Geertrude blogt

Menu
  • Contact
  • Over mij
  • Privacy
Menu

Bemoeial

Geplaatst op 05/03/2008 door Geertrude Verweij

Een van de lastigste dingen in het omgaan met pubers, is dat het eigenlijk toch al bijna volwassenen zijn. En ik ben niet zo heel erg goed in het omgaan met volwassenen.
Wat het bij pubers nog lastiger maakt is dat ze toch nog wel wat ouderlijke bijstand nodig hebben. En nog lastiger is dat ze dat zelf niet beseffen. Ze denken dat ze alles zelf wel kunnen regelen. Pubers kijken je aan met een blik die zegt “mens, waar bemoei je je mee” als je voor de zoveelste keer vraag of ze hun huiswerk wel gedaan hebben, hun werkstukken gemaakt en hun kamer opgeruimd.
De oudste dochters moeten voor 1 april hun geschiedenisscriptie afhebben. Maar dat duurt nog heel lang. Er zit wel een repetitieweek tussen, maar ach, dat gaat best. Dus ga je gewoon lekker spelletjes doen op je computer of de broodnodige tijd op het forum doorbrengen. En wordt je kwaad als je moeder vraag hoe het met geschiedenis gaat.
Gisteren moest ik de dochters en een vriendin naar het theater brengen. Hoor ik ze achterin praten over een opdracht waar ze al maanden mee bezig zijn. Leuke opdracht ook, het uitzoeken van de stamboom van je familie. Die moet dus over twee weken klaar zijn. Maar hoewel ze er enthousiast aan begonnen, zijn ze nog niet bepaald ver. Twee weken! En die scriptie dus een week erna. En de toetsperiode er tussenin. Maar zij denken dat ze het best redden. Waar bemoei ik me mee?
Het probleem is natuurlijk dat ik wat meer levenservaring heb. Dat ik weet waar dit op uit gaat lopen. En zij niet. Want dat hoort ook bij pubers. Ze kunnen de consequenties nog niet echt overzien. Beseffen niet dat ze straks weer met een berg werk zitten waar ze niet overheen kunnen kijken. En dan hebben ze ineens wel ouderlijke bijstand nodig. Dan wordt er gehuild en geraasd, getierd en vreselijk zielig gedaan. Want ze hebben zo veel te doen en ze redden het allemaal niet.
Wij zijn nu al sinds de vorige toetsperiode bezig de boel onder controle te krijgen. Maar dat lukt niet. Want ze weten het allemaal zo goed. Alles is af en ze zijn volledig op schema. Zeggen ze. Het is ook niet te controleren. Huiswerk staat niet in de agenda en wat ze maken wordt niet nagekeken. Dat is ook zoiets. Ze maakten hun huiswerk met de antwoordenboekjes ernaast. Dat vonden wij een slecht idee. Dus liggen de antwoordenboekjes nu hier in de huiskamer. En daar liggen ze dus al maanden zonder dat er in gekeken wordt. Wat natuurlijk ook niet de bedoeling was.
Ik zit me hier zo op te winden, dat ik daarnet tegen een van de dochters iets zei over de planning voor de komende maand. En kreeg een blik die zei: “Mens, waar bemoei je je mee.”
En misschien is dat ook wel de juiste oplossing. Nergens meer mee bemoeien. Maar of het helpt voor mijn gemoedsrust? Ik ben bang van niet…

Computers

Geplaatst op 27/02/2008 door Geertrude Verweij

“De computer is inmiddels zo ingeburgerd in het dagelijks leven, dat iedereen er mee te maken krijgt.” Dat schreef ik deze week, als inleiding van een artikel. Dat artikel ging over de opening van een computerruimte in het plaatselijke bejaardenhuis. Bewoners van het huis en de aanleunwoningen kunnen daar leren omgaan met computers. Een leuk initiatief. Ergens in een ander bejaardenthuis typte een vierennegentig jarige vrouw met twee vingers een emailtje aan haar zus in Canada waar ze al tientallen jaren slechts moeizaam contact mee had. En het zou natuurlijk ontzettend leuk zijn als (over)grootouders gewoon zelf de weblogs over hun kleinkinderen zouden kunnen volgen.
Mijn oma zou het wel gedaan hebben, denk ik. Die liep toch al met al mijn schrijfsels in haar handtas en zou vast zelf mijn website regelmatig bekeken hebben. En mijn opa van moederskant was altijd bezig met het verzamelen van knipsels. Mappen vol had hij. Voor hem zou het internet een enorme bron van informatie zijn geweest.
Het is grappig, want ik begon dit stukje te schrijven met het idee dat ik kanttekeningen wilde plaatsen bij de vraag of het echt wel nodig is dat iedereen met de computer leert werken. Maar nu denk ik dat het voor ouderen gewoon een aanvulling kan zijn. Voor degenen die nog in staat zijn ermee te leren werken dan, want het lijkt mij verschrikkelijk als je zo oud bent geworden en dan je bankzaken niet meer kunt regelen omdat je dat tegenwoordig via internet hoort te doen.
Voor de generatie van mijn kinderen hoort de computer er gewoon bij. Huiswerkopdrachten gaan via de computer, werkstukken maak je door dingen op te zoeken via internet, contact met klasgenootjes en vrienden gaat via Hyves en MSN. Als je, zoals mijn kinderen, maar een beperkte tijd achter het beeldscherm mag doorbrengen, heb je een probleem.
Huiswerkopdrachten waarbij samengewerkt moet worden, worden namelijk ook doorgemaild. En dan is het heel normaal dat pas om een uur of tien te doen.
“Ik heb het toch gemaild!” is het antwoord als één van mijn dochters klaagt dat de boel niet op tijd binnen was. Ja, maar onze dochters mogen niet tot ‘s avonds laat dat ding aan laten staan.
Sterker nog, ze mogen die dingen niet eens meer op hun kamers hebben. Bij controle bleek namelijk dat ze stiekem toch heel wat uren de pc aan hadden staan.
“Ja, ik was het vergeten.” zeggen ze dan.
Of: “Ik was voor school bezig.”
Dat kan best zijn, maar de dalende cijfers vertelden een ander verhaal. Bovendien lijkt het mij ontzettend verleidelijk als je Firefox opstart en dan meteen op je favoriete forum terechtkomt. Je maakt mij niet wijs dat je dan vervolgens netjes naar Google gaat, zonder de nieuwe berichten te checken.
Je maakt mij sowieso niet veel wijs op dat gebied, want ik ben al jaren een internetjunk. Ik ben hier in 2001 de oorzaak geweest van enorme telefoonrekeningen. Want toen had je natuurlijk nog geen ADSL of kabel. Maar wel nieuwsgroepen en die waren net zo verslavend als forums. Want je schrijft iemand een antwoord en dan zit je vol spanning te wachten op de reacties die daarop komen. Het vervelende met inbelaccounts is dan ook nog dat je voor iedere keer “even klikken” een dubbeltje startkosten moest betalen. Dat loopt enorm snel op, dat hebben we gemerkt. En het ging natuurlijk helemaal nergens over. Er is geen enkele reden waarom je niet gewoon één of twee keer per dag kunt kijken. Dat is echt genoeg en misschien nog wel leuker ook. Want dan is er tenminste iets geplaatst in de tussentijd. Na die uitschieters in de telefoonkosten ben ik wel wat gaan minderen, maar de telefoonrekening is pas echt gestabiliseerd sinds we een vast bedrag voor internet betalen.
Ik heb een goede smoes voor het aanzetten en aan laten staan van mijn pc, dat wel. Want ik krijg mijn opdrachten voor de krant via de mail. Dan kun je niet een weekje overslaan. Maar je hoeft ook weer niet iedere minuut te kijken, natuurlijk. En alle andere dingen waar ik regelmatig langs surf zijn gewoon niet nodig, zeker niet zo vaak.
Ik moest me dus schamen. “Mijn naam is Geertrude en ik ben internetverslaafd.”
Maar gelukkig weet ik al dat dit tijdelijk is. Want de zon gaat weer wat vaker schijnen en het wordt langzaam warmer. Ik heb straks wel andere en zelfs leukere dingen te doen dan voortdurend om mijn laptop heen te draaien. Het is meestal een periode, die toevallig steeds in die donkere wintermaanden valt. Echt zorgen maak ik me er dus niet over. Want ook voor mij is het maar gereedschap.
Voor de jongere generatie vind ik het moeilijker. Wij hebben dus wel die strenge regels, maar daardoor zijn mijn kinderen uitzonderingen. Hyves is bij ons geblokkeerd, omdat er daar zoveel rommel circuleert, downloaden mag alleen in zeer beperkte mate en MSN staat alleen op de pc van jongste.
Maar dat is al genoeg voor een hoop ellende. Gisteren kon zij niet inloggen. Paniek. Want er was een voorzichtig contact met wat klasgenootjes en dat moet je dan niet verwaarlozen.
Ik zou wel even kijken. Moeder lost het wel op. Niet dat moeder iets weet van MSN, want pogingen tot dat soort communicatie heeft zij allang opgegeven. Maar goed, het is altijd fijn als je kinderen nog denken dat je ergens mee kunt helpen, dus dan doe je gewoon alsof.
Dus ik keek eens peinzend naar dat scherm. En zag dat ze “wachtwoord onthouden” en “automatisch inloggen” aangevinkt had staan. Dat is verboden hier in huis, dus haalde ik die vinkjes weg. En kreeg toen te horen dat ze niet wist wat haar wachtwoord was. Dus toen kon ze zeker niet meer inloggen. Gelukkig houden ze daar rekening mee bij MSN. Ik drukte dus op “wachtwoord vergeten” en kwam in een scherm waar ik haar email adres moest invoeren. Dat deed ik en even later kwam er een mailtje binnen met een link naar een andere site waar je dan je wachtwoord kunt veranderen. Dat is redelijk dichtgetimmerd. Ik kopieerde de link naar de browser en kreeg te zien dat de bewerking afgebroken was. Ik kopieerde de link nogmaals en kreeg toen te zien dat ik die link al gebruikt had. Controleerde het emailtje en zag dat ik de verkeerde link gebruikt had. Deze was om het veranderen van het wachtwoord te stoppen. De goede link werkte natuurlijk ook niet meer. Dus nog maar een keer op wachtwoord vergeten geklikt, de goede link gekopieerd en een zwak, maar goed te onthouden wachtwoord geïnstalleerd. En toen kon ze nog niet inloggen.
Een paar uur later las een andere dochter op haar forum dat MSN gewoon plat lag, niemand kon erop. Tja, had ik dat maar geweten, dat had me een hoop tijd gescheeld.
Ik ben toch al een hoop tijd kwijt aan de computerellende van anderen hier in huis. Jawel, nog naast mijn eigen verslaving dus. Eén van de dochters is namelijk druk bezig met haar ondernemingsplan. Daarvoor gebruik je natuurlijk geen pen en papier, maar de computer. Bovendien ga je dat niet allemaal in Word zitten typen, daar gebruik je een cd-rom voor. Hoewel die laatste al snel buiten beeld verdween. Er zat namelijk een “opslaan” knop op, maar die deed niets. Dus was ze werk van een halve dag kwijt. Daarom heeft ze een bestand van de Kamer van Koophandel gedownload. Dat zat vol met slecht geprogrammeerde macro’s waardoor ze er een aantal keren uitknalde. En uiteindelijk weer een dag werk kwijt was. U kunt zich de paniek voorstellen. En we hadden al zoveel met die opdracht te stellen gehad, omdat de leraar eiste dat ze een origineel product bedacht om het plan op te baseren in plaats van “gewoon een leuk winkeltje” zoals ze zelf graag wilde. Het was heel gezellig hier, de laatste paar dagen, dat begrijpt u wel. En dat allemaal door die computers.
Want als ik die opdracht had gehad, ooit toen ik nog op school zat, dan had ik het gewoon met pen en papier op een voorgedrukt vragenlijstje moeten schrijven. Wij hebben dat zelfs voor ons eerste bedrijf in 1994 nog zo gedaan. Het resultaat is misschien wat minder gestroomlijnd, maar het werkt wel prettig. Hoewel mijn slordige dochter dan waarschijnlijk gewoon de papiertjes kwijt zou raken, want dat komt ook regelmatig voor.
Dat is ook gek trouwens, ondanks al het internetgebeuren puilen hun kamers uit van de papieren. Werkstukken, verslagen, opdrachten. Dat wordt allemaal opgeborgen in gekleurde hechtmapjes, maar raakt natuurlijk overal tussen. En is altijd op het cruciale moment kwijt.
Misschien ligt het dus wel helemaal niet aan de computer. Of het nou bestanden zijn of papiertjes, ze raken de boel toch wel kwijt. En dan kan moeder de boel gaan zoeken. Hoewel… dan toch liever bestanden, want daar heb je een handig programmaatje voor. Die zoekt terwijl je iets anders kunt gaan doen. En wie ooit geprobeerd heeft iets te vinden in een tienerkamer, weet dat de papieren variant dan een stuk meer tijd kost!

Inspiratie

Geplaatst op 20/02/2008 door Geertrude Verweij

Nou, het is zover. Het is klaar. Niet dat u er al op zit te wachten. Ergens op deze website staat dat ik bezig ben aan mijn tweede boek, maar dat kan waarschijnlijk nog niemand boeien. Mijn eerste boek is nog niet eens gedrukt en nog maar door een heel exclusief groepje mensen gelezen (de dochters en mijn moeder).
Eigenlijk moet ik dus gewoon afwachten. Kijken of dat aanslaat en dan pas verder schrijven. Maar zo werkt dat dus niet. Tussen schrijven van mijn eerste boek en het moment waarop het uitkomt, zit bijna twee jaar. Het volgende boek kan iets sneller omdat een debuut nu eenmaal goed getimed moet worden, maar er gaat toch heel wat tijd overheen. En ik zou graag met een behoorlijke regelmaat publiceren.
Dus begon ik in oktober aan mijn tweede boek. Eigenijk mijn derde trouwens, maar dat allereerste tellen we maar niet meer mee. Als ik dat allereerste boek nu herlees begrijp ik waarom het niet uitgegeven werd. Ik schreef het in 1999 en stuurde het naar twee uitgevers. Beiden wezen het af. Wel kreeg ik van mijn huidige uitgever een lange brief met opbouwende kritiek. Wat me vooral bijbleef was zijn slotopmerking: “Blijf vooral schrijven, want je hebt talent!”
Dat doet een mens goed. Toch duurde het zeven jaar voor ik weer een hele roman schreef. Ik was wel steeds begonnen, maar afmaken kost nu eenmaal bloed, zweet en tranen. Ik heb een stuk of zes halve boeken liggen en dan heb ik niet eens alles bewaard.
Bij “Huis vol verleden” (ik moet nog steeds aan die titel wennen, maar mijn eigen titel was niet goed en iets anders verzinnen lukt me nog niet) viel het wel mee, trouwens. Dat liep als een trein. Om eerlijk te zijn schreef ik er krap twee weken aan. Wel bijna dag en nacht,  maar toen was het af ook.
Dit tweede boek was lastiger. Het verhaal was er wel, maar de hoofdpersonen werkten niet echt mee. Halverwege wist ik niet meer wat ik er mee moest. De vrouwelijke hoofdpersoon zat te twijfelen tussen twee mannen en ik twijfelde vrolijk mee. Ik wist tot vlak aan het eind niet met wie het uiteindelijk goed af zou lopen.
Ook wist ik niet wie het zou overleven en wie niet. Ik wilde namelijk heel graag een wat spannender boek schrijven. Geen echte thriller, dat kan ik niet. Dat weet ik dan weer zeker omdat dat allereerste mislukte boek er eentje had moeten worden. En die kon ik zelfs met de zeer duidelijke tips van de uitgever niet herschrijven op de juiste manier.
Ik vind het ook altijd zo zielig voor de hoofdpersonen. Gelukkig ben ik daar niet uniek in.
Maria Oomkens vertelde eens dat ze tijdens het schrijven van een boek eens huilend naar beneden kwam. Haar man vroeg wat er was en ze zei: “Ze moest nou toch dood, die moeder. Het kon niet anders.”
Zoiets had ik ook. Maar ik mag er natuurlijk niet te veel over vertellen, want dan is het verhaal niet spannend meer.
Ik word trouwens wel steeds meer een echte schrijfster. Ik had deze keer zelfs een stamboompje nodig om in de gaten te houden wie met wie getrouwd was.
Er zijn mensen die eerst een heel schema verzinnen en dan pas gaan schrijven. Dat kan ik niet. Ik weet wel vaak wel ongeveer waar ik naar toe wil met mijn verhaal, maar soms gaan de hoofdpersonen ineens iets heel anders doen. Ik heb nog ergens een stuk chicklit liggen. De hoofdpersoon was vrijgevochten en zelfstandig. Maar ze was ook zwanger en wilde ineens gewoon een huis en een man. Best leuk, maar toen zat het verhaal vast. Want ik schreef dat in een periode dat ik behoefte had aan een vrijgevochten hoofdpersoon. Ik was dus helemaal niet blij dat zij ineens zo burgerlijk ging doen.
Verder ligt er nog een heel lastig geval. Het is veel te kort en het heeft geen begin, geen eind en geen midden. Het zijn meer flarden van een verhaal. Maar het is wel een goed verhaal. Misschien wordt het ooit meer, maar dan moet ik er nog veel tijd in steken.
Het idee dat een schrijver puur werkt op inspiratie is een totale misvatting. Natuurlijk komt er wel iets van inspiratie bij kijken. Dat is logisch, anders wordt het een boek van niets. Je moet ergens beginnen, tenslotte. Maar het afwerken, dat is pure transpiratie. Soms wil het verhaal niet verder en dan blijf je tobben. Mijn nieuwe verhaal heeft allerlei versies gekend. Dan was ik met een verhaallijn bezig en vond ik het ineens niet goed meer. Dan ging ik maar een paar hoofdstukken terug. Bij wijze van spreken dan, want de hoofdstukindeling hoort bij mij ook bij de afwerking. Ik loop dan het hele boek vluchtig door en deel het op in ongeveer even grote blokken. Dat is nog wel te doen, al moet ik soms flink schuiven en rekenen. Maar dan komt het corrigeren. Ik heb geen spellingscheck op mijn computer. Geen idee waarom niet, maar lastig is het wel. Ik schrijf namelijk heel erg slordig, zeker als ik er heel erg in zit. Ik verbeter het meeste wel tussendoor, maar er blijft af en toe wel eens iets zitten. Gelukkig heb ik hele goede proeflezers, mijn dochters dus. Die pikken alle spelfouten, stijlbloopers en losse eindjes eruit. Ik heb standaardfouten, lachte met twee t’s bijvoorbeeld. En het vergeten van trema’s en accenttekens, een gewoonte die ik heb opgelopen door dat ik zo veel geschreven heb in programma’s waar je die dingen gewoon niet kunt toevoegen. Mijn uitgever vroeg zelfs of ik daar een probleem mee heb. Niet dus, ik ben gewoon slordig. Maar de dochters zette streepjes bij alles wat ze zien. Esther blauwe en Deborah rode. Esther mocht deze keer het eerst lezen en Deborah vind het vooral erg leuk als zij iets ziet wat Esther over het hoofd gezien heeft. Zelf zie ik het echt niet meer. Ik heb een aantal keer geprobeerd serieus te corrigeren, maar ik weet zo goed wat er moet staan, dat ik het niet zie.
Maar daar heb ik de dochters dus voor. En voor het bekijken of het een beetje leesbaar is.
Want als je tienerdochters het iets vinden, is dat toch wel een compliment.
Ik geloof dus ook dat ik daarnet een beetje straalde toen Esther niet wilde eten voor ze de laatste paar bladzijden uit had. Ze zat midden in de spannendste scene en wilde weten hoe het afliep.
En toen ze het boek uithad, kreeg ik te horen dat ze deze nog beter vond dan de vorige. En dat van degene die eigenlijk nooit romans leest.
Het is wel leuk trouwens, als de dochters aan het lezen zijn. Soms wordt er gegrinnikt om bepaalde zinwendingen. Of ik krijg te horen dat ze vinden dat ik de mannelijke hoofdpersoon op echtgenoot gebaseerd heb. Dat kan trouwens niet anders. Ik ken maar één man echt goed. Dat mannen niet kunnen opstarten ‘s ochtends zonder koffie is voor mij een soort natuurwet. Wat natuurlijk onzinnig is, maar wel in mijn boeken opduikt.
Ik heb dat al eens eerder gehad. In 2005 werd mijn kerstverhaal gepubliceerd in het krantje. Het ging over een gezin dat geen kerst zou vieren en uiteindelijk per ongeluk een heel erg leuk kerstfeest had. Sommige mensen dachten dat het een hint was. Maar dat was het dus niet, want ik vier heel graag kerst. Ik heb wel een hekel aan het gedoe eromheen. Het kost zo verschrikkelijk veel tijd om afspraken te maken dat de lol er vaak al af is. Maar dat terzijde. De vrouwelijke hoofdpersoon scheen ook op mij te lijken. Bepaalde karaktertrekje waren heel herkenbaar, zei men. En ik dacht nog wel dat ik die persoon helemaal verzonnen had. Blijkbaar ontkom je daar niet aan.
Ik ben benieuwd of dat ook van mijn boek gezegd gaat worden. Aan de andere kant is dat ook wel een beetje eng. Want ik schrijf niet autobiografisch. Wat mijn personages zeggen en doen is dus niet altijd wat ik zou zeggen of doen. En dat sommige personen misschien iets weg hebben van mensen in mijn omgeving betekent niet dat ze daarop gebaseerd zijn. Ik schrijf nu eenmaal over dingen die heel dicht bij mijn normale leven staan. Dan slippen overeenkomsten met je eigen leven en mensen die je zelf kent er vanzelf in. Ik heb wel eens een poging tot fantasy gedaan, maar dat heb ik niet eens bewaard. Het leek nergens op.
Helemaal realistisch ben ik ook niet trouwens. Want als ik zou schrijven dat de telefoon gaat op het moment dat de hoofdpersoon twee schoenenkastjes op haar hoofd laat vallen en dat er dan ook nog iemand voor de deur staat, zou men dat niet geloven. En toch gebeurde dat vanmiddag.
Mark Twain zei het al: Truth is stranger than fiction.

Een boot

Geplaatst op 13/02/2008 door Geertrude Verweij

Mijn hoofd zit vol met de gekste dingen. Dat is lastig, maar ik maak nu eenmaal van alles mee. Zeker sinds het werk voor het krantje weer een stuk meer geworden is. Ik kom overal en hoor van alles. De kale feiten verdwijnen wel weer uit mijn hoofd, die komen in het stukje terecht. Maar de anekdotes, de gekke dingen, die blijven hangen. Zoals de verspreking van iemand, die de mensen in zijn toespraak nog veel zinloze bijeenkomsten toewenste in het opgeknapte gebouw. Zinvolle! verbeterde hij snel. En de vrouw voor me fluisterde tegen mij: “Dat heb je niet gehoord, hè?”
Dat soort dingen komt dus niet met naam en toenaam in mijn artikelen, maar het blijven leuke verhalen. Er was ook een huisarts die nogal bitter de toekomst van zijn vak schetste: “De huisarts van de toekomst is een part-time werkende vrouw, wiens partner een eigen carrière heeft. En die huisartsen willen goed uitgeruste ruimtes buiten hun eigen huis waar ze doktertje kunnen spelen.”
Dat heb ik ook maar uit mijn artikel gelaten. Dat de huisarts niet meer is wat hij geweest is, wist ik trouwens allang. Want als je bij onze dorpsarts binnenloopt om even in levende lijve een afspraak te maken (de opticien zei dat we maar even naar de huisarts moesten met de onsteking in dochters ogen en dat was drie huizen verderop), wordt je uitgescholden door de assistente. Je mag alleen bellen voor een afspraak tussen 8 en 10 uur ‘s ochtends. En dan mag je nog geen voorzichtige eisen stellen aan de tijden, want dat is goed voor nog een snauw.
In het ziekenhuis hebben ze daar ook last van, trouwens. Ik belde voor een afspraak met de oogarts. “Met welke arts wilt u een afspraak?”
Ik zei nogmaals dat ik een doorverwijzing van de huisarts had voor een oogarts.
“Met welke arts, mevrouw?” klonk het geïrriteerd.
Pas toen ik terugsnauwde: “Dat weet ik toch niet, doe maar wat!”, werd er actie ondernomen.
Die oogarts was trouwens ook niet erg helder. Want hij vroeg eerst of dochter haar lenzen nog gedragen had sinds die ontsteking begon. Het antwoord was nee. Sinds de eerste verschijnselen in november al niet meer. Vervolgens beweerde hij dat de ontsteking nu minder was omdat de optometrist er druppels in gedaan had.
“Nee, er zitten geen druppels in.” zeiden wij. Wij waren er zelf bij, en er zijn toch echt geen druppels toegediend.
“Jawel, dat heeft hij gedaan.” beweerde de arts met een gebaar naar de andere helft van de spreekkamer. Daarna maakte hij het nog bonter, want de reden dat de opticien de ontsteking de ene keer erger vond dan de andere keer was volgens hem omdat Deb dan haar lenzen weer gedragen had. Niet dus, dat hadden we al gezegd. Bovendien zat volgens hem de beschadiging, want het was geen ontsteking, onder haar ooglid, heel lastig te zien. En hoewel ik vier keer zei dat de opticien iets onderin haar oog gezien en nog nooit onder haar ooglid gekeken had, reageerde hij daar nauwelijks op. Maar goed, we hebben druppels en we moeten over zes weken nog een keer.
Dat zit dus allemaal in mijn hoofd. Verder zitten daar nog steeds allerlei naai- brei- en verbouwingsplannen. Maar die moeten even blijven waar ze zijn, want mijn lichaam werkt even niet mee. Ik kan de dingen die echt moeten net bijhouden, maar meer lukt echt even niet.
Ik was ook nog bij televisieopnames voor Nationale Kidstv. Dat was wel grappig, dan zie je hoe nep zo’n programma is. Want Kim Lian rijd zogenaamd met een schattig volkswagenbusje het hele land door. Alleen stond dat busje er om kwart over acht al en kwam Kim om kwart voor negen pas aan. En toen werd het busje door een man om de hoek van het schoolplein neergezet, waarna Kim Lian deed alsof ze aankwam. Vervolgens stapte ze weer naast die man in, die hem achteruit terug reed (dat lukt haar blijkbaar zelf niet) en kwam ze nog een keer aan. En toen nog een keer.
Wel handig voor mij, als fotograaf, want ik had uitgebreid de tijd om de aankomst te fotograferen. De kinderen deerde het niet, zelfs niet toen het afscheid er direct achteraan gefilmd werd.
Ik grapte tegen een van de toeschouwertjes dat het wel een kort dagje was zo, maar het jochie keek me daas aan en zei toen: “Dat is Kim Lian!”
Ook al gevoelig voor de onaantastbaarheid van beroemdheden dus.
Eigenlijk wilde ik dit allemaal niet vertellen. Maar ja, een vol hoofd betekent meestal een nogal warrig schrijfsel. Soort therapie, want dan ben ik het kwijt.
Er is één ding waar ik echt helemaal vol van ben. En dat is samen te vatten in een regeltje van een liedje dat de hele week al door mijn hoofd speelt.
“Ik heb een boot.” Ik ken verder het hele liedje niet. Eén van de dochters kwam ermee thuis van zeilkamp vorig jaar en heeft het zoveel gezongen, dat een andere dochter al bij het eerste woord begint te mopperen. Het is blijkbaar een aansprekend nummer, want met Sinterklaas kwam het ook voorbij: “Hij heeft een boot.” En ik hoorde dat er een Joran van der Sloot persiflage is: “Ik heb geen boot. Ik weet niet wat hij lult die van der Sloot.” Dat is ook de enige variant waarvan ik meer regels weet dan dat eerste stukje.
Maar goed. Het is duidelijk. Ik heb een boot. Wij hebben een boot. En daar zijn we heel erg blij mee. Het bootje was eerst van mijn ouders en we hebben er altijd een zwak voor gehad. De zeilende dochter noemt het een motorjachtje, dit als tegenstelling tot het zeiljacht dat zij graag zou willen hebben. Ik noem het gewoon een bootje. De naam is veelzeggend. Toen mijn ouders hem kochten, lag hij tussen twee grote spierwitte jachten. Daardoor viel het extra op dat hij nogal klein is, en bovendien gelig met een groene kap. Mijn moeder noemde hem spontaan “Erwt”  en zo heet hij nu dus officieel.
In onze jachthaven ligt de Erwt nu nog naast een half gezonken open bootje, dus het lijkt heel wat. Zaterdag hebben echtgenoot en mijn vader hem opgehaald uit het Gooimeer. Toen mijn ouders de Erwt wegdeden hadden wij namelijk geen tijd en geld voor een boot. We hadden toen twee huizen, waarvan één in zware verbouwing. We wilden wel, maar het ging even niet. Dus namen andere mensen de Erwt over. Maar nu zij hem zat waren, hadden wij weer een kans. En aangezien we nu één huis in redelijke toestand hebben, gaat dat ook best.
Zondag zijn we eerst maar eens het dek gaan schrobben. De arme Erwt was helemaal groen uitgeslagen. De dochters hadden er best zin in. Ze zongen er zelfs bij en dat was toepasselijk een liedje uit de piratenmuscial waarin ze spelen: “Wij maken schoon schip”.
Rustiger is de jachthaven er door onze komst niet op geworden. Maar gelukkig gaan we er ook mee varen. Van de havenmeester hoorden we dat er mensen zijn die van april tot oktober ieder weekend komen, maar nooit de haven verlaten. Dat begrijpen wij niet helemaal, want na het schrobben zijn we natuurlijk meteen gaan varen. Niet erg ver, maar het was heerlijk. Natuurlijk was het ook uitzonderlijk goed weer voor februari, dat hielp wel. Maar wij verheugen ons mateloos op de zomer. Het plan is als gezin veel tochtjes te gaan maken. Dat kan best,  met vijf, zelfs zes personen op de Erwt. Leuk, vroeg weg en mooie routes varen. We zien het helemaal zitten. Maar we hebben nog veel mooiere plannen. Want met z’n tweeën kun je best een weekje wonen op de Erwt. De eethoek in de kajuit is ook een bed, net als in een caravan. Er is een keukentje en plaats voor een porta-potti. Douchen gaat niet, maar bij de meeste havens is wel een wasgelegenheid. We zien het dus al helemaal zitten. Heerlijk varend rondtrekken. Bijkomend voordeel is dat je met zo’n bootje niet zo ver komt. We willen Barrel (de camper) ook weer rijdend hebben van de zomer, maar daarmee zitten we zomaar op Sicilië als we niet uitkijken. En dat is met een eigen bedrijf toch wel een eind weg, eigenlijk. Als er dan een klant een probleempje heeft (loszittende stekkertjes enzo) kun je er niet zo gemakkelijk heen. Terwijl we met het bootje gewoon in Nederland blijven. Dan kan echtgenoot gewoon een auto huren en even op en neer gaan om dat stekkertje weer vast te zetten. Hoewel… moet je ons net hebben. Als het even meezit, varen we zo Duitsland binnen. Zou dat kunnen, over de Rijn? Ik zou de Lorelei wel van dichtbij willen zien, bijvoorbeeld. En misschien kun je dan ook wel doorvaren naar Oostenrijk.
Ik heb werkelijk geen flauw idee hoe al die rivieren lopen. En dan heb je natuurlijk ook nog kanalen. Je komt best ver over water.
We mogen wel oppassen, als we niet uitkjjken liggen we straks met de Erwt in de haven van Sicilië!

Oprit

Geplaatst op 06/02/2008 door Geertrude Verweij

Ons leven is zelden rustig. Dat hoort erbij met een bedrijf aan huis, schrijfwerk en een berg hobby’s. En drie pubers niet te vergeten. Nee, een beetje chaos hoort erbij.
Maar er zijn van die dagen waarop de chaos zo compleet is, dat het zelfs ons verbaasd.
Vorige week hadden wij zo’n dag.
Het begon eigenlijk de avond ervoor. De man van de oprit kwam even langs.
Die zou vrijdag en zaterdag de puinhoop waarop wij onze auto’s en fietsen parkeerden komen rechttrekken. Wij moesten nog wel donderdagmiddag even de aanhanger gaan legen bij de stort. Dat leek namelijk een geweldig idee, die aanhanger zo neerzetten dat je al het afval er zó in kon gooien. En dan hoefde je hem alleen maar even achter de auto te hangen en was de boel weer opgeruimd. In het tijdperk voor de aanhanger, stapelden wij namelijk de rommel gewoon op in een hoekje, tot we eindelijk tijd en puf hadden om een aanhanger te huren.
In de praktijk blijken wij gewoon sloddervossen te zijn. Want het klusafval (nee, geen huishoudelijk afval, zo vies zijn we nu ook weer niet) bleef gewoon in de aanhanger liggen. Maandenlang.
Maar goed, nu moest dat ding aan de kant en zouden wij het weg gaan brengen. Op donderdagmiddag, want in ons dorp is de stort maar drie dagdelen open. Dinsdagmiddag, zaterdagochtend en donderdagmiddag. Geen probleem, want vrijdag zouden ze pas komen.
Niet dus, want dat kwam de man van de oprit vertellen. Dat ze donderdagochtend om acht uur zouden beginnen. Kon die man niets aan doen overigens, die had zaterdag een begrafenis en was juist zeer klantvriendelijk aan het zorgen dat de boel toch op tijd klaar zou zijn. Maar wij zaten dus nog met een volle aanhanger.
Die hebben we donderdagochtend dus maar even op de dijk gezet, net als onze auto’s. Dat vind het sluipverkeer niet fijn, want dan moeten ze afremmen en eromheen sturen enzo, maar dan heeft het sluipverkeer dus gewoon pech. We zaten ook met die fietsen, die kunnen niet op straat, want dan zijn ze zo verdwenen. En in de achtertuin ging wel, maar dan konden ze er niet meer uit, omdat het smalle paadje ernaartoe open moest voor een afvoerpijp.
Het kwam goed uit dat het toch al wegbrengweer was. Ik reed met mijn autootje vol pubers naar de school en weer terug. Echtgenoots veel grotere auto stond immers met de aanhanger erachter op de dijk. Ik was amper thuis toen echtgenoot in mijn auto sprong om een klant te helpen met een accuut probleem. Dat duurde niet lang en hij was op tijd thuis, zodat ik een dochter die een kort dagje had, kon gaan halen. Wel bleek dat mijn benzine bijna op was. Zo bijna op, dat ik betwijfelde of ik het wel zou halen om weer thuis te komen vanaf de school. Dus besloot ik even te tanken bij het tankstation daar vlakbij. Ik gooide mijn tank vol en kwam er toen achter dat mijn portemonnee nog thuis lag. Dochter had wel een portemonnee, maar niet genoeg saldo om mij voor te schieten. Probleem dus. Ik ging het eerlijk vertellen en er werd een formuliertje ingevuld waarop stond dat ik het binnen vier uur moest komen betalen. Of ik legitimatie bij me had.
Nee, want die zit ook in mijn portemonnee. Maar blijkbaar heb ik een eerlijk gezicht, ik mocht gaan zonder iets in te leveren.
Eenmaal thuis schoof ik toch tamelijk opgewekt weer achter mijn computer. Die was ook lastig, want de barst in de klep is nu een heuse breuk geworden, bij het scharnier. De klep kan dus niet meer dicht. Hij blijft wel openstaan, maar dan moet er iets om het gebroken scharnier geklemd worden. Ik schoof dus een knijper op de rand van het beeldscherm en ging aan het werk. Maar ineens besefte ik dat we helemaal vergeten waren dat we nog naar de stort moesten. Er was nog tijd, dus we renden naar de auto om het dan maar direct te gaan regelen. Maar de auto wilde niet starten. De accu bleek niet best te zijn en een halve dag met gevarenlicht op de dijk staan was genoeg om hem leeg te trekken. Echt leeg, want de deuren gingen niet eens meer normaal open. Dan maar proberen te starten met mijn auto. Alleen jammer dat we geen startkabels hadden. Niet in de schuur, niet in de camper en niet in de beide andere auto’s. Die moesten we dus nog even gaan kopen. En toen duurde het even voor mijn minimotortje genoeg vermogen geleverd had om de grote bak van mijn echtgenoot te starten. Maar het lukte. En er was nog steeds tijd, dus reden we in vliegende haast naar de stort. Twee keer zelfs, want er lag ook nog een stapel hout die we ooit nog zouden gaan gebruiken. Maar blijkbaar was echtgenoot het net zo zat als ik, want hij besloot terplekke dat het naar de stort mocht. Waar een medewerker een deel van de door ons afgedankte platen hout wel wilde hebben om ergens een dak van een schuur mee te verstevigen. De rotte randen zou hij er wel afzagen. Wij vonden dat prima, zo kwam het tenminste nog een beetje goed terecht. Ik zou bijna zeggen dat je je toch gaat hechten aan dat spul, als het een jaar tegen je schutting staat, maar dat zou ik liegen.
We hadden ook nog een oude brievenbus, zo’n groene. We hadden geen idee of je die ergens moet inleveren omdat het eigendom van de post is ofzoiets, dus we hadden hem meegenomen naar de stort om het daar te vragen.
Het blijkt dat die dingen wel uitgedeeld zijn door de post, maar gewoon weg mogen. Maar als hij nog goed was, wist de man van de stort nog wel iemand die er kort geleden om gevraagd had.
Die iemand was onze buurman van twee huizen verderop, die het ook wel een grappig toeval vond. “Je zoekt het ver en je vind het kortbij” zei hij, in niet helemaal correct, maar wel duidelijk nederlands.
De brievenbus gaf meteen een mooie aanleiding om te vragen of onze auto’s en de kar een paar dagen op het erf van zijn boerderij mochten staan. Want ‘s avonds rijden ze hard op de dijk en zonder licht (want anders weer een lege accu) konden we natuurlijk botsingen verwachten. En boetes ook, trouwens. Het mocht. Dat was dan ook weer fijn voor het sluipverkeer, helaas.
De dag leek nu eindelijk rustiger te worden, ik betaalde mijn benzineschuld, we aten wat en we begrepen volkomen dat de beloofde tweede ploeg van de opritman niet kwam, want het was behoorlijk slecht weer.
Maar om acht uur werd het ineens weer druk bij ons huis. Er werden grote lampen aangesloten en twee sterke mannen begonnen te graven voor afvoer en drainage. Echtgenoot ging een praatje maken tijdens een rookpauze en ik bracht koffie. Allemaal erg gezellig en het werk vlotte goed. Tegen tienen waren ze klaar. Echtgenoot maakte nog een praatje en toen zag hij ineens uit zijn ooghoeken iets zwartwits naar buiten wandelen. Onze binnenkat, die nooit belangstelling getoond heeft voor de buitendeur, vond het tijd worden om ook eens te kijken wat ze daar nu eigenlijk aan het uitspoken waren. Voor echtgenoot het echt doorhad, verdween hij onder de camper. Even een korte uitleg aan de opritmannen –er zijn al drie katten doodgereden hier- en we hadden hulp bij het vangen. Wat nog niet gemakkelijk was, want hij mocht dus onder geen beding de straat op rennen, maar ook niet de achtertuin in. Want als hij het open veld achter onze tuin bereikt, pak je hem natuurlijk nooit meer. Gelukkig was er eentje zo slim de buitendeur wijd open te zetten. Want Beest liet zich onder de camper vandaan jagen en rende gauw naar binnen, waar hij in de vensterbank de buitenboel verder ging zitten bekijken.
Nu zijn we dus extra voorzichtig met de buitendeur en vraagt er iedere keer een dochter angstig: “Waar is Beest?”  Alsof deze vrij bejaarde kater net als het piepjonge Spookje twee jaar geleden voortdurend zou ontsnappen en watervlug door de kleinste kier zou glippen. Welnee, Beest pakt dat heel anders aan. Die heeft een paar dagen verontwaardigd staan schreeuwen bij die deur. Want die moesten wij open doen, zodat hij weer even buiten kan kijken. En dat doen wij dus niet (drie katten in twee jaar!).  Terwijl de opritmannen nog anderhalve dag hard werkten, moesten we dus extra goed opletten of die deur wel dicht was.
De oprit is nu klaar. Het ziet er perfect uit. De auto’s passen nu naast elkaar, we hoeven dus  niet meer moeilijk te doen met omwisselen als net de verkeerde voor staat. Echtgenoot heeft het lastige plekje, langs het hek. Ik hoef alleen maar recht achteruit te rijden en dan zo strak mogelijk naast hem parkeren. Dat gaat best.
Meestal in ieder geval, maar dat verhaal hoort dan weer bij een ander schrijfsel over een andere chaotische dag.

  • Previous
  • 1
  • …
  • 45
  • 46
  • 47
  • 48

Welkom!

Ik ben Geertrude, echtgenote van 1, (schoon)moeder van 5 en oma van 2.
Ik ben boekhouder, redacteur en schrijfster van beroep en hou van lezen, fotograferen, breien, naaien, tuinieren, kruidengeneeskunde en nog veel meer.
Hier schrijf ik over alles wat me bezighoudt en soms ook over mijn pogingen eens wat rustiger aan te doen.
Meer over mij vind je hier.

Archief

© 2026 Geertrude blogt | Aangedreven door Minimalist Blog WordPress thema