moderne technieken in mijn bibliotheek.
Voor ik wegging, bracht ik nog een bezoekje aan het toilet. Daar zit normaal gesproken een automatische deur die opengaat als je er twintig cent in stopt. Maar nu stonden die deuren open en zat er een meneer met een schoteltje. Op een opmerking van mij, legde hij uit dat het op marktdagen zo druk was, dat de automatische deuren dan op tilt sloegen.
Daar heb ik in mijn eentje op het toilet om zitten grinniken. Automatische inname, automatische sortering, ingenieuze computersystemen, maar wel een mannetje met een schoteltje bij het toilet! Dat soort dingen lees je nou nooit in science fiction boeken…
Dochters
Ik heb enorme moeite om een onderwerp voor deze week te verzinnen. Het was alweer een rare week. Eigenlijk niet dus, want al die rarigheid is tegenwoordig vrij gewoon.
Er waren een paar vervelende dingen, hoofdpijn, problemen met een klant. Daar ga je niet vrolijk een schrijfsel over zitten maken. En verder waren er dagen met de dochters. Erg leuk, maar of ik daar nou zoveel over kan vertellen? Waarschijnlijk wel. Ik begin maar gewoon, dan zie ik wel waar we uitkomen.
Maandag zijn we schoolspullen gaan kopen. Volgens mijn dochters moet dat zo vroeg mogelijk, want anders is alles al op. Ik kan me niet herinneren dat het bij ons zo was, ik kan me niet voorstellen dat ik aan het begin van de vakantie al een agenda voor het nieuwe jaar had. Maar ik kan het mis hebben. Wat ik wel zeker weet, is dat er bij ons veel minder keus was.
Maar tot mijn verbazing waren de dochters dit jaar vrij snel klaar. Vorig jaar hebben we nog de hele stad doorzocht naar een bepaald thema, dat (inderdaad!) overal uitverkocht bleek te zijn, maar nu waren we met een enkel bezoekje aan de Schoolcampus klaar. Ik hoefde nauwelijks te helpen. Zelfs jongste, die ik altijd voorzichtig in een bepaalde richting stuur (ze heeft nog steeds een ietwat kinderlijke smaak) liep regelrecht op de zilver- en goudkleurige schriften af. Bij de kassa stond een meisje dat jongste had kunnen zijn. Misschien iets ouder, maar hetzelfde type kind. De drie manden schoolspullen waren een tikje overweldigend voor haar. Dus nam ik het heft maar in handen, vroeg om plastic tassen en pakte in wat zij scande. Dat voorkwam een instortende berg op de toonbank, want die kon je na de eerste twee multomappen al aan zien komen. De enorme bon verbaasde het meisje ook ontzettend. Maar ik heb er ieder jaar zo een. Ik weet niet hoe andere mensen dat dan doen, maar als je voor twee of drie kinderen schoolspullen moet kopen, dan is het gewoon een enorme berg. Alleen al die rollen kaftpapier al.
Het was wel een beetje wrang dat we al bijna thuis waren toen een van de dochters nadenkend zei dat de verhuurder van de schoolboeken heeft gezegd dat kaftpapier niet meer hoeft.
Oh. Dat hadden ze wel wat eerder mogen zeggen! Maar goed, het hoort er toch wel een beetje bij en bovendien is het handig als je je eigen boeken gemakkelijk kunt herkennen. Jongste had er dit jaar een paar voor techniek die we niet gekaft hebben. Geen idee waarom niet eigenlijk. Het waren vrij dunne boekjes, maar wel gehuurde. Bij het uitzoeken van haar boeken voor het inleveren, bleek ze er eentje dubbel te hebben. Dat hadden we dus kunnen voorkomen als ze gekaft waren. Maar het was beter dan er eentje te missen. Het bleek dat er meerdere klasgenootjes waren die dat exemplaar misten, maar gelukkig was de eerste die ze het vroeg ook meteen een van de aardigste meiden. Die gun je het dan ook weer.
Dinsdag ben ik met ze naar de Rotterdamse bibliotheek geweest. Die ligt niet bepaald op de route, maar hij is zo heerlijk groot dat we de rit om boeken te ruilen (we combineren het meestal met een bezoek aan de markt) en de boetes als we weer vergeten online te verlengen er graag voor over hebben. Vijf verdiepingen vol met boeken. Heerlijk!
Deze keer heb ik de dames een beetje gestimuleerd toch vooral wat boeken over creatieve dingen te lenen. Dat is gelukt. Alleen konden we geen goede tekenboeken vinden. Niet met duidelijke voorbeelden in ieder geval. Er was er een die echt heel erg was: de aanwijzingen voor het tekenen van een kat tegen de achtergrond van een muurtje met klimop, begonnen met: teken een kat. Ja, laat dat nou net het lastigste onderdeel zijn! We zijn toen nog maar even doorgelopen naar de witte boekhandel, want daar hebben ze wel het soort boeken dat we bedoelden. Die hebben we dan ook gekocht. De hele serie. En voor ieder een dik tekenboek (zo’n A4-dummy). Dat staat namelijk wel heel interessant.
Toen we thuis kwamen met al die tassen vol creativiteit moest er echter wel eerst gecomputerd worden! Nou ja, slecht voorbeeld zullen we maar denken…
Kilometers vreten
Het is een rare week. Dat verzucht ik wel vaker, dat weet ik. Ik heb altijd rare weken en dan steeds op een andere manier raar. Dus wennen doet het niet.
Deze week is een kilometervreterweek. Ja, het is belachelijk, maar ik denk dat het autootje en ik deze week de duizend kilometer wel gaan halen.
Het begon maandag al. De dochters hebben officieel nog geen vakantie, maar een kamp was verzet naar deze week, wegens te weinig aanmeldingen voor de week erna. Het mocht van school, deze week hoefde ze alleen haar rapport nog op te halen.
Geregeld dus. Alleen bleek dat danskamp in Schoonloo gehouden te worden. Met het openbaar vervoer een reis van minstens vier uur en onmogelijk om op tijd aan te komen. Ze moest er om tien uur zijn en volgens de reisplanner kun je er niet eerder dan elf uur aankomen. Bovendien zou ze dan nog twintig minuten moeten lopen vanaf de dichtstbijzijnde bushalte. Wegbrengen dus.
Ruim tweehonderd kilometer dus. Ik wilde op tijd weg, maar het stekkertje van de tomtom was ineens kapot. Ik stuurde dochter naar binnen om de route uit te printen en ondertussen repareerde echtgenoot het stekkertje. Dat lukte, maar het kostte ons een kwartier. En natuurlijk kwamen we in de file terecht en moest ik tanken. Op het briefje stond dat we vanaf tien uur welkom waren, dus ik maakte me niet erg druk, ik nam aan dat de ontvangst tot de lunch zou duren.
Niet dus. We hoorden bij de allerlaatsten die aankwamen, dochter werd direct naar haar kamer gebracht en net toen ik eindelijk een bakje koffie wilde gaan halen, werd er omgeroepen dat we moesten verzamelen. De kinderen werden welkom geheten en daarna werden de ouders verzocht afscheid te nemen. Efficient zijn ze daar wel. Ik had natuurlijk best een kopje koffie kunnen krijgen, als ik had uitgelegd dat ik amper tien minuten rust had gehad na een rit van tweeenhalf uur. Maar ik ging braaf als een van de eersten weg, een zenuwachtige dochter (ze kende daar helemaal niemand) achterlatend.
Het was nog een leuk kwartiertje naar de snelweg, maar daar ben ik gauw bij de eerste benzinepomp gestopt. Hele vieze koffie gedronken en een lekker broodje gegeten en toen weer verder gereden. Toen had ik er dus al bijna vierhondervijftig kilometer op zitten!
Dinsdag had jongste sportdag. Ze had het goede argument dat ze een groot nadeel had ten opzichte van de anderen als ze eerst een uur moest fietsen. Sportdag is in dit gezin geen feest. Erfelijk belast zijn ze. Ik had er ook niets mee. Gym was al erg genoeg, maar als je klasgenoten dan ook nog eens willen winnen van andere klassen, heb je geen leven als je zo’n slome bent als wij allemaal zijn. Ik bracht het kind dus maar weg, om haar in ieder geval een klein beetje op weg te helpen. Daarna moest ik een printer gaan halen. Die van ons had kuren en dat is niet handig als je facturen moet kunnen printen. Maar de leverancier zit in Bergschenhoek, toch ook weer vijftien kilometer bij ons vandaan. Dat tikte alweer aan. En ik moest jongste natuurlijk ook weer ophalen van school.
Woensdag ging dezelfde dochter met school naar Walibi. Dat was een stuk leuker dan sportdag, maar ook al een wegbrengdag. En ik vond dat wel een handige dag om met oudste te gaan winkelen. Omdat zij in Leiden wil gaan studeren, bedacht ik dat het leuk zou zijn om daarheen te gaan.
Dat is maar drieëntwintig kilometer. Maar niet als je de afslag mist, uiteindelijk via Delft in Rotterdam belandt en dan weer terug moet. Dan is het een heel stuk verder.
De terugweg ging wel rechtstreeks gelukkig.
Ik ga trouwens maar niet vertellen over de asociaal inhalende (soms zelfs rechts) en snijdende (vracht)auto’s die ik tijdens al die kilometers tegenkom, want dan komt er stoom uit mijn oren en hebben sommige van mijn lezers geen rustig moment meer. Ik denk alleen dat veel machomannen niet willen dat er een klein paars autootje vóór hen rijdt.
Vandaag zou ik het rustig houden. Weer jongste naar school brengen, want ze moest haar boeken inleveren. Haar zussen heb ik daarvoor ook gebracht, want die hadden een enorme berg. Vooral de dochter met het bèta-pakket, die had voor haar bijna vijftig boeken drie tassen nodig. Jongste had elf boeken, waarvan er vier zo dun zijn als een tijdschrift. Maar goed, het ging om het principe.
Omdat ik toch reed, leek het mij wel leuk om even naar de Ikea te gaan. Ik had een paar kleine dingen nodig en een dochter wilde planken voor boven haar bed. Andere dochter wilde niets, maar kocht uiteindelijk twee boekenkasten. We hebben een leuke regeling afgesproken: ik heb ze betaald, maar iedere maandag (stofzuigdag) waarop de vloer nog vol rommel ligt (oh, dat is er nog wel eentje voor de dagelijks foto!) betaalt ze me drie euro boete. Een half jaar rommelen en ze heeft de kast, inclusief de in verhouding belachelijk dure manden voor haar cd’s alsnog zelf betaald.
Dat was dus een rondje naar Delft en daarna nog “even” naar Rotterdam Alexander, want bij Ikea hadden ze geen handige vuilnisbakken. Of ik zag ze niet, dat kon ook.
Het tellertje in mijn auto is inmiddels dus enkele honderden kilometers gestegen. En daar komt morgenavond dus nog eens vierhonderdvijftig bij om de danskampende dochter weer op te halen (echtgenoot moet waarschijnlijk werken, dus ik ga weer alleen). En nog een beetje, want ik moet natuurlijk ook de weekboodschappen halen.
Eigenlijk is het schandalig natuurlijk, met die enorm hoge benzineprijzen zo vreselijk veel rijden. Maar het kwam toevallig zo uit deze week. Gelukkig heb ik wel een heel zuinig autootje.
En ik vraag me weleens af hoe ik dat zonder rijbewijs en auto gedaan zou hebben. Niet te geloven dat ik het zo lang zonder gedaan heb. Dan zou het leven deze week toch een stuk lastiger geweest zijn.
Ook rustiger. Dat dan weer wel.

